• [dutch] 24
    Dutch Bible 1939
  • Genesis Exodus Leviticus Numeri Deuteronomium Jozua Rechters


    Richter

    1Na JosuŽ's dood raadpleegden de IsraŽlieten Jahweh en vroegen: Wie van ons zal het eerst tegen de Kanašnieten ten strijde trekken?
    1Jahweh sprak: Juda zal optrekken; zie, Ik lever hem het land over.
    1Daarom sprak Juda tot zijn broeder Simeon: Trek met mij op naar mijn erfdeel, en laat ons samen tegen de Kanašnieten strijden; dan zal ook ik met u naar uw erfdeel gaan. En Simeon trok met hem mee.
    1Toen Juda dan uitrukte, leverde Jahweh de Kanašnieten en Perizzieten in hun handen, zodat ze er te Bťzek tien duizend versloegen.
    1Want in Bťzek stietten ze op Adoni-Bťzek, bonden de strijd met hem aan, en versloegen de Kanašnieten en Perizzieten.
    1Adoni-Bťzek nam de vlucht; maar ze gingen hem achterna, namen hem gevangen, en kapten hem zijn duimen en grote tenen af.
    1En Adoni-Bťzek zeide: Zeventig koningen met afgehouwen duimen en grote tenen raapten de afval van mijn tafel bijeen; naar mijn werken heeft God me vergolden. Men bracht hem naar Jerusalem, waar hij stierf.
    1De mannen van Juda belegerden Jerusalem en namen het in, waarna ze de stad met het zwaard uitmoordden en in brand staken.
    1Daarna zakten de JudeŽrs af, om de Kanašnieten te bestrijden, die in het bergland, de Nťgeb en de Sjefela verblijf hielden.
    1Zo trok Juda tegen de Kanašnieten op, die te Hebron woonden; Hebron werd vroeger Kirjat-Arba genoemd. En hij versloeg Sjesjai, Achiman en Talmai.
    1Vandaar trok hij op tegen de bevolking van Debir; Debir werd vroeger Kirjat-Sťfer genoemd.
    1Toen zei Kaleb: Wie Kirjat-Sťfer aanvalt en inneemt, geef ik mijn dochter Aksa tot vrouw.
    1OtniŽl, de zoon van Kenaz, de jongere broer van Kaleb, nam het in; en deze gaf hem dus zijn dochter Aksa tot vrouw.
    1Maar toen zij aankwam, spoorde hij haar aan, haar vader akkerland te vragen. Ze boog zich dus van den ezel neer, zodat Kaleb haar vroeg: Wat is er?
    1Ze zeide hem: Schenk me een gift; nu ge mij eenmaal voor de Nťgeb bestemd hebt, moet ge me ook waterbronnen geven. En Kaleb gaf haar bronnen in het hoogland en laagland.
    1Tezamen met de JudeŽrs trokken ook de nakomelingen van Chobab, den Keniet, Moses schoonvader, uit de Palmenstad naar de woestijn van Juda, waar men afdaalt naar Arad, en vestigden zich bij de Amalekieten.
    1Daarna trok Juda met zijn broeder Simeon op, en zij versloegen de Kanašnieten, die te Sefat woonden; ze troffen de stad met de banvloek, en men noemde ze Chorma.
    1Maar Juda kwam niet in het bezit van Gaza, Asjkelon en Ekron met bijbehorend gebied.
    1Juda maakte zich wel van het bergland meester, omdat Jahweh met hem was, maar de bewoners der vlakte konden ze niet verdrijven, want die hadden ijzeren wagens.
    1Zoals Moses bepaald had, gaf men Hebron aan Kaleb, die er de drie Anaks-kinderen uit verdreef.
    1Ook de Benjamieten verdreven de Jeboesieten niet, die Jerusalem bevolkten, zodat de Jeboesieten er met de Benjamieten samenwonen tot op de huidige dag.
    1Het huis van Josef trok op, en wel naar Betel; en Jahweh was met hen.
    1Toen nu het huis van Josef Betel, dat vroeger Loez heette, liet bespieden,
    1zagen de spionnen een man uit de stad komen. Ze zeiden hem: Wijs ons, hoe we in de stad kunnen komen; dan zullen we u sparen.
    1En hij wees hun, waar ze de stad moesten binnengaan. Daarop joegen ze de stad over de kling, maar dien man en zijn hele familie lieten ze gaan.
    1De man vertrok naar het land der Chittieten, en bouwde er een stad, die hij Loez noemde, zoals ze nu nog heet.
    1Maar ook Manasse veroverde Bet-Sjean en Tašnak met hun dorpen niet, en verdreef evenmin de bewoners van Dor, Jibleam, Megiddo en hun dorpen, zodat de Kanašnieten zich handhaafden in deze streek.
    1Toen IsraŽl machtiger geworden was, heeft het de Kanašnieten wel dienstbaar gemaakt, maar uitgedreven heeft het ze niet.
    1Ook EfraÔm verjoeg de kanašnietische bevolking van Gťzer niet; vandaar dat de Kanašnieten midden onder hen bleven wonen.
    1Ook Zabulon verdreef noch de bewoners van Kitron, noch die van Nahalol; de Kanašnieten leefden dus te midden van de Zabulonieten, maar waren dienstplichtig.
    1Aser verjoeg de inwoners van Akko, Sidon, Achlab, Akzib, Chelba, Afek en Rechob niet,
    1zodat de Aserieten midden tussen de Kanašnieten, de landsbevolking, woonden; want verdrijven konden ze die niet.
    1Neftali verjoeg de bevolking van Bet-Sjťmesj en die van Bet-Anat niet, maar leefde te midden der Kanašnieten, die in deze streek woonden; de bevolking van Bet-Sjťmesj en Bet-Anat was hun echter dienstbaar.
    1De Amorieten drongen de Danieten het bergland in en zorgden ervoor, dat ze niet naar beneden kwamen in de vlakte.
    1Vandaar dat de Amorieten zich handhaafden te Har-Chťres, Ajjalon, en Sjašlbim; maar het huis van Josef kreeg de overhand over hen, zodat ze dienstplichtig werden.
    1Het gebied der Edomieten strekte zich uit van het hoge Akrabbim, vanaf Sťla en nog verder.
    2Toen trok de engel van Jahweh van Gilgal op naar Betel en sprak: Ik heb u weggevoerd uit Egypte en naar het land gebracht, dat Ik onder ede aan uw vaderen had beloofd, en Ik heb gezegd: Nooit zal Ik mijn Verbond met u verbreken,
    2wanneer gij geen verbond sluit met de bewoners van dit land, doch hun altaren omver haalt. Maar gij hebt niet naar Mij geluisterd. Hoe hebt ge zo kunnen doen!
    2En daarom heb Ik besloten: Ik zal hen niet voor u uitdrijven; zij zullen uw vijanden zijn en hun goden een valstrik voor u.
    2Toen de engel van Jahweh zo tot heel IsraŽl had gesproken, begon het volk luid te wenen;
    2daarom noemde men die plaats Bokim. En men bracht Jahweh daar een offer.
    2Nadat JosuŽ het volk had laten gaan, trokken de IsraŽlieten, elk naar zijn erfdeel, om het land in bezit te nemen.
    2En het volk diende Jahweh, zolang JosuŽ leefde, en de oudsten er nog waren, die JosuŽ overleefden, en die getuige waren geweest van al het grootse, dat Jahweh voor IsraŽl had gewrocht.
    2Maar JosuŽ, de zoon van Noen, de dienaar van Jahweh, stierf in de ouderdom van honderd tien jaren,
    2en men begroef hem op het grondgebied van zijn erfdeel te Timnat-Sťrach, in het bergland van EfraÔm ten noorden van de berg GŠasj.
    2En toen ook heel dat geslacht tot zijn vaderen was verzameld, stond er een ander geslacht op, dat Jahweh niet kende, noch wist wat Hij voor IsraŽl had gedaan.
    2Nu begonnen de IsraŽlieten kwaad te doen in de ogen van Jahweh, door de BŠals te dienen.
    2Ze verlieten Jahweh, den God hunner vaderen, die hen uit Egypte had geleid, en liepen vreemde goden na, de goden der hen omringende volken; hen vereerden ze, maar ze verbitterden Jahweh.
    2Ze verzaakten Jahweh, door den BŠal en de Asjtarten te dienen.
    2Toen barstte Jahweh's toorn los tegen IsraŽl; Hij gaf hen prijs aan plunderzieke benden, die hen uitschudden, en leverde hen over aan hun vijanden rondom, zodat ze niet langer tegen hun vijanden waren opgewassen.
    2Bij al wat ze ondernamen was de hand van Jahweh tegen hen ten verderve gericht, zoals Jahweh gezegd had, zoals Jahweh het hun had gezworen. Maar als ze dan erg verdrukt werden,
    2deed Jahweh Rechters opstaan, om ze uit de greep van die plunderaars te bevrijden.
    2Maar zelfs naar hun Rechters luisterden ze niet. Ontuchtig liepen ze vreemde goden achterna, om die te vereren; dadelijk weken ze af van de weg, door hun vaderen bewandeld, die naar Jahweh's voorschriften hadden geluisterd, wat zij niet deden.
    2Als Jahweh hun Rechters verwekt had, dan was Jahweh ook met den Rechter, en bevrijdde Hij hen van hun vijanden, zolang de Rechter leefde; want hun gejammer om hun verdrukkers en vervolgers ging Jahweh ter harte.
    2Maar nauwelijks was de Rechter gestorven, of ze maakten het nog erger dan hun vaders; ze liepen vreemde goden achterna, dienden en vereerden hen, en lieten niets achterwege, wat in hun handel en wandel verkeerd was geweest.
    2Toen ontstak Jahweh in toorn tegen IsraŽl, en sprak: Omdat dit volk het Verbond, waartoe Ik hun vaderen verplichtte, geschonden en naar Mij niet geluisterd heeft,
    2daarom zal ook Ik geen der volken, die JosuŽ bij zijn dood heeft overgelaten, meer voor hen verdrijven,
    2om zo door middel van hen de IsraŽlieten op de proef te stellen, of ze al dan niet ervoor zullen zorgen, Jahweh's wegen te bewandelen, zoals hun vaderen daarvoor hebben gezorgd.
    2Daarom liet Jahweh die volken met rust; Hij heeft ze niet aanstonds verdreven, noch ze in JosuŽ's hand geleverd.
    3Dit zijn de volken, die Jahweh met rust liet, om door hen de IsraŽlieten, die nog geen der oorlogen van Kanašn hadden leren kennen, op de proef te stellen,
    3en om aan de geslachten der IsraŽlieten de strijd te leren, voor zover ze die tevoren niet kenden.
    3Het waren de vijf vorsten der Filistijnen, al de Kanašnieten, de SidoniŽrs, en de Chittieten, die het Libanon-gebergte bewonen van de berg Hermon af tot bij Chamat.
    3Ze dienden dus, om IsraŽl te beproeven, ten einde te weten, of zij Jahweh's voorschriften, die Hij hun vaders door Moses gegeven had, zouden opvolgen.
    3Maar toen de IsraŽlieten midden tussen de Kanašnieten, Chittieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten woonden,
    3namen ze zich hun dochters tot vrouw, gaven hun eigen dochters aan hun zonen, en dienden hun goden.
    3Toen dus de IsraŽlieten kwaad deden in de ogen van Jahweh, den God hunner vaderen vergaten, en de BŠals en Asjera's vereerden,
    3werd Jahweh op IsraŽl vertoornd, en leverde Hij het in de macht van Koesjan-RisjatŠim, den koning van Edom; en de IsraŽlieten dienden Koesjan-RisjatŠim acht jaar lang.
    3Maar zodra de IsraŽlieten tot Jahweh riepen, deed Jahweh een redder opstaan om hen te bevrijden, namelijk OtniŽl, den zoon van Kenaz, den jongeren broer van Kaleb.
    3De geest van Jahweh rustte op hem, en hij was rechter over IsraŽl. En toen hij ten strijde trok, leverde Jahweh Koesjan-RisjatŠim, den koning van Edom, in zijn hand, zodat hij Koesjan-RisjatŠim overwon.
    3Gedurende veertig jaar genoot het land nu rust. Na de dood van OtniŽl
    3deden de IsraŽlieten opnieuw kwaad in de ogen van Jahweh. Daarom maakte Jahweh Eglon, den koning van Moab, sterk tegen IsraŽl, omdat ze kwaad hadden gedaan in de ogen van Jahweh.
    3Deze verenigde zich met de Ammonieten en Amalekieten, trok op, versloeg IsraŽl, en nam bezit van de Palmenstad.
    3En achttien jaar lang dienden de IsraŽlieten Eglon, den koning van Moab.
    3Maar toen de IsraŽlieten weer tot Jahweh riepen, verwekte Jahweh hun een redder, Ehoed, den zoon van Gera, een Benjamiet, die links was. Toen de IsraŽlieten hem eens de schatting naar Eglon, den koning van Moab, lieten brengen,
    3maakte Ehoed zich een tweesnijdend zwaard van ťťn span lengte, en gordde het onder zijn mantel aan zijn rechterheup.
    3Zo bracht hij de schatting naar Eglon, den koning van Moab. Deze Eglon was een buitengewoon zwaarlijvig man.
    3Na de schatting te hebben aangeboden, zond hij de mannen, die de schatting gedragen hadden, heen,
    3maar hij zelf keerde bij de afgodsbeelden in de buurt van Gilgal weer om, en zeide: Koning, ik moet u een geheim meedelen. De koning beval stilte, en liet allen, die bij hem waren, vertrekken.
    3Toen nu Ehoed bij hem kwam, zat hij alleen in de koele opperzaal. En Ehoed sprak: Ik heb een godsspraak voor u. Terwijl Eglon van zijn zetel opstond,
    3stak Ehoed zijn linkerhand uit, trok het zwaard van zijn rechterheup en stiet het hem in de buik,
    3zodat zelfs het heft er met het lemmet in drong, en het vet zich om het lemmet sloot; want hij trok het zwaard niet uit zijn buik.
    3Hij klom nu door het venster en ging langs de galerij heen, nadat hij de deur van de opperzaal achter zich gesloten en gegrendeld had.
    3Toen hij vertrokken was, kwamen de dienaren terug, maar zagen, dat de deur van de opperzaal gegrendeld was. Ze dachten: Hij doet zeker zijn behoefte in het gemak.
    3Ze bleven dus wachten, tot ze er verlegen mee werden. En toen hij de deur van de opperzaal maar niet opende, haalden ze de sleutel en deden open; en daar lag hun heer dood op de grond.
    3Maar door hun talmen was Ehoed ontkomen; hij ging de afgodsbeelden voorbij, en stelde zich te SeÔra in veiligheid.
    3Zodra hij in het land van IsraŽl was aangekomen, stak hij de bazuin in het bergland van EfraÔm, en de IsraŽlieten daalden met hem het gebergte af. Hij stelde zich aan hun spits,
    3en sprak hun toe: Volgt mij; want Jahweh heeft de Moabieten, uw vijanden, in uw hand geleverd. Ze volgden hem dan, sneden Moab de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan af, en lieten er niemand overtrekken.
    3In die tijd sloegen ze ongeveer tien duizend Moabieten neer, allemaal sterke en dappere mannen, en niemand ontkwam.
    3Zo werd Moab in die dagen door IsraŽl vernederd; en het land genoot rust voor tachtig jaar.
    3Na hem trad nog Sjamgar op, de zoon van Anat, die zes honderd Filistijnen versloeg met een ossendrijversstok; ook hij redde IsraŽl.
    4Toen Ehoed gestorven was, deden de IsraŽlieten opnieuw kwaad in de ogen van Jahweh.
    4Daarom gaf Jahweh ze prijs aan den kanašnietischen koning Jabin, die te Chasor regeerde. Sisera was zijn legeroverste, en woonde in Charůsjet-Haggojim.
    4Eindelijk riepen de IsraŽlieten tot Jahweh; want daar hij negenhonderd ijzeren strijdwagens bezat, had hij hen twintig jaar lang zwaar verdrukt.
    4In die tijd sprak Debora, een profetes, en vrouw van Lappidot, recht over IsraŽl.
    4Ze hield zitting onder de Deborapalm tussen Rama en Betel in het bergland van EfraÔm, en de IsraŽlieten gingen naar haar, als ze een rechtszaak hadden.
    4Deze nu liet Barak, den zoon van Abinůam, uit Kťdesj in Neftali ontbieden, en sprak tot hem: Jahweh, de God van IsraŽl, beveelt: Ruk met tien duizend man van de Neftalieten en Zabulonieten naar de berg Tabor op.
    4Ik zal Sisera, Jabins legeroverste, met zijn wagens en drommen bij de beek Kisjon tot u voeren, en in uw hand leveren.
    4Barak zeide tot haar: Ik zal gaan, als gij met me meegaat; zo ge mij niet vergezelt, ga ik niet.
    4Hierop antwoordde ze: Ik zal met u meegaan. Maar nu wacht u geen roem op uw weg; want aan een vrouw zal Jahweh Sisera overleveren. Toen stond Debora op, en ging met Barak naar Kťdesj.
    4Nu riep Barak Zabulon en Neftali op naar Kťdesj, en tien duizend man trokken achter hem aan. Ook Debora ging met hem mee.
    4Chťber, de Keniet, die zich had afgescheiden van KŠjin, een der nakomelingen van Chobab, Moses' schoonvader, had toen zijn tenten opgeslagen bij de eik van Sašnannim, in de buurt van Kťdesj.
    4Zodra men Sisera berichtte, dat Barak, de zoon van Abinůam, naar de berg Tabor was opgerukt,
    4riep hij heel zijn ruiterij, met de negenhonderd ijzeren wagens, en al zijn voetvolk uit Charůsjet-Haggojim bij de beek Kisjon samen.
    4Toen sprak Debora tot Barak: Trek op; want dit is de dag, waarop Jahweh Sisera in uw handen zal leveren; waarachtig, Jahweh gaat voor u uit! Terwijl Barak nu aan de spits van zijn tien duizend man van de berg Tabor afkwam,
    4bracht Jahweh Sisera met al zijn wagens en heel zijn leger voor de ogen van Barak in verwarring. Sisera sprong van zijn wagen en vluchtte te voet;
    4en Barak achtervolgde de ruiterij en heel het leger tot Charůsjet-Haggojim. Heel Sisera's strijdmacht viel door het zwaard, en niet ťťn bleef er over.
    4Sisera was intussen te voet naar de tent van JaŽl, de vrouw van den Keniet Chťber, gevlucht; want er heerste vrede tussen Jabin, den koning van Chasor, en het huis van Chťber, den Keniet.
    4JaŽl kwam naar buiten, Sisera tegemoet, en zeide tot hem: Kom binnen, heer; kom bij mij binnen, vrees niet. Hij ging bij haar de tent binnen, waar ze hem met een kleed bedekte.
    4Toen vroeg hij haar: Geef me een beetje water te drinken; want ik heb dorst. Ze maakte de melkzak los, gaf hem te drinken, en bedekte hem weer.
    4Nu zei hij tot haar: Ga bij de tentopening staan, en als er iemand aankomt en u vraagt, of hier iemand is, antwoord dan: Neen.
    4Maar JaŽl, Chťbers vrouw, greep een tentpin, nam de hamer in haar hand, liep zachtjes op hem toe, en sloeg, terwijl hij vast sliep, de pin door zijn slaap, zodat ze in de grond drong; hij zonk ineen, en stierf.
    4En zie, daar kwam Barak aan, die Sisera achtervolgde. JaŽl ging naar buiten, hem tegemoet, en zei hem: Ga mee, dan zal ik u den man laten zien, dien ge zoekt. Hij ging bij haar binnen; en daar lag Sisera dood, met de pin door zijn slaap.
    4Zo vernederde God die dag den kanašnietischen koning Jabin voor de IsraŽlieten.
    4En de hand van IsraŽl drukte steeds zwaarder op Jabin, den koning van Kanašn, totdat ze Jabin, den koning van Kanašn, geheel hadden overwonnen.
    5Toen zongen Debora en Barak, de zoon van Abinůam:
    5Toen men in IsraŽl de haren liet groeien, Jahweh's volk zich aanbood ten strijd,
    5Hoort koningen, Luistert vorsten: Ik wil zingen ter ere van Jahweh, Spelen voor Jahweh, IsraŽls God.
    5Jahweh, toen Gij uittoogt uit SeÔr, Wegtrokt van Edoms veld, Sidderde de aarde, en beefde de hemel, Sloegen de wolken in regen neer.
    5Schokten de bergen voor Jahweh, Voor Jahweh, IsraŽls God.
    5In de dagen van Sjamgar, den zoon van Anat, In de dagen van JaŽl, trokken geen karavanen uit; En die op reis gingen, Sloegen zijpaden in.
    5De leiders ontbraken, In IsraŽl was er niet ťťn: Tot gij opstondt, Debora, Tot gij opstondt, moeder in IsraŽl!
    5Omdat men zich nieuwe goden had gekozen, Was het brood uit de poorten verdwenen, Werd schild noch lans meer bespeurd Voor de veertig duizend in IsraŽl.
    5Mijn hart gaat uit naar IsraŽls leiders, Die zich met Jahweh's volk ten strijde hebben gewijd,
    5Die gevlekte ezelinnen berijden, Op tapijten gezeten. Die te voet gaat langs de weg, jubelt het uit,
    5Onder het juichen van die bij de drinkbakken staan, Waar men Jahweh's gerechte daden bezingt, Zijn rechtvaardige leiding in IsraŽl.
    5Op, Debora; op, met uw lied; Doe het volk oprijzen bij duizenden! Op, Barak, in uw kracht; Boei, die u boeiden, Abinůams zoon!
    5Daar daalt de rest der dapperen af, Jahweh's volk komt af met zijn helden:
    5Aanvoerders uit EfraÔm staan in de vlakte, Uw broeder Benjamin onder uw drommen. Uit Makir komen de leiders aan, Uit Zabulon die de bevelstaf zwaaien;
    5Issakars vorsten vergezellen Debora, Nu Barak zijn voetvolk de valleien injaagt. Maar aan Rubens beken Zijn de angsten des harten geweldig.
    5Waarom blijft ge tussen de omheiningen zitten, Luisterend naar het fluiten der herders?
    5Gilad dommelt aan de overkant van de Jordaan, Dan houdt zich bij zijn schepen op; Aser blijft zitten aan het strand van de zee, Ingesluimerd aan zijn baaien.
    5Maar Zabulon is een volk, dat zijn leven waagt, En de dood durft trotseren; Evenals Neftali, Dat op de hoogvlakten woont.
    5Daar kwamen de koningen, in slagorde geschaard, Daar streden de koningen van Kanašn Bij Tašnak, aan het water van Megiddo; Maar een buit van zilver behaalden ze niet.
    5Uit de hemel hebben de sterren de strijd aangebonden, Van haar banen uit gestreden, Tegen Sisera gevochten:
    5En de stromende Kisjon sleurde ze mee. De oeroude beek, de beek Kisjon Vertrapte de lijken der helden;
    5Daar stampten de hoeven der paarden Door het angstig gejaag zijner dapperen.
    5Vervloekt Meroz, sprak de engel van Jahweh, Vervloekt zijn bewoners; Omdat zij Jahweh niet te hulp zijn gesneld, Met hun dapperen Jahweh niet hielpen!
    5Maar gezegend zij JaŽl onder de vrouwen, Gezegend onder haar, die in tenten verblijven;
    5Water vraagt hij, ze geeft hem melk, In een vorstelijke schaal brengt ze hem room.
    5Met de ene hand grijpt ze de tentpin, Met haar rechter een timmermanshamer; Ze treft Sisera, verbrijzelt zijn hoofd, Vermorzelt en doorboort zijn slapen.
    5Aan haar voeten heeft hij zich uitgestrekt, Aan haar voeten is hij in slaap gevallen; Doch waar hij zich neerlegt, Ligt hij nu dood.
    5Aan het venster door de tralies Tuurt en weeklaagt Sisera's moeder: Waarom laat zijn strijdkar nog steeds op zich wachten; Waarom rollen zijn wagens zo langzaam aan?
    5De wijste harer edelvrouwen geeft haar ten antwoord, Wat ze reeds bij zichzelf had bedacht:
    5Ze hebben buit gevonden, die ze moeten verdelen; Eťn, twee slavinnen voor iederen held! Buit: bonte kleren voor Sisera; Buit: bonte kleurige doeken; Een, twee bonte doeken Als buit voor zijn hals.
    5Zo mogen omkomen Al uw vijanden, Jahweh! Maar die U liefhebben Mogen zijn als de opgang der zon in haar kracht! En het land genoot veertig jaar lang rust.
    6Toen de IsraŽlieten kwaad deden in de ogen van Jahweh, leverde Jahweh hen voor zeven jaar over in de hand der Midjanieten;
    6en de hand van Midjan drukte zwaar op IsraŽl neer. Om aan de Midjanieten te ontsnappen, maakten de IsraŽlieten zich holen en spelonken in de bergen en versterkte plaatsen.
    6Telkens als de IsraŽlieten gezaaid hadden, trokken de Midjanieten, Amalekieten en stammen uit het oosten tegen hen uit,
    6sloegen bij hen hun legerplaats op, en vernielden de oogst van het land tot Gaza toe; niets wat tot levensonderhoud strekt, lieten ze in IsraŽl achter: geen schaap, rund of ezel.
    6Wanneer ze kwamen opzetten met hun kudden, waren hun tenten talrijk als sprinkhanen, en zijzelf met hun kamelen ontelbaar. Ze vielen het land binnen om het te verwoesten,
    6zodat IsraŽl door Midjan zeer verarmde, en de IsraŽlieten tot Jahweh begonnen te roepen.
    6Toen de IsraŽlieten dan om Midjan Jahweh aanriepen,
    6zond Jahweh een profeet tot de IsraŽlieten, die hun zeide: Zo spreekt Jahweh, IsraŽls God! Ik ben het, die u uit Egypte heb geleid, en u uit het slavenhuis heb gevoerd.
    6Ik heb u verlost uit de hand der Egyptenaren en van allen, die u verdrukten; Ik heb hen voor u uitgedreven, en u hun land geschonken.
    6En Ik heb u gezegd: Ik ben Jahweh, uw God; ge moogt de goden der Amorieten, in wier land ge woont, niet vereren! Maar ge hebt naar Mij niet geluisterd.
    6Eens kwam de engel van Jahweh, en zette zich neer onder de terebint in Ofra, dat aan Joasj van Abiťzer toebehoorde. Zijn zoon Gedeon was juist bezig, tarwe te dorsen in de perskuip, om ze voor de Midjanieten te verbergen.
    6De engel van Jahweh vertoonde zich aan hem, en sprak hem toe: Jahweh is met u, dappere held!
    6Gedeon gaf ten antwoord: Och heer, als Jahweh met ons is, waarom overkomt ons dit alles? Waar zijn dan al zijn wonderdaden, waarvan onze vaderen ons verhaalden, als ze zeiden: ?Jahweh heeft ons uit Egypte gevoerd!? Want nu heeft Jahweh ons verworpen en in de hand der Midjanieten geleverd.
    6Toen keerde de engel van Jahweh zich naar hem toe, en sprak: Ga, want nu zijt ge sterk! Ge zult IsraŽl uit de hand van Midjan bevrijden; zie, Ik zend u.
    6Maar hij antwoordde: Och heer, hoe zal ik IsraŽl kunnen verlossen? Mijn geslacht is immers het geringste in Manasse, en ik ben de minste in het huis van mijn vader.
    6Maar de engel van Jahweh hernam: Waarachtig, Ik zal met u zijn; ge zult de Midjanieten als ťťn man verslaan.
    6Nu vroeg hij hem: Als ik genade heb gevonden in uw ogen, geef me dan een teken, dat Gij het zijt, die met me spreekt.
    6Ga niet weg van hier, vůůr ik bij U terug ben met de gave, die ik U wil aanbieden. Hij antwoordde: Ik blijf hier, tot ge terug zijt.
    6Gedeon ging heen, maakte een geitebokje klaar, en bakte van een maat meel ongedesemd brood. Het vlees legde hij op een schotel, en het nat deed hij in een aarden pot; dit bracht hij naar hem toe onder de terebint, en bood het hem aan.
    6Maar Gods engel zeide tot hem: Neem het vlees en het ongedesemde brood, leg het neer op die steen, en giet er het nat over uit. Toen hij dat gedaan had,
    6strekte de engel van Jahweh de punt van de staf uit, die hij in zijn hand hield, en raakte er het vlees en het ongedesemd brood mee aan. En er schoot een vuur uit de steen, dat het vlees en het ongedesemd brood verteerde. Toen verdween de engel van Jahweh.
    6Nu wist Gedeon, dat het de engel van Jahweh geweest was. En Gedeon zeide: Ach Jahweh, mijn Heer; daar heb ik, zo waar, den engel van Jahweh van aanschijn tot aanschijn gezien!
    6Maar Jahweh sprak: Vrede zij u! Wees niet bang; ge zult niet sterven.
    6Toen bouwde Gedeon een altaar voor Jahweh, en noemde het Jahweh-Sjalom. Tot op heden staat het er nog in Ofra van Abiťzer.
    6In diezelfde nacht sprak Jahweh tot hem: Neem het vette kalf van uw vader, haal het altaar van BŠal omver, en hak de asjera, die erbij staat, aan stukken.
    6Bouw dan op de top van deze versterkte plaats een altaar voor Jahweh, uw God, zoals het behoort; neem het vette kalf en offer het op het hout van de asjera, die ge hebt stuk geslagen.
    6Gedeon koos tien van zijn knechten uit, en deed zoals Jahweh hem gezegd had; maar hij was te bang voor zijn familie en de inwoners der stad, om het overdag te doen, en deed het daarom des nachts.
    6Toen de burgers der stad de volgende morgen opstonden, lag het altaar van BŠal omver, de asjera, die erbij stond, in stukken, en het vette kalf als offerande op het nieuw gebouwde altaar.
    6Ze zeiden elkaar: Wie zou dit hebben gedaan? En toen ze eens navroegen en onderzochten, zeide men: Gedeon, de zoon van Joasj, heeft het gedaan.
    6Nu zeiden de burgers der stad tot Joasj: Lever uw zoon uit; hij moet sterven! Want hij heeft het altaar van BŠal omver gehaald, en de asjera, die erbij stond, in stukken gehakt.
    6Maar Joasj zei tot allen, die hem omringden: Zijt gij het dan, die BŠal moet verdedigen; zijt gij het, die hem moet redden? Die hem durft verdedigen, zal vůůr de morgen sterven. Indien hij God is, zal hij zichzelf wel verdedigen, als men zijn altaar vernielt.
    6Die dag gaf hij hem de naam JeroebbŠal, wat betekent: ?laat BŠal maar tegen hem vechten?, omdat hij zijn altaar heeft vernield.
    6Alle Midjanieten, Amalekieten en stammen uit het oosten waren gezamenlijk de Jordaan overgetrokken en hadden hun legerplaats in de vlakte van JizreŽl opgeslagen.
    6Toen dan de geest van Jahweh Gedeon had aangegrepen, stak hij de bazuin; en Abiťzer schaarde zich achter hem.
    6Tevens zond hij boden door heel Manasse, en ook zij volgden hem. Eveneens zond hij boden naar Aser, Zabulon, en Neftali, die hem nu tegemoet trokken.
    6Nu sprak Gedeon tot God: Wanneer Gij, zoals Gij beloofd hebt, werkelijk IsraŽl door mij wilt bevrijden,
    6zie, dan leg ik een wollen vacht op de dorsvloer neer. Valt er nu dauw alleen op die vacht, terwijl de hele grond droog blijft, dan weet ik, dat Gij IsraŽl door mij zult bevrijden, zoals Gij beloofd hebt.
    6Zo geschiedde. En toen hij de volgende morgen opstond en de vacht uitwrong, kreeg hij er een wateremmer vol dauw uit.
    6Daarop sprak Gedeon tot God: Laat uw toorn niet tegen mij ontbranden, wanneer ik U voor een tweede keer vraag: Laat mij nog eens een proef nemen met de vacht; maar nu blijve de vacht alleen droog, en de hele grond worde bedauwd.
    6Zo deed God het in die nacht; de vacht alleen was droog, maar op heel de grond lag dauw.
    7Vroeg in de morgen brak JeroebbŠal of Gedeon op met al het volk, dat bij hem was, en legerde zich te En-Charod, terwijl het kamp van Midjan ten noorden lag in de vlakte, aan de voet van de heuvel van More.
    7Jahweh sprak tot Gedeon: Het volk, dat bij u is, is zo talrijk, dat Ik hýn Midjan niet wil overleveren. IsraŽl mocht zich eens tegen Mij willen beroemen en zeggen: Eigen macht heeft me bevrijd!
    7Kondig dus ten aanhoren van het volk af: Wie bevreesd en bang is, kere terug. En Gedeon schiftte hen, zodat er van het volk twee en twintig duizend terugkeerden, en er tien duizend overbleven.
    7Maar Jahweh sprak tot Gedeon: Nog is er te veel volk. Laat ze omlaag gaan naar het water, dan zal Ik ze daar voor u keuren. Van wie Ik u zeggen zal, dat hij met u mee mag, die ga met u mee; maar iedereen van wie Ik u zeg, dat hij niet mee mag, die ga niet mee.
    7Toen hij het volk dus naar het water had laten afdalen, sprak Jahweh tot Gedeon: Wie als honden met hun tong uit het water lekken, moet ge afzonderlijk houden; eveneens die op hun knieŽn hurken, om uit hun handen te drinken.
    7En het aantal van hen, die met hun tong het water oplekten, bedroeg drie honderd man, terwijl heel de rest van het volk op de knieŽn hurkte, om uit hun hand water te drinken.
    7Nu sprak Jahweh tot Gedeon: Door deze drie honderd man, die lekten, zal Ik u redden en u Midjan in handen leveren; al de anderen kunnen naar huis gaan.
    7Daarop nam Gedeon het volk de kruiken af, die ze bij zich droegen met de trompetten, en zond alle IsraŽlieten weg naar hun tent; alleen de drie honderd man hield hij bij zich. Terwijl dus het kamp van Midjan beneden hem lag in de vallei,
    7sprak Jahweh die nacht tot hem: Sta op, en ruk af op het kamp; want Ik zal het u overleveren.
    7En als ge soms bang zijt, er op af te rukken, ga dan eerst zelf met uw knecht Poera naar het kamp,
    7en luister naar wat ze vertellen; dan zult ge u sterker voelen, om af te rukken op het kamp. Hij ging dus met zijn knecht Poera naar de voorposten van de strijdmacht, die in het kamp was gelegerd.
    7De Midjanieten, de Amalekieten en al de stammen uit het oosten, die in de vlakte lagen, waren talrijk als sprinkhanen, terwijl hun kamelen ontelbaar waren als de zandkorrels aan het strand van de zee.
    7Toen Gedeon naderbij kwam, was juist een man begonnen, zijn kameraad een droom te vertellen. Hij zeide: Ik heb een droom gehad. Een rond gerstebrood rolde het kamp van Midjan in, raakte de tent, stootte ze omver, en deed ze ineenvallen; daar lag de tent.
    7Zijn kameraad antwoordde: Dat kan enkel het zwaard van Gedeon beduiden, den zoon van Joasj, den IsraŽliet! God heeft hem Midjan en heel het kamp overgeleverd.
    7Toen Gedeon het verhaal van de droom en de verklaring ervan had gehoord, wierp hij zich ter aarde neer. Daarna keerde hij terug naar het kamp van IsraŽl, en zei: Maakt u gereed; want Jahweh heeft u de legerplaats der Midjanieten overgeleverd.
    7Hij verdeelde de drie honderd man in drie troepen, en gaf allen trompetten in hun handen en lege kruiken, met fakkels er in.
    7En hij sprak hen toe: Doet, wat ge mij ziet doen! Wanneer ik aan de grens van het kamp ben gekomen, doet dan juist eender als ik.
    7Wanneer ik met mijn troep op de trompet ga blazen, dan moet ook gij allen het hele kamp rond op uw trompetten blazen, en roepen: Voor Jahweh en Gedeon!
    7Bij het begin der middelste nachtwake, juist toen men de wachten had uitgezet, ging Gedeon met de honderd man, die hem vergezelden, naar de grens van het kamp; daar bliezen ze op de trompetten en sloegen de kruiken, die ze in de hand hadden, stuk.
    7Nu bliezen ook de drie troepen op de trompetten, sloegen de kruiken stuk, grepen met hun linkerhand de fakkels, met de rechter de trompetten om te blazen, en schreeuwden: Voor Jahweh en Gedeon!
    7Ofschoon allen rond het kamp op hun plaats bleven staan, kwam heel de legerplaats in opschudding, en zocht men luid schreeuwend zijn heil in de vlucht.
    7De drie honderd mannen bleven maar op de trompetten blazen, doch Jahweh keerde in heel het kamp het zwaard van den een tegen den ander, zodat het leger naar Bet-Hassjitta vluchtte, in de richting van Sťred, tot aan de oever van Abel-Mechola tegenover Tabbat.
    7Nu verzamelden zich de IsraŽlieten uit Neftali, Aser en heel Manasse, en achtervolgden Midjan,
    7terwijl Gedeon boden zond door heel het bergland van EfraÔm met het bevel: Komt af, de Midjanieten tegemoet, en snijdt hun de wateren af van de Jordaan tot Bet-Bara toe. En heel EfraÔm liep te hoop, en bezette de wateren tot Bet-Bara toe.
    7Bovendien namen ze de twee aanvoerders der Midjanieten, Oreb en ZeŽb, gevangen; Oreb doodden ze op de rots Oreb, en ZeŽb in de wijnpers ZeŽb. Daarna zetten ze de achtervolging van Midjan voort, maar de hoofden van Oreb en ZeŽb brachten ze naar Gedeon aan de overzijde van de Jordaan.
    8Maar nu zeiden de EfraÔmieten tot hem: Wat is dat voor een manier van doen tegenover ons, dat ge ons niet hebt opgeroepen, toen ge Midjan gingt bestrijden? En ze voeren heftig tegen hem uit.
    8Doch hij zeide tot hen: Wat heb ik dan meer gedaan dan gij? Is EfraÔms nalezing niet meer waard dan Abiťzers oogst?
    8In uw handen heeft God Oreb en ZeŽb, de aanvoerders der Midjanieten, geleverd. Wat heb ik dan meer kunnen doen, dan gij hebt gedaan? Toen hij zo had gesproken, bedaarde hun verstoordheid op hem.
    8Vermoeid en hongerig kwam Gedeon met zijn drie honderd gezellen bij de Jordaan, en trok die over.
    8Hij zei toen tot de bewoners van Soekkot: Geef toch wat brood aan de mannen, die me volgen; want ze zijn uitgeput, en ik moet de midjanietische koningen Zťbach en Salmoenna nog achtervolgen.
    8Maar de overheden van Soekkot zeiden: Hebt ge soms Zťbach en Salmoenna al in uw macht, dat wij aan uw leger brood zouden geven?
    8Toen sprak Gedeon: Waarachtig, als Jahweh mij Zťbach en Salmoenna heeft overgeleverd, zal ik uw vlees komen dorsen met dorens uit de woestijn en met distels.
    8Vandaar trok hij verder naar PenoeŽl, en deed aan de burgers van PenoeŽl hetzelfde verzoek. Zij gaven hem hetzelfde antwoord als de bewoners van Soekkot.
    8Hij sprak dan ook tot de inwoners van PenoeŽl: Als ik in vrede terugkeer, haal ik deze toren omver.
    8Intussen waren Zťbach en Salmoenna met hun leger van ongeveer vijftien duizend man te Karkor gekomen. Het was alles wat er was overgebleven van het hele leger der stammen uit het oosten; honderdtwintig duizend man, die het zwaard hanteerden, waren gevallen.
    8Gedeon trok dus op in de richting der tentbewoners, ten oosten van Nůbach en Jogbeha, en versloeg het leger, dat zich in veiligheid waande.
    8Zťbach en Salmoenna namen de vlucht, maar hij zette ze na, nam de beide midjanietische koningen Zťbach en Salmoenna gevangen, en bracht heel het leger in verwarring.
    8Toen Gedeon, de zoon van Joasj, van de strijd terugkeerde langs de hoogte van Chťres,
    8nam hij een jongen, een van de inwoners van Soekkot, gevangen, die op zijn verzoek hem de overheden van Soekkot en zijn oudsten opschreef, zeven en zeventig man.
    8En bij de burgers van Soekkot gekomen, sprak hij: Hier zijn nu Zťbach en Salmoenna, om wie gij mij honend gezegd hebt: ?Hebt ge soms Zťbach en Salmoenna al in uw macht, dat wij uw uitgeputte mannen brood zouden geven??
    8En hij greep de oudsten der stad, nam dorens uit de woestijn en distels, en tuchtigde de inwoners van Soekkot er mee.
    8Ook de toren van PenoeŽl haalde hij omver, en doodde de burgers der stad.
    8Daarna vroeg hij aan Zťbach en Salmoenna: Wat waren dat voor mannen, die ge op de Tabor vermoord hebt? Ze zeiden: Ze leken op u; ze zagen er uit als koningszonen.
    8Hij riep uit: Dan waren het mijn broeders, de zonen van mijn moeder! Zowaar Jahweh leeft: hadt gij hen in het leven gelaten, dan had ik ook u niet gedood!
    8En hij zei tot Jťter, zijn eerstgeborene: Vooruit, sla ze dood! Maar de jongen durfde zijn zwaard niet trekken; hij was bang, omdat hij nog een jongen was.
    8Toen zeiden Zťbach en Salmoenna: Kom zelf ons neerslaan, want zoals de man, zo is ook zijn kracht. En Gedeon stond op, en doodde Zťbach en Salmoenna; de maantjes, die aan de nekken hunner kamelen hingen, nam hij voor zich.
    8Nu spraken de IsraŽlieten tot Gedeon: Heers over ons, gij zowel als uw zoon en uw kleinzoon; want gij hebt ons uit de hand van Midjan bevrijd.
    8Maar Gedeon gaf hun ten antwoord: Niet ik zal over u heersen, en mijn zoon evenmin, doch Jahweh zal over u heersen!
    8Maar Gedeon ging voort: Toch wilde ik u iets vragen. Laat ieder van u uit zijn buit mij een ring geven. Want omdat het IsmaŽlieten waren, hadden ze gouden ringen gedragen.
    8Ze antwoordden: Die geven we u graag. Zij spreidden een mantel uit, en ieder wierp er een ring uit zijn buit op.
    8Het gewicht der ringen, waarom hij gevraagd had, bedroeg zeventien honderd sikkels in goud, behalve de maantjes, oorbellen en purperen gewaden, die de koningen van Midjan hadden gedragen, met de ketens aan de nekken hunner kamelen.
    8Hiervan liet Gedeon een efod maken, die hij in zijn stad Ofra plaatste. Daar pleegde heel IsraŽl er ontucht mee, en zij werd ook een valstrik voor Gedeon en zijn huis.
    8Zo werd Midjan voor de IsraŽlieten vernederd, en stak het hoofd niet meer op. En het land genoot gedurende veertig jaar rust, al de tijd, dat Gedeon nog leefde.
    8Toen JeroebbŠal, de zoon van Joasj, naar huis was gegaan, bleef hij daar wonen.
    8Gedeon had zeventig zonen, uit zijn lenden ontsproten; want hij had vele vrouwen.
    8Bovendien baarde ook zijn bijzit, die hij te Sikem had, hem een zoon, dien hij Abimťlek noemde.
    8Gedeon, de zoon van Joasj, stierf in hoge ouderdom, en werd begraven in het graf van zijn vader Joasj, in Ofra van Abiťzer.
    8Toen Gedeon gestorven was, begonnen de IsraŽlieten weer ontuchtig achter de BŠals te lopen, en kozen zich BŠal-Berit tot God.
    8De IsraŽlieten dachten niet meer aan Jahweh, hun God, die hen verlost had van al hun vijanden, die hen omringden;
    8evenmin waren ze het huis van JeroebbŠal of Gedeon erkentelijk voor al het goede, dat hij voor IsraŽl had gedaan.
    9Nu begaf Abimťlek, de zoon van JeroebbŠal, zich naar Sikem, naar de verwanten van zijn moeder, en sprak tot hen en tot heel het geslacht van zijn familie van moederskant:
    9Dit moet ge al de burgers van Sikem eens duidelijk zeggen: ?Wat is beter voor u, dat al de zeventig zonen van JeroebbŠal over u heersen, of dat ťťn man u regeert? En denkt daarbij, dat ik van uw gebeente en vlees ben.?
    9In die geest spraken dus zijn verwanten van moederskant openlijk tot de burgers van Sikem, die wat voor Abimťlek begonnen te voelen. Want ze dachten: Hij is onze broeder.
    9Ze gaven hem uit de tempel van BŠal-Berit zeventig zilveren sikkels, waarvoor Abimťlek enige leeglopers en vlegels huurde, die hem volgden.
    9Toen trok hij op naar het huis van zijn vader te Ofra, en vermoordde op ťťn steen al zijn zeventig broers, JeroebbŠals zonen. Jotam alleen, de jongste zoon van JeroebbŠal, bleef over, daar hij zich verborgen had.
    9Nu kwamen alle burgers van Sikem en heel Bet-Millo bijeen, en riepen Abimťlek tot koning uit bij de eik van de gedenksteen, die te Sikem was.
    9Toen men dit aan Jotam had bericht, ging hij op de top van de berg Gerizzim staan, en riep met luider stem: Luistert naar mij, burgers van Sikem, opdat God luistere naar u!
    9Eens gingen de bomen op weg, om zich een koning te zalven. En ze zeiden tot de olijf: Wees koning over ons!
    9Maar de olijf antwoordde: Zou ik ophouden, mijn olie te geven, die God en mens in mij waarderen, en boven de bomen gaan zweven?
    9Toen zeiden de bomen tot de vijg: Kom, wees gij dan koning over ons!
    9Maar de vijgeboom antwoordde: Zou ik dan ophouden, mijn zoetigheden en heerlijke vrucht te geven, en boven de bomen gaan zweven?
    9Daarop zeiden de bomen tot de wijnstok: Kom, wees gij koning over ons!
    9Maar de wijnstok antwoordde: Zou ik dan ophouden, mijn most te geven, die God en mensen verblijdt, en boven de bomen gaan zweven?
    9Nu zeiden alle bomen tot de doornstruik: Welnu dan, wees gij koning over ons!
    9En de doornstruik gaf aan de bomen ten antwoord: Zo ge mij werkelijk over u tot koning wilt zalven, dan moogt ge onder mijn schaduw vluchten; zo niet, dan zal er een vuur van de doornstruik uitgaan, om de ceders van de Libanon te verteren.
    9Nu dan: hebt ge soms eerlijk en billijk gehandeld, door Abimťlek tot koning te verheffen; hebt ge goed gehandeld ten opzichte van JeroebbŠal en zijn huis; hebt ge hem vergolden naar zijn werken?
    9Mijn vader heeft voor u gestreden, zijn leven voor u veil gehad, en u uit de hand van Midjan verlost;
    9maar gij zijt heden opgestaan tegen het huis van mijn vader, hebt zijn zeventig zonen op ťťn steen gedood, en Abimťlek, den zoon zijner slavin, tot koning over de burgers van Sikem aangesteld, enkel omdat hij uw broeder is!
    9Zo ge heden eerlijk en billijk gehandeld hebt met JeroebbŠal en zijn huis, dan moogt ge u in Abimťlek verheugen, en hij mag zich verheugen in u.
    9Zo niet, dan moge er een vuur van Abimťlek uitgaan, om Sikems burgers en Bet-Millo te verteren, en een vuur van Sikems burgers en Bet-Millo uitgaan, om Abimťlek te verslinden.
    9Daarop maakte Jotam zich uit de voeten, en vluchtte weg naar BeŽr, waar hij buiten het bereik van zijn broer Abimťlek bleef wonen.
    9Nadat Abimťlek drie jaar zijn macht over IsraŽl had uitgeoefend,
    9zond God een geest van tweedracht tussen Abimťlek en de burgers van Sikem, en de burgers van Sikem werden Abimťlek ontrouw,
    9opdat de gewelddaad tegen de zeventig zonen van JeroebbŠal en hun bloed zou neerkomen op Abimťlek, hun broer, die hen vermoord had, en op de burgers van Sikem, die hem hadden geholpen, zijn broers te vermoorden.
    9De burgers van Sikem legden hem hinderlagen op de toppen der bergen, en beroofden een ieder, die op weg hen voorbijging. Dit werd Abimťlek meegedeeld.
    9Toen dan ook GŠal, de zoon van …bed, met zijn broers naar Sikem was overgelopen, stelden de burgers van Sikem hun vertrouwen op hem.
    9Eens gingen ze naar buiten het veld in, om de druiven te oogsten en te persen, en feest te vieren; daarna gingen ze de tempel van hun god binnen, aten en dronken, en vervloekten Abimťlek.
    9En GŠal, de zoon van …bed, sprak: Wie is Abimťlek, en wat is Sikem daarentegen, dat wij hem zouden dienen? Heeft de zoon van JeroebbŠal met zijn bevelhebber Zeboel zelf niet de mannen van Hemor, Sikems vader, gediend? Wat zouden wij hem dan dienstbaar zijn?
    9Gaf men mij maar eens de macht over dit volk, dan zou ik Abimťlek wel doen verdwijnen. Ik zou Abimťlek zeggen: Breng een groot leger op de been, en kom maar eens op.
    9Toen Zeboel, de bevelhebber der stad, vernam, wat GŠal, de zoon van …bed, gezegd had, ontstak hij in woede.
    9Hij zond boden naar Abimťlek in Aroema met de boodschap: GŠal, de zoon van …bed, en zijn broers zijn naar Sikem overgelopen, en hitsen de stad tegen u op.
    9Breek dus vannacht nog op met de mannen, die bij u zijn, en leg u in hinderlaag in het veld;
    9dan kunt ge morgenvroeg bij zonsopgang een aanval doen op de stad. En wanneer hij dan met zijn volk tegen u uittrekt, kunt ge met hem naar omstandigheden handelen.
    9Abimťlek brak dus op in de nacht met al het volk, dat hem volgde, en ze legden zich in vier groepen in hinderlaag tegenover Sikem.
    9GŠal, de zoon van …bed, was juist naar buiten gekomen, en stond bij de ingang der stadspoort, toen Abimťlek en de mannen, die hem vergezelden, uit de hinderlaag te voorschijn kwamen.
    9GŠal, de zoon van …bed, bemerkte dat volk, en zei tot Zeboel: Kijk, daar daalt volk van de bergtoppen af. Maar Zeboel zeide hem: Ge ziet de schaduw der bergen voor mannen aan.
    9Maar GŠal hernam: Zie, daar komt volk van de navel van het land naar beneden, en nog een andere troep van de kant van de Wichelaarseik.
    9Nu sprak Zeboel tot hem: Waar is nu uw grote mond, waarmee ge gepocht hebt: Wie is Abimťlek, dat wij hem zouden dienen? Daar is nu het volk, dat gij veracht hebt. Trek nu maar op, en bestrijd het.
    9Zo trok GŠal aan de spits van Sikems burgers uit, en streed tegen Abimťlek.
    9Maar Abimťlek joeg hem op de vlucht; hij ontkwam, doch er vielen veel doden tot bij de ingang der poort.
    9Daarop keerde Abimťlek naar Aroema terug, terwijl Zeboel GŠal en zijn broers uit Sikem verdreef, zodat ze er niet konden blijven.
    9De volgende morgen ging het volk het veld in, en dit werd Abimťlek meegedeeld.
    9Deze nam zijn mannen, splitste ze in drie groepen, en legde zich in hinderlaag op het veld; en toen hij het volk uit de stad zag komen, overviel hij hen en sloeg ze neer.
    9Abimťlek zelf deed met de troep, die hem volgde, een aanval, en hield stand bij de ingang der stadspoort, terwijl de beide andere groepen zich richtten tegen allen, die in het veld waren, en ze in de pan hakten.
    9Heel die dag door bleef Abimťlek de stad bestormen, totdat hij de stad had veroverd. Hij doodde het volk, dat er in was, verwoestte de stad, en bestrooide haar met zout.
    9Op het bericht hiervan gingen de burgers van de Toren van Sikem naar de grote zaal van de tempel van El-Berit.
    9Toen men nu Abimťlek meedeelde, dat al de burgers van de Toren van Sikem bijeen waren,
    9ging Abimťlek met al zijn mannen de berg Salmon op, greep een bijl, hakte een boomtak af, tilde hem op zijn schouders, en sprak tot zijn metgezellen: Doet vlug, wat ge mij ziet doen!
    9Allen hakten eveneens takken af, volgden Abimťlek, stapelden ze op tegen de grote zaal, en staken daarmee de zaal in brand. Zo vonden ook alle bewoners van de Toren van Sikem, ongeveer duizend mannen en vrouwen, de dood.
    9Vervolgens trok Abimťlek naar Tebes, dat hij belegerde en innam.
    9Daar stond in het midden der stad een versterkte toren, waarheen alle burgers der stad, zowel mannen als vrouwen, de wijk namen, er zich in opsloten, en het dak van de toren beklommen.
    9Abimťlek drong door tot de toren en belegerde hem. Reeds was hij tot de toegang van de toren genaderd, om hem in brand te steken,
    9toen een vrouw een molensteen op Abimťleks hoofd gooide, die hem de schedel verbrijzelde.
    9Snel riep hij zijn schildknaap, en zei hem: Trek uw zwaard en steek me dood, opdat men niet zal kunnen zeggen: een vrouw heeft hem gedood. En zijn schildknaap stak hem dood.
    9Toen de IsraŽlieten nu zagen, dat Abimťlek gestorven was, gingen ze allen naar huis.
    9Zo vergold God het kwaad, dat Abimťlek zijn vader had aangedaan, door zijn zeventig broeders te doden,
    9en liet God ook al het kwaad der inwoners van Sikem op hun eigen hoofd neerkomen. Zo werd de vervloeking van Jotam, den zoon van JeroebbŠal, aan hen vervuld.
    10Na Abimťlek stond Tola op, de zoon van Poea, den zoon van Dodo, een man uit Issakar, om IsraŽl te redden. Hij verbleef te Sjamir in het bergland van EfraÔm,
    10en was drie en twintig jaar lang rechter over IsraŽl. Toen stierf hij, en werd te Sjamir begraven.
    10Na hem stond JaÔr uit Gilad op, die twee en twintig jaar rechter over IsraŽl was.
    10Hij had dertig zonen, die op dertig jonge ezels reden en dertig steden bezaten, die men nu nog JaÔr-kampementen noemt, en in het land van Gilad liggen.
    10JaÔr stierf, en werd begraven in Kamon.
    10Weer deden de IsraŽlieten kwaad in de ogen van Jahweh: ze dienden de BŠals en Asjtarten, de goden van Aram, Sidon en Moab, de goden der Ammonieten en Filistijnen, maar verzaakten Jahweh, en dienden Hem niet.
    10Daarom ontbrandde Jahweh's toorn tegen IsraŽl, en leverde Hij hen over in de handen der Filistijnen en Ammonieten.
    10Achttien jaar lang benauwden en verdrukten zij de IsraŽlieten, al die IsraŽlieten namelijk, die aan de overzijde van de Jordaan woonden, in het land der Amorieten, dat in Gilad ligt.
    10Zelfs trokken de Ammonieten de Jordaan over, om ook Juda, Benjamin en het huis van EfraÔm te bestrijden, zodat IsraŽl in grote nood verkeerde.
    10Nu begonnen de IsraŽlieten tot Jahweh te roepen: We hebben gezondigd tegen U; onzen God hebben we verlaten, en de BŠals gediend.
    10Maar Jahweh sprak tot de IsraŽlieten: Heb Ik u niet uit Egypte bevrijd, uit de handen der Amorieten, Ammonieten, Filistijnen,
    10SidoniŽrs, Amalekieten en Midjanieten, toen zij u verdrukten, en gij tot Mij riept?
    10En toch hebt ge Mij verlaten, en vreemde goden gediend; daarom zal Ik u nu niet meer redden.
    10Gaat de goden maar aanroepen, die ge u gekozen hebt; laat diŤ u maar redden, als gij verdrukt wordt.
    10Doch de IsraŽlieten zeiden tot Jahweh: We hebben gezondigd; doe met ons als U goeddunkt, zo Gij ons thans maar verlost.
    10En ze deden de vreemde goden uit hun midden weg en dienden Jahweh, die nu niet langer IsraŽls ellende verdragen kon.
    10Eens toen de Ammonieten zich hadden verenigd en hun kamp opsloegen in Gilad, terwijl ook de IsraŽlieten zich verenigden en te Mispa legerden,
    10zei het volk onder elkander: Wie is de man, die met de Ammonieten de strijd zal aanbinden? Hij zal aan het hoofd van alle inwoners van Gilad komen staan.
    11Nu was Jefte van Gilad zeker een dapper man; maar hij was de zoon van een ongehuwde vrouw, bij wie Gilad Jefte had verwekt.
    11Ook de vrouw van Gilad had hem zonen gebaard, en toen haar zonen groot waren geworden, hadden zij Jefte verjaagd. Ze hadden gezegd: Gij zult niet erven in het huis van onzen vader; want gij zijt de zoon van een andere vrouw.
    11Daarom was Jefte voor zijn broers gevlucht, en had hij zich in het land Tob gevestigd. Lieden, die niets te verliezen hadden, hadden zich bij Jefte gevoegd, en trokken er met hem op uit.
    11Toen nu enige tijd later de Ammonieten IsraŽl de oorlog aandeden,
    11en de Ammonieten reeds met de IsraŽlieten streden, gingen de oudsten van Gilad Jefte halen uit het land Tob.
