Thesaurus
Dutch Bible 1939
001 >>>

aan
aanbad
aanbidden
aanbiddend
aanbieden
aanbiedt
aanblik
aanbod
aanbrak
aanbreken
aanbrengen
aandeel
aandoen
aandoet
aandrong
aaneen
aangaande
aangeboden
aangebracht
aangebroken
aangedaan
aangegroeid
aangekomen
aangemaakt
aangename
aangenomen
aangeraakt
aangerekend
aangesteld
aangestoken
aangetast
aangetaste
aangetrokken
aangevlogen
aangewezen
aangezicht
aanhad
aanhoren
aanleiding
aanliep
aanmerking
aannemen
aanraakt
aanraken
aanraking
aanriep
aanroepen
aanschijn
aanschouwd
aanschouwde
aanschouwen
aanschouwt
aansprakelijk
aansteken
aanstelde
aanstellen
aanstonds
aantal
aantreden
aantreft
aantrekken
aanvaard
aanvaarden
aanvaardt
aanvankelijk
aanvoeren
aanwezig
aanwijs
aanwijzen
aanwijzingen
aanzien
aanzitten
aardbodem
aarde
aarden
ašron
ašrons
aasgier
abel
abel-misraim
abiasaf
abib
abida
abihoe
abimaŽl
abimťlek
abimťleks
abraham
abrahams
abram
abrams
acaciahout
ach
achisamak
achoezzat
acht
achter
achter-
achteraan
achterblijven
achteren
achtergelaten
achterhaalt
achterhoofd
achterkant
achterlieten
achterna
achterover
achterstallig
achteruit
achtervolgde
achtervolgden
achtervolgen
achtervolgt
achterwaarts
achterwand
achthonderd
achtste
achttien
ada
adam
adbeŽl
adder
adelaarsvleugelen
adem
adma
adoellam
af
afbouw
afbreken
afdaalde
afdalen
afgehouden
afgekondigd
afgekrabde
afgeleefd
afgelegd
afgelopen
afgeluisterd
afgenomen
afgeperst
afgereisd
afgesneden
afgespoeld
afgestaan
afgestorvene
afgetrokken
afgevallen
afgeven
afgewend
afgezet
afgezonderd
afglijden
afgoden
afgodische
afgodsbeelden
afgraast
afgrond
afgunstig
afhangen
afkeer
afknijpen
afkondigen
afkrabben
afladen
afleggen
aflopen
afmaaien
afmaait
afmetingen
afnemen
afscheid
afscheren
afscheuren
afschuw
afschuwelijks
afsluittapijt
afsnijden
afstaan
afstammelingen
afstamt
afstand
afwachting
afwassen
afweiden
afwezig
afzetten
afzoeken
afzonderlijk
afzonderlijke
agaat
ai
ajja
akan
akbor
akkad
akker
akkerland
akkers
al
aldus
alle
allebei
alleen
allemaal
allen
allerbeste
allerhoogste
allerhoogsten
allerijl
allerlei
alles
almacht
almachtige
almachtigen
almodad
als
alsook
altaar
altaarvuur
altaren
altijd
altijdgeldend
altijdgeldende
alwa
alwan
amalek
amalekieten
amandel
amandelbloesem
amandelen
ambachtslieden
amber
ambt
ambtsgewaden
ametist
amminadab
ammonieten
amoriet
amorieten
amrafel
amram
ana
anamieten
ander
andere
anderen
anderhalve
anders
aner
angst
antwoord
antwoordde
antwoordden
antwoorden
appeltjes
aram
aram-naharŠim
arameŽr
aran
ararat
arbeid
arbeiden
arbeidt
ard
areli
aren
arend
arjok
ark
arkieten
arm
armbanden
arme
armen
armoede
arodi
arpaksad
arwadieten
as
asenat
aser
asfalt
asfaltputten
ashoop
asjbel
asjkenaz
asjterot-karnŠim
assir
assjoer
assjoerieten
at
aten
avond
avonds
avondschemering
awit
azazel
bŠal-chanan
baal-sefon
baan
baard
baarde
baart
babel
bad
baden
bak
bakjes
bakken
bakker
bakoven
baktroggen
balken
balsem
balsemde
balsemden
balsemen
balsemhars
balseming
ban
band
bandeloos
banden
banen
bang
banier
bannen
banvloek
baren
barensnood
barmhartig
barmhartige
barmhartigheid
bars
barst
barstte
basemat
bazuin
bazuingeschal
bazuingeschetter
beangst
beantwoordden
beantwoorden
bebouwen
bebouwt
bed
bedaard
bedacht
bedad
bedaren
bede
bedekken
bedekking
bedekt
bedekte
bedekten
bederf
bediend
bedienen
bediening
bedlegerig
bedoeld
bedoelde
bedoeling
bedoelingen
bedoelt
bedolf
bedolven
bedorven
bedraagt
bedrag
bedragen
bedreef
bedreigd
bedreiging
bedreven
bedriegen
bedrijft
bedrijven
bedroefd
bedroeg
bedroegen
bedrogen
bedroog
bedwelmd
bedwingen
beŽindigd
beek
beeld
been
beenderen
beŽr-sjťba
beŽri
beest
beesten
beet
beetje
begaan
begaat
begaf
begane
begeef
begeeft
begeerte
begeleid
begeleiden
begeren
begeven
begiftigd
begin
begingen
beginmaand
beginnen
begint
begon
begonnen
begraaf
begraaft
begrafenis
begraven
begreep
begreept
begroef
begroet
begroeven
behaagd
behaagde
behaald
behaard
behalve
behandel
behandeld
behandelde
behandelden
behandelen
behandelt
beheersen
behendig
beheren
behoed
behoeden
behoedt
behoefden
behoeft
behoeven
behoorden
behoort
behoren
behorend
behoud
behouden
beide
beiden
beitel
bejegende
bek
beka
bekampen
beken
bekend
bekennen
beker
bťker
bekers
bekken
beklag
beklagen
bekleden
bekleed
bekleedde
beklimmen
beklom
beklommen
bekoeld
bekommerde
bekostigen
bekrachtigt
bekwaamheid
bekwame
bťla
belaadt
beladen
belangen
belast
belasting
beleefd
beleid
belet
beletten
beleven
belijdenis
belletje
belletjes
belofte
beloofd
beloond
beloonde
bemerkt
bemerkte

Thesaurus
Dutch Bible 1939
001 >>>