01
Dante Alighieri - La Divina Commedia - Inferno
Albert Verwey - De Goddelijke Komedie - De Hel

Op 't midden van de levensweg gekomen,
Vond ik mij door een donker bosch omgeven,
Omdat de rechte weg mij was benomen. 03

Hoe moeilijk wordt dit woud door mij beschreven,
Het wilde en woeste, 't ondoorworstelbare,
Dat, als ik denk, mijn vrees weer op doet leven. 06

Zoo bitter is 't dat dood haast liever ware.
Wel zeg ik van mijn zijn daar andre dingen,
Opdat ik 't heil dat ik daar vond verklare. 09

De ingang leeft vaag in mijn herinneringen,
Zoo was ik in die wij1 door slaap bevangen
Toen van de ware weg mijn voeten gingen. 12

Maar daar waar hellingen dat dal behangen
Dat mij van vrees het hart zoo had doen lijden,
Voelde ik mijn oogen naar een heuvel langen. 15

Ik blikte omhoog en zag alreeds zijn zijden
Door stralen van die vaste ster betogen
Die met zijn licht ons oovral pleegt te leiden. 18

Toen werd een weinig wel de vrees me onttogen
Die in mijn hartemeer was blijven waken,
Die nacht van mijn ellende en onvermogen. 21

En zooals zij die uit de zee geraken
Aan de oever, en met nog benauwde longen
Omzien naar golven die zich om hen braken, 24

Zoo wendde ik, vluchtige ziel, nog pas besprongen
Door doodsangst, mij terug, om 't pad te schouwen
Waarlangs nooit levenden te voorschijn drongen. 27

Daarna, bekomen van het loomend flauwen,
Hernam ik door 't verlaten oord mijn schreden,
Maar nu kon hoogre op laagre voet vertrouwen. 30

En zie, de helling had ik nauw betreden,
Toen vr me een lichte en vlugge losch zich stelde,
En een gevlekte huid was om zijn leden. 33

En daar hij, mij daar ziend, niet verder snelde
Sloot hij de weg waarlangs mijn voet zich richtte,
Zoodat ik weer en weer tot keeren helde. 36

't Was de uur dat Uchtend reeds de lucht verlichtte
En Zon omhoog steeg met diezelfde bollen,
Die met hern waren toen in hun verplichte 39

Banen hen de eeuwge Liefde 't eerst deed rollen.
Zoodat van 't wilde dier, het bont gehuide,
Zelfs gunstige verwachtingen mij zwollen, 42

Daar ik dat uur en 't zoet seizoen zoo duidde.
Maar niet z dat de schrik mijn angst niet voedde
Toen mij een leeuw verscheen, een hooge en luide, 45

Die met geheven hoofd in hongerwoede
Aanstormde of hij zich op mij werpen wilde,
De lucht doend trillen waar hij naderspoedde. 48

n een wolvin, wie elk begeeren rilde
In 't maagre lijf, zoodat zij droef deed leven
Menigeen die beproefde of hij haar stilde. 51

Door deze werd ik in zulke angst gedreven
Dat in mijn hart de vrees niet meer bedaarde,
En ik de hoogte alhaast had opgegeven. 54

En zooals hij die gaarne schat vergaarde,
Maar, kwam de tijd dat hij verlies moest doogen,
In al zijn denken droef werd en vervaarde, 57

Zoo ik, toen me aldoor dieper neer deed oogen
Dat rustelooze dier, dat me onbezweken
Drong naar het oord waarheen gn stralen togen. 60

Wijl nu mijn voeten telkens rugwaarts weken
Vertoonde zich mij n, spraaklooS gelijkend,
Als wie te lang gespeend was van te spreken. 63

Hem ziend, van die woestijn bewoner blijkend,
Riep ik: Erbarm u mijns, wie ge ook moogt wezen,
Schim, f een mensch geen werklijk lichaam wijkend. 66