    11Ze zeiden tot Jefte: Kom, en wees onze aanvoerder in onze strijd met de Ammonieten.
    11Maar Jefte zei tot de oudsten van Gilad: Zijt gij het soms niet, die me hatelijk hebt weggejaagd uit het huis van mijn vader? Waarom komt ge dan nķ naar mij toe, nu ge in nood verkeert?
    11De oudsten van Gilad gaven Jefte ten antwoord: Laat dat nu maar; we keren nu immers tot u terug. Ge moet met ons mee gaan, om tegen de Ammonieten te strijden; dan zult ge aan het hoofd van alle bewoners van Gilad komen staan.
    11Toen zei Jefte tot de oudsten van Gilad: Wanneer ge mij terug wilt hebben om de Ammonieten te bestrijden, en Jahweh ze voor mij op de vlucht slaat, zal ik dan werkelijk aan uw hoofd komen staan?
    11De oudsten van Gilad verzekerden het Jefte: Jahweh zal tussen ons richten, zo we niet volgens uw woord zullen handelen.
    11Nu ging Jefte met de oudsten van Gilad mee, en het volk stelde hem tot hun hoofd en aanvoerder aan. Het was voor het aanschijn van Jahweh te Mispa, dat Jefte al deze woorden sprak.
    11Nu zond Jefte boden naar den koning der Ammonieten met de vraag: Wat hebben we toch met elkander, dat gij mij in mijn land komt bestrijden?
    11De koning der Ammonieten antwoordde aan de boden van Jefte: Wel, toen IsraŽl optrok uit Egypte, heeft het bezit genomen van mijn land, van de Arnon af tot de Jabbok en de Jordaan; geef het mij dus maar vreedzaam terug.
    11Opnieuw zond Jefte boden tot den koning der Ammonieten,
    11en liet hem zeggen: Zo spreekt Jefte! IsraŽl heeft noch het land van Moab, noch dat van Ammon zich toegeŽigend.
    11Want bij zijn uittocht uit Egypte trok IsraŽl de woestijn door tot aan de Rode Zee. En te Kadesj gekomen,
    11zond IsraŽl boden naar den koning van Edom met het verzoek: ?Ik zou graag door uw land trekken?. Maar de koning van Edom gaf geen toestemming. Insgelijks zond het boden naar den koning van Moab; maar ook deze wilde niet. En zo bleef IsraŽl te Kadesj.
    11Daarna ging het de woestijn door, en trok om het land van Edom en het land van Moab heen. Ten oosten van het land van Moab gekomen, legerden ze zich aan de overzijde van de Arnon, en kwamen dus het gebied van Moab niet binnen, daar de Arnon de grens van Moab was.
    11Vervolgens zond IsraŽl boden naar Sichon, den Amorieten-koning, die in Chesjbon regeerde, en IsraŽl zeide hem: ?Ik zou graag door uw land naar de plaats van mijn bestemming gaan?.
    11Ook Sichon wilde IsraŽl niet door zijn gebied laten trekken, doch Sichon verzamelde al zijn volk, dat zich te JŠhas legerde, en bond de strijd met IsraŽl aan.
    11Maar Jahweh, de God van IsraŽl, leverde Sichon en heel zijn volk in de hand van de IsraŽlieten, die hen versloegen; en IsraŽl nam bezit van heel het land der Amorieten, die deze streek bewoonden.
    11Zij bezetten dus het gehele land der Amorieten, van de Arnon tot de Jabbok en van de woestijn tot de Jordaan.
    11En nu Jahweh, IsraŽls God, de Amorieten voor zijn volk IsraŽl heeft uitgedreven, zoudt gij ons nu willen verjagen?
    11Bezit gij zelf niet wat Kemosj, uw God, heeft veroverd; en zouden wij dan niet heel het land mogen bezitten, waarvan Jahweh, onze God, de bewoners voor ons heeft uitgedreven?
    11Zijt gij soms meer dan Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab? Heeft hij soms met IsraŽl twist gezocht, heeft hij hen bestreden?
    11Wanneer IsraŽl nu al drie honderd jaar te Chesjbon en AroŽr en beider onderhorige plaatsen en in alle steden langs de Arnon heeft gewoond, waarom hebt ge die dan al die tijd niet bevrijd?
    11Ik heb dus tegenover u niets misdaan; maar gij doet mij onrecht aan, door tegen mij te strijden. Moge Jahweh, de Rechter, heden oordelen tussen de zonen van IsraŽl en Ammon!
    11Maar de koning der Ammonieten wilde niet luisteren naar wat Jefte hem had doen zeggen.
    11Nu werd over Jefte de geest van Jahweh vaardig. Hij doorkruiste Gilad en Manasse, trok naar Mispa in Gilad, en rukte vandaar tegen de Ammonieten op.
    11En Jefte legde deze gelofte voor Jahweh af: Zo Gij de Ammonieten in mijn hand levert,
    11zal de eerste, die mij uit de deur van mijn huis tegemoet komt, wanneer ik in vrede van de Ammonieten terugkeer, aan Jahweh toebehoren; als brandoffer draag ik hem op.
    11Toen Jefte dan tegen de Ammonieten optrok, om ze te bestrijden, gaf Jahweh ze in zijn hand.
    11Hij versloeg ze van AroŽr tot Minnit, en moordde twintig steden uit, tot Abel-Keramin toe; het was een geweldige overwinning. Zo werden de Ammonieten voor de IsraŽlieten vernederd.
    11Toen Jefte daarop te Mispa thuiskwam, trad zijn dochter naar buiten, om met tamboerijnen en reidansen hem tegemoet te gaan. Zij was zijn enig kind; buiten haar had hij zoon noch dochter.
    11Zodra hij haar zag, scheurde hij zijn kleren, en riep uit: Ach mijn dochter, ge geeft me de slag; gij stort me in het ongeluk! Ik heb mijn mond voor Jahweh geopend, en kan niet meer terug.
    11Ze zeide tot hem: Vader, zo ge uw mond hebt geopend voor Jahweh, handel dan met mij volgens uw gelofte, nu Jahweh u wraak heeft doen nemen over de Ammonieten, uw vijanden.
    11Toch zeide ze nog tot haar vader: Sta me dit slechts toe; laat me twee maanden vrij, om rond te dwalen op de bergen, en met mijn vriendinnen mijn maagdelijkheid te bewenen.
    11Hij antwoordde: Ga maar! En hij liet haar twee maanden vrij. Ze ging heen met haar vriendinnen, en beweende haar maagdelijkheid in het gebergte.
    11En toen zij aan het einde der twee maanden naar haar vader terugkeerde, voltrok hij aan haar de gelofte, die hij had afgelegd. Ze heeft dus geen man gehad. En het werd een gewoonte in IsraŽl,
    11dat de israŽlietische meisjes jaarlijks gedurende vier dagen de dochter van Jefte, den Giladiet, gingen bewenen.
    12Nu verzamelden zich ook de EfraÔmieten, en trokken over naar Safon. Ze zeiden tot Jefte: Waarom zijt ge uitgerukt, om de Ammonieten te bestrijden, zonder ons op te roepen, om met u mee te gaan? We zullen uw huis boven uw hoofd in brand steken.
    12Jefte antwoordde hun: Toen ik en mijn volk in oorlog waren en de Ammonieten mij zwaar verdrukten, heb ik een beroep op u gedaan, maar ge hebt me niet uit hun handen verlost.
    12Daar ik dus zag, dat gij toch niet zoudt helpen, heb ik al mijn moed bijeengeraapt en ben tegen de Ammonieten uitgetrokken. En Jahweh leverde ze in mijn hand. Wat trekt ge dan nu tegen mij op, om mij te bestrijden!
    12Nu bracht Jefte alle mannen van Gilad bijeen, en bond de strijd aan met de EfraÔmieten. En Gilads mannen versloegen EfraÔm.
    12Gilad sneed EfraÔm de wedden van de Jordaan af, en wanneer de efraÔmietische vluchtelingen wilden oversteken, vroegen de mannen van Gilad: Zijt ge een EfraÔmiet? Antwoordde hij: Neen!
    12dan zeiden ze hem: Zeg dan eens: ?sjibbůlet?. En wanneer hij dan ?sibbůlet? zei, omdat hij het niet goed kon uitspreken, grepen ze hem, en maakten hem af bij de wedden van de Jordaan. Want ze zeiden: Dan zijt ge vluchtelingen van EfraÔm! Gilad ligt tussen EfraÔm en Manasse. Zo vielen er toen van EfraÔm twee en veertig duizend man.
    12Gedurende zes jaren was Jefte rechter over IsraŽl. Toen stierf Jefte de Giladiet, en werd te Safon in Gilad begraven.
    12Na hem was Ibsan uit Betlehem rechter over IsraŽl.
    12Hij had dertig zonen; zijn dertig dochters huwde hij uit naar den vreemde; en voor zijn zonen bracht hij dertig meisjes van buiten in zijn huis. Gedurende zeven jaren was hij rechter over IsraŽl.
    12Toen stierf Ibsan, en werd te Betlehem begraven.
    12Na hem trad Elon uit Zabulon als rechter over IsraŽl op. Gedurende tien jaar was hij rechter over IsraŽl.
    12Toen stierf Elon uit Zabulon, en werd te Elon in het land van Zabulon begraven.
    12Na hem was Abdon, de zoon van Hillel, uit Piraton rechter over IsraŽl.
    12Hij had veertig zonen en dertig kleinzoons, die op zeventig jonge ezels reden. Gedurende acht jaar was hij rechter over IsraŽl.
    12Toen stierf Abdon, de zoon van Hillel, uit Piraton, en werd in Piraton in het land van EfraÔm op de Amalekieten-berg begraven.
    13Toen de IsraŽlieten kwaad bleven doen in de ogen van Jahweh, leverde Jahweh hen voor veertig jaar over in de handen der Filistijnen.
    13Er leefde toen een man uit Sora van het geslacht Dan, Manůach genaamd, wiens vrouw onvruchtbaar was en geen kinderen had gebaard.
    13Aan die vrouw verscheen eens de engel van Jahweh, en sprak tot haar: Zie eens, ge zijt onvruchtbaar en hebt geen kind; maar ge zult zwanger worden en een zoon baren.
    13Maar dan moet ge ook zorgen, geen wijn of sterke drank te drinken, of iets onreins te eten.
    13Want ge zult moeder worden en een zoon baren, aan wiens hoofd geen scheermes mag raken, omdat de jongen van de moederschoot af een Godgewijde zal zijn. Hij is het, die een begin zal maken met IsraŽls bevrijding uit de hand der Filistijnen.
    13De vrouw ging dit aan haar man vertellen: Er is een Godsman bij me geweest. Hij zag er uit als de engel van God vol heerlijkheid; maar ik heb hem niet durven vragen, waar hij vandaan kwam, en hij heeft mij ook zijn naam niet genoemd.
    13Hij zei me: ?Ge zult moeder worden en een zoon baren. Maar ge moogt geen wijn of sterke drank drinken, en niets onreins eten; want van de moederschoot af tot de dag van zijn dood zal die jongen een Godgewijde zijn.?
    13Toen bad Manůach tot Jahweh: Ach Heer, laat de Godsman, dien Gij gezonden hebt, nog eens tot ons komen, om ons te leren, wat we voor den jongen, die geboren zal worden, moeten doen.
    13En God verhoorde Manůach. De engel van God kwam nog eens bij de vrouw, toen ze zich op het veld bevond. Daar Manůach, haar man, niet bij haar was,
    13liep de vrouw haastig weg, om het haar man te vertellen. Ze zei hem: De man, die laatst bij me geweest is, is mij verschenen.
    13Manůach stond op, en ging mee met zijn vrouw. Bij den man gekomen, vroeg hij hem: Zijt gij degene, die met mijn vrouw hebt gesproken? Hij antwoordde: Ja.
    13Manůach hernam: Wanneer uw woord vervuld wordt, wat moet er dan met den jongen gebeuren, en wat moet hij doen?
    13De engel van Jahweh gaf Manůach ten antwoord: Uw vrouw moet zich van alles onthouden, wat ik haar heb opgenoemd;
    13ze mag niets eten van wat er van de wijnstok komt, geen wijn of sterke drank drinken, of iets onreins gebruiken. Al wat ik haar bevolen heb, moet ze onderhouden.
    13Nu zei Manůach tot den engel van Jahweh: We zouden u graag nog wat hier houden, om een geitebokje voor u te bereiden.
    13Maar de engel van Jahweh sprak tot Manůach: Ook al hieldt ge mij hier, toch zou ik van uw spijs niet eten. Maar als ge soms een offer wilt brengen aan Jahweh, dan moogt ge dat doen. Manůach begreep immers maar niet, dat het de engel van Jahweh was.
    13Daarop vroeg Manůach aan den engel van Jahweh: Hoe is uw naam? Want als uw woord in vervulling gegaan is, willen we u toch eren.
    13Doch de engel van Jahweh antwoordde: Wat vraagt ge naar mijn naam? Die is onbegrijpelijk.
    13Manůach nam nu het geitebokje met het meeloffer, en bracht het op de rots ten offer aan Jahweh, die wonderbare dingen doet; en Manůach en zijn vrouw zagen toe.
    13En terwijl de vlam van het altaar af omhoog ging ten hemel, steeg ook de engel van Jahweh met de altaarvlam omhoog. Manůach en zijn vrouw zagen het, en vielen plat ter aarde neer.
    13Toen de engel van Jahweh zich niet langer aan Manůach en diens vrouw vertoonde, begreep Manůach, dat het de engel van Jahweh geweest was.
    13En Manůach zei tot zijn vrouw: We zullen zeker sterven, want we hebben God gezien.
    13Maar zijn vrouw zeide tot hem: Als Jahweh ons had willen doden, zou Hij uit onze hand geen brand- en spijsoffer hebben aangenomen; dan had Hij ons dat alles niet laten zien, noch zo iets aangekondigd.
    13En de vrouw baarde een zoon, en noemde hem Samson. De jongen groeide op onder de zegen van Jahweh.
    13En de geest van Jahweh begon over hem vaardig te worden in Machane van Dan, dat tussen Sora en Esjtaol ligt.
    14Toen Samson eens naar Timna afdaalde. zag hij daar een filistijns meisje.
    14Bij zijn terugkomst vertelde hij aan zijn vader en moeder: Te Timna heb ik een filistijns meisje gezien, dat ge voor mij tot vrouw moest nemen.
    14Doch zijn vader en moeder zeiden hem: Is er dan onder de dochters van uw verwanten en in heel uw volk geen vrouw te vinden, dat ge er een uit die onbesneden Filistijnen wilt nemen? Maar Samson antwoordde zijn vader: Toch moet ge haar voor mij nemen, want zij behaagt me.
    14Zijn vader en moeder nu wisten niet, dat dit door Jahweh zo was beschikt, en dat Samson een aanleiding zocht, om met de Filistijnen, die in die tijd IsraŽl overheersten, in twist te geraken.
    14Samson ging dus met zijn vader en moeder naar Timna. Vlak bij de wijnbergen van Timna sprong een jonge leeuw brullend op hem af.
    14De geest van Jahweh grijpt hem aan, en zonder iets bij de hand te hebben, scheurt hij hem vaneen, zoals men een geitebokje vaneen scheurt. Aan zijn vader en moeder vertelde hij echter niet wat hij gedaan had.
    14Samson daalde verder af, sprak met de vrouw, en ze bleef hem behagen.
    14Toen hij enige tijd later terugkeerde, om haar tot vrouw te nemen, week hij wat van zijn weg af, om eens naar het kreng van den leeuw te gaan kijken; en daar zag hij in het geraamte van den leeuw een zwerm bijen en honing.
    14Hij haalde die er met zijn hand uit, at er onderweg van, en ging er ook zijn vader en moeder van brengen. Ze aten er van; maar hij vertelde hun niet, dat hij de honing uit het geraamte van den leeuw had gehaald.
    14Toen Samson dan bij de vrouw was gekomen, bood hij een maaltijd aan; want dat was de gewoonte der jongelieden.
    14Maar daar men bang voor hem was, koos men dertig feestgenoten uit, om bij hem te blijven.
    14Tot hen nu zei Samson: Ik zal u eens een raadsel opgeven. Als gij het mij gedurende de zeven dagen van het feest oplost, geef ik u dertig onder- en dertig bovenklederen;
    14kunt ge het mij niet oplossen, dan moet ge mij dertig onder- en dertig bovenklederen geven. Ze antwoordden: Geef uw raadsel maar op; we willen het wel eens horen.
    14En hij zei hun: Uit den vraat kwam spijs te voorschijn, En zoetigheid uit den sterke! Toen ze na drie dagen het raadsel niet hadden kunnen oplossen,
    14zeiden ze op de vierde dag tot Samsons vrouw: Praat eens met uw man, dat hij u de oplossing geeft; anders verbranden we u en het huis van uw vader. Of hebt ge ons soms hier uitgenodigd, om ons arm te maken?
    14Nu viel Samsons vrouw hem wenend om de hals, en sprak: Ge hebt het land aan me, ge houdt niet van me; ge hebt mijn landgenoten een raadsel opgegeven, en mij wilt ge de oplossing niet zeggen. Maar hij zei haar: Zie, zelfs aan mijn vader en moeder heb ik die niet verteld, en zou ik ze u dan zeggen?
    14Doch wenend bleef ze bij hem aandringen al de zeven feestdagen lang, totdat hij het haar op de zevende dag maar vertelde, omdat zij zo bij hem aanhield. Toen verklapte ze de oplossing aan haar landgenoten.
    14En op de zevende dag, juist toen hij de bruidskamer wilde binnengaan, zeiden hem de bewoners der stad: Wat is zoeter dan honing; Wat is sterker dan een leeuw? Hij gaf hun ten antwoord: Hadt gij niet met mijn koe geploegd, ge hadt mijn raadsel niet opgelost.
    14Nu greep de geest van Jahweh hem aan; hij daalde naar Asjkelon af, versloeg er dertig man, beroofde hen van al wat ze hadden, en gaf hun kleren aan hen, die het raadsel hadden opgelost. Daarna ging Samson woedend heen naar het huis van zijn vader,
    14terwijl de vrouw van Samson aan een van zijn makkers werd gegeven, die zijn feestgenoot was geweest.
    15Enige tijd later, bij gelegenheid van de tarweoogst, kwam Samson zijn vrouw opzoeken, en bracht haar een geitebokje mee. Hij zeide: Ik wil bij mijn vrouw in haar kamer. Maar haar vader liet hem niet binnen.
    15Haar vader zei: Ik dacht werkelijk, dat ge erg het land aan haar hadt, en daarom heb ik ze aan een van uw feestgenoten gegeven. Maar haar jongere zuster is nog veel knapper dan zij; die kunt ge in haar plaats krijgen.
    15Doch Samson zei hem: Deze keer heb ik geen schuld, als ik de Filistijnen kwaad doe.
    15En Samson ging heen. Hij ving drie honderd vossen, nam fakkels, bond de staarten aaneen, en hing tussen elk paar staarten een fakkel.
    15Toen stak hij de fakkels aan, joeg de vossen de velden der Filistijnen in, en stak de schoven in brand met het graan, dat nog op het veld stond, en de wijnbergen en olijfgaarden.
    15Toen de Filistijnen vroegen, wie dat gedaan had, vertelde men: Samson, de schoonzoon van een man uit Timna; want die heeft hem zijn vrouw ontnomen, en aan een van zijn feestgenoten gegeven. Daarom trokken de Filistijnen op, en staken haar en het huis van haar vader in brand.
    15Maar Samson zeide hun: Al doet ge dit nu, toch houd ik niet op, vůůr ik mij op u heb gewroken.
    15En hij ranselde ze af van boven tot onder, met geweldige slagen. Daarna trok hij zich bij de rotsspelonk van Etam terug.
    15Toen rukten de Filistijnen op, legerden zich in Juda, en deden een inval in Lťchi.
    15De mannen van Juda vroegen hun: Waarom trekt ge tegen ons op? Ze antwoordden: Wij trekken op, om Samson te binden, en met hem te doen, wat hij ons heeft gedaan.
    15Nu daalden drie duizend man uit Juda naar de rotsspelonk van Etam af, en zeiden tot Samson: Weet ge niet, dat de Filistijnen ons de baas zijn? Waarom haalt ge ons dit op de hals? Hij antwoordde: Ik heb ze behandeld, zoals zij mij hebben behandeld.
    15Ze zeiden hem: We zijn afgekomen, om u te binden en aan de Filistijnen uit te leveren. Samson hernam: Zweert me, dat ge me niet zelf zult neerslaan.
    15Ze zeiden hem: Neen, we willen u alleen maar binden en aan hen uitleveren; doden zullen we u zeker niet. En ze bonden hem met twee nieuwe koorden, en brachten hem uit de rots naar boven.
    15Zodra hij bij Lťchi kwam, en de Filistijnen hem onder gejuich tegemoet liepen, greep de geest van Jahweh hem aan; de koorden om zijn armen werden als vlasdraad, dat door het vuur is verzengd, en zijn strikken gleden hem van de handen.
    15Hij zag een nog gaaf kinnebak van een ezel liggen: hij strekte zijn hand uit, raapte het op, en sloeg er duizend man mee neer.
    15En Samson sprak: Met een ezelskinnebak heb ik ze afgeranseld, Met een ezelskinnebak heb ik duizend mannen verslagen!
    15En toen hij uitgesproken had, wierp hij het kinnebak weg, en noemde de plaats Ramat-Lťchi.
    15Daar hij nu hevige dorst had gekregen, riep hij Jahweh aan: Gij hebt door de hand van uw dienaar deze grote overwinning geschonken! Moet ik nu sterven van dorst, en toch nog in de handen van die onbesnedenen vallen?
    15Toen kliefde God de rotsspleet van Lťchi, en er kwam water uit; hij dronk ervan, zijn krachten keerden terug, en hij leefde weer op. Daarom heet die bron En-Hakkore; ze bevindt zich ook nu nog in Lťchi.
    15Zo was hij ten tijde der Filistijnen gedurende twintig jaar rechter over IsraŽl.
    16Eens ging Samson naar Gaza. Daar zag hij een deerne, en ging bij haar in.
    16Men vertelde het aan de inwoners van Gaza: Samson is hier gekomen! De hele nacht slopen ze rond, en bleven bij de stadspoort op hem loeren. Doch zolang het nacht was, wilden ze hem niets doen; want ze dachten: We moeten wachten, tot het morgen wordt; dan doden we hem!
    16Samson bleef tot middernacht slapen; toen stond hij op in het holst van de nacht, greep de deuren van de stadspoort met haar twee stijlen vast, rukte ze los met grendel en al, legde ze op zijn schouders, en droeg ze naar de top van de berg, die tegenover Hebron lag.
    16Hierna werd hij verliefd op een vrouw, die Delila heette, en in het dal van Sjorek woonde.
    16De filistijnse vorsten gingen naar haar toe, en zeiden haar: Praat eens met hem, om te weten te komen, waarin zijn grote kracht is gelegen, en hoe wij hem moeten overmeesteren en binden, om hem te bedwingen; dan geven we u ieder elfhonderd zilveren sikkels.