Hij zei: Geen mensch; maar mensch was ik voordezen,
Een zoon van ouders die zich als Lombarden
En be van Mantua geboortig prezen. 69

Mij, onder Julius geboren, marden
Manlijker jaren waar Augustus troonde
En valsche goden stad en rijk verwarden. 72

Dichter was ik en zong de laatbeloonde
Zoon van Anchises, die van Troje reisde,
Toen brand de burcht van Ilium niet verschoonde. 75

Maar waarom zoekt ge waar ge juist van deisde ?
Waarom treedt ge die blijde berg niet nader,
Tot iedre vreugde 't eerst en vast gewijsde ? 78

Zoo zijt gij die Vergilius, bron en ader
Waaruit zoo breede stroom van spreken vloeide ?
Sprak beschaamd en staande als voor een vader. 81

O vr alle andre dichters licht dat gloeide,
Reken mij nu mijn liefde aan, nu mijn ijver
Die me aan uw boek zoovele nachten boeide. 84

Gij zijt alleen mijn meester, gij mijn schrijver.
Tot de eedle stijl waarop ik roem mag dragen
Waart gij alleen mijn leidsman en mijn drijver. 87

Gij ziet het wilde en wreede dier mij jagen.
Red gij mij uit haar macht, vermaarde wijze;
Ik beef en vrees en voel mijn hart versagen. 90

Er is een andre weg die ik u wijze,
Gaf hij ten antwoord, ziende dat ik weende:
Opdat ge uit dit woest oord u redde, en rijze. 93

Dit wilde beest toch waar ge om zuchtte en steende
Laat niemand langs haar pad naar boven komen.
Het doodt wie ndanks haar te stijgen meende. 96

Het hoort tot hen die nooit in 't kwaad verloomen,
Nooft hun begeerig willen af doen zwerven,
Daar 't nooit haar hongeren naar meer kan toomen. 99

Paren deed het met vele, en menigwerven
Zal het nog paren, totdat n zal dagen,
De Hazewind die haar van pijn doet sterven. 102

Die schept in stof noch klatergoud behagen,
Maar in deugd, liefde en wijsheid: van zijn groeien
Zal tusschen Feltro en Feltro 't volk gewagen. 105

Van hem zal heil voor 't arme Itaalje vloeien,
Voor 't welk Camilla stierf, eeuwig de wonden
Van - Turnus, Nisus, Euryalus gloeien. 108

Vervolgen zal hij 't dier door alle gronden,
Tot hij het in de Hel terug verbande,
Vanwaar het de Eerste Nijd heeft uitgezonden. 111

Waarom ik tot uw bestwil dit beplande
Dat gij mij volgt van hier en 'k u zal voeren
En trekken door de plaats van 't eeuwge branden, 114

Waar de wanhopige kreten u ontroeren
Die daar de schimmen van gestorvnen slaken,
Of tweede dood ze ontbinde uit bittre snoeren! 117

En zien zult ge ook die hun bestaan niet laken,
Schoon levende in het vuur, daar zij verhopen
Eens bij de zaalge geesten te geraken; 120

Tot welke, als 't hoogste doel ge wenscht beloopen,
Een waardiger ziel dan ik u op zal leiden.
Wanneer ik ga, voert zij u in het open. 123

Want hij, de Heerscher die wij bei belijden,
Daar ik in 't leven hem niet heb beleden,
Wil dat zijn stad daarginds mijn voeten mijden. 126

Daar troont hij, koning van de oneindigheden.
Daar is zijn burcht, de zetel van zijn wonen.
Gelukkig wie hij daar doet tot zich treden. 129

En ik tot hem: Dichter, zoo moge u loonen
Die God die gij niet kende en die u richtte,
Opdat dit kwaad en 't ergre mij verschoonen, 132

Dat gij mij leidet en mijn loop verlichte
Zoodat ik Petrus' poort zie, en haar wachter,
En hen die ge als zoo troostloos mij berichtte. 135

Toen schreden wij tezaam, hij voor, ik achter. 136

list operone