    16Delila zei dus tot Samson: Vertel me nu eens, waarin uw grote kracht is gelegen, en hoe men u zou moeten binden, om u in bedwang te houden.
    16Samson antwoordde haar: Als men mij bindt met zeven nieuwe, nog niet gedroogde touwen, dan ben ik mijn kracht kwijt, en word een gewoon mens.
    16Nu bezorgden de filistijnse vorsten haar zeven nieuwe, nog niet gedroogde touwen. Ze bond hem daarmee vast,
    16toen er zich enigen bij haar in de kamer hadden verborgen. Nu riep ze hem toe: Samson, daar komen de Filistijnen! Maar hij rukte de touwen stuk, zoals een vlasdraad breekt, als hij het vuur maar ruikt. En zijn kracht bleef een geheim.
    16Nu zei Delila tot Samson: Ge hebt me bedrogen, en maar wat leugens verteld; zeg me nu eens eerlijk, hoe ge gebonden moet worden.
    16Hij antwoordde: Als men mij met nieuwe, nog ongebruikte koorden vastbindt, dan ben ik mijn kracht kwijt en word een gewoon mens.
    16Delila nam nieuwe koorden, bond hem er mee vast, en riep hem toe: Samson, daar komen de Filistijnen! Ook nu hadden zich enigen in de kamer verborgen. Maar hij trok de koorden als een draad van zijn arm.
    16Weer zei Delila tot Samson: Tot nog toe hebt ge me maar wat om de tuin geleid en voorgelogen; nu moet ge me eindelijk eens vertellen, hoe men u binden moet. Hij antwoordde haar: Als ge de zeven tressen van mijn hoofdhaar met een weeflat in elkaar vlecht, en ze met een scheerkam vaststeekt, ben ik mijn kracht kwijt en word een gewoon mens.
    16Ze liet hem dus inslapen, vlocht de zeven tressen van zijn hoofdhaar met een weeflat in elkaar, en stak ze met een scheerkam vast. Toen riep ze hem toe: Samson, daar komen de Filistijnen! Hij werd wakker, en rukte scheerkam en wee flat los.
    16Nu zeide ze hem: Hoe kunt ge zeggen, dat ge mij liefhebt, terwijl ge geen hart voor mij hebt; ge hebt me nu al drie maal bedrogen, en niet willen vertellen, waardoor uw kracht zo groot is.
    16Toen ze nu met haar gevlei dag aan dag bij hem bleef aandringen en zeuren, zodat het hem dodelijk begon te vervelen,
    16vertelde hij haar alles openhartig, en zei haar: Geen scheermes heeft ooit mijn hoofd aangeraakt, want ik ben een Godgewijde van de moederschoot af; als men mij scheert, dan ben ik mijn kracht kwijt, dan ben ik machteloos en een gewoon mens.
    16Nu begreep Delila, dat hij haar alles openhartig verteld had. Ze liet de filistijnse vorsten ontbieden met de boodschap: Ditmaal moet ge komen, want hij heeft me alles openhartig verteld. De filistijnse vorsten kwamen dus naar haar toe, en brachten het geld mee.
    16Ze liet hem op haar knieŽn inslapen, en riep iemand, die hem de zeven vlechten van zijn hoofdhaar afschoor. Zo kreeg ze hem klein, en was hij zijn kracht kwijt.
    16Nu riep ze: Samson, daar komen de Filistijnen! Hij werd wakker en dacht: Ik zal mij er wel uit redden, evenals de vorige keren, en ze wel van mij afhouden! Hij wist niet, dat Jahweh hem had verlaten.
    16Maar de Filistijnen grepen hem vast, staken hem de ogen uit, en voerden hem naar Gaza. Ze sloegen hem in dubbele ketens van koper, en lieten hem in de gevangenis de molen draaien.
    16Intussen begon zijn hoofdhaar, dat was afgeschoren, weer aan te groeien.
    16Eens kwamen de filistijnse vorsten bijeen, om vol vreugde een groot offerfeest ter ere van hun god Dagon te vieren. Ze zeiden: Onze god heeft onzen vijand Samson in onze handen geleverd.
    16Toen het volk hem zag, loofde het zijn god en riep uit: Onze god heeft onzen vijand, die ons land verwoestte en er velen vermoordde, in onze handen geleverd.
    16En vrolijk geworden zeiden ze: Roept Samson, om voor ons op te treden. Ze lieten Samson uit de gevangenis halen, om voor hen op te treden, en men plaatste hem tussen de zuilen.
    16Maar Samson zei tot den knecht, die hem bij de hand hield: Laat me wat rusten en de zuilen vasthouden, waarop de tempel steunt; dan kan ik er tegen leunen.
    16De tempel nu was vol mannen en vrouwen; alle filistijnse vorsten waren er bijeen, en op het dak zaten drie duizend mannen en vrouwen, om naar het optreden van Samson te kijken.
    16Nu riep Samson Jahweh aan, en sprak: Jahweh, mijn Heer; wees mijner indachtig, o God! Geef me nog voor deze ťne keer kracht, om mijn beide ogen op de Filistijnen te wreken.
    16En Samson greep de beide steunpilaren, die in het midden van de tempel stonden, zodat hij met zijn rechterhand de ene en met zijn linker de andere raakte,
    16en riep: Ik wil sterven met de Filistijnen! Toen rekte hij zich krachtig uit, en de tempel stortte ineen op de vorsten en op al het volk, dat erin was. Zo doodde hij er bij zijn sterven nog meer, dan hij er bij zijn leven gedood had.
    16En zijn broeders en heel zijn familie kwamen af, namen hem op, en voerden hem mee; ze begroeven hem tussen Sora en Esjtaol, in het graf van zijn vader Manůach. Twintig jaar was hij over IsraŽl rechter geweest.
    17Er was toen een man uit het bergland van EfraÔm, Mikajehoe genaamd.
    17Hij sprak tot zijn moeder: De elf honderd zilverstukken, die u ontstolen waren, en waarover ik u een vervloeking heb horen uitspreken, dat geld heb ik; ik had het weggenomen, maar nu geef ik het u terug. Zijn moeder zeide: Moge Jahweh u zegenen, mijn zoon.
    17En toen hij zijn moeder de elf honderd zilverstukken had teruggegeven, sprak zijn moeder: Ik wijd het geld aan Jahweh, en geef het uit handen ten bate van mijn zoon, om er een gegoten beeld van te maken.
    17Nadat hij dus het geld aan zijn moeder had teruggegeven, nam zij er twee honderd zilverlingen van af, en gaf ze aan den zilversmid, om er een gegoten beeld van te maken. Dit kwam in het huis van Mikajehoe te staan.
    17Zo kreeg die man Mika dus een godshuis. Hij maakte nu nog een efod en terafim, en wijdde een van zijn zoons tot zijn priester.
    17In die dagen was er geen koning in IsraŽl, zodat ieder maar deed, wat hem goeddacht.
    17Nu was er ook een jonge man uit Betlehem van Juda; daar hij een leviet was, vertoefde hij daar maar als gast.
    17Deze man nu verliet de stad Betlehem van Juda, om op goed geluk af elders een onderkomen te gaan zoeken. Zo kwam hij, zijn weg vervolgend, in het bergland van EfraÔm bij het huis van Mika.
    17Mika vroeg hem: Waar komt ge vandaan? De leviet antwoordde: Ik kom uit Betlehem van Juda, en ben op weg gegaan, om op goed geluk af een onderkomen te zoeken.
    17Mika zei hem: Blijf dan bij mij, om voor mij een vader en priester te zijn; dan zal ik u jaarlijks tien zilverstukken geven, behalve de nodige kleren en levensonderhoud.
    17De leviet besloot bij den man te blijven; en de jonge man was hem als een van zijn zoons.
    17Mika stelde den leviet tot priester aan; de jonge man werd zijn priester, en verbleef in het huis van Mika.
    17En Mika zeide: Nu weet ik, dat Jahweh mij goed gezind is; want nu heb ik een leviet tot priester.
    18In die dagen, toen er geen koning was in IsraŽl, zag de stam Dan naar een erfdeel uit, om er zich te vestigen; want tot nog toe was hem geen erfbezit onder IsraŽls stammen ten deel gevallen.
    18Daarom zonden de Danieten vijf van hun stamgenoten uit, de dapperste mannen van Sora en Esjtaol, om het land te doorkruisen en te verkennen met de opdracht: Gaat het land verkennen! Zo trokken ze het bergland van EfraÔm in tot het huis van Mika, om er te overnachten.
    18Bij het huis van Mika nu hoorden ze de stem van den jeugdigen leviet. Ze gingen er heen, en vroegen hem: Wie heeft u hierheen gebracht, en wat doet ge hier; wat hebt ge hier te maken?
    18Hij antwoordde hun: Mika heeft een en ander voor me gedaan; hij heeft me gehuurd, en ik ben zijn priester.
    18Toen zeiden ze hem: Dan moet ge God eens raadplegen, opdat we weten, of de reis, die we ondernemen, voorspoedig zal zijn.
    18De priester zei hun: Gaat in vrede; want de reis, die ge onderneemt, is Jahweh welgevallig.
    18De vijf mannen gingen dus verder, en kwamen te LŠisj. Ze zagen, dat de mensen, die er woonden, onbekommerd leefden naar de zeden der SidoniŽrs, rustig en onbezorgd. Er was aan niets gebrek in dat land, en het had rijke bronnen van bestaan. Ook waren ze ver verwijderd van de SidoniŽrs, en onderhielden geen betrekkingen met Aram.
    18Toen ze dan ook bij hun broeders te Sora en Esjtaol terug kwamen, en dezen hun vroegen, hoe het gegaan was,
    18antwoordden zij: Vooruit, we moeten tegen hen optrekken. We hebben dat land gezien; het is voortreffelijk. Blijft nu niet werkeloos talmen, met dat land in bezit te gaan nemen!
    18Want ge komt bij een volk, dat zich in veiligheid waant, en het land biedt ruimte genoeg. Waarachtig, Jahweh heeft het u in handen gegeven; het is een plaats, waar aan niets ter wereld gebrek is.
    18Zo trokken dan zes honderd gewapende mannen van de stam Dan uit Sora en Esjtaol.
    18Ze trokken op, en legerden zich bij Kirjat-Jearim in Juda. Daarom noemt men die plaats tegenwoordig nog Machane van Dan; ze ligt ten westen van Kirjat-Jearim.
    18Vandaar gingen ze het bergland van EfraÔm door, en kwamen bij het huis van Mika.
    18Toen richtten de vijf mannen, die er op uit waren getrokken, om het land LŠisj te verkennen, zich tot hun broeders, en zeiden: Weet ge wel, dat daar in dat dorp een efod met terafim is en een godenbeeld? Nu moet ge zelf maar weten, wat u te doen staat.
    18Ze trokken er dus op af, kwamen bij het huis van den jongen leviet (het huis van Mika), en begroetten hem.
    18Terwijl nu de zes honderd gewapende Danieten zich bij de ingang opstelden,
    18gingen de vijf mannen, die het land waren gaan verkennen, er binnen, om het beeld, de efod en de terafim weg te nemen. De priester stond bij de deur, evenals de zes honderd gewapende mannen.
    18Toen nu die anderen Mika's huis waren binnengegaan, en het beeld en de efod met de terafim wilden wegnemen, vroeg hun de priester: Wat doet ge daar?
    18Ze antwoordden: Zwijg, leg uw hand op uw mond, en ga met ons mee; wees een vader en priester voor ons. Of zijt ge soms liever priester voor het huis van ťťn man, dan priester voor een stam en een geslacht in IsraŽl?
    18De priester stemde toe, nam efod, terafim en beeld met zich mee, en voegde zich bij het volk.
    18Dit keerde nu terug en trok weg, kinderen, kudden en bagage voorop.
    18Reeds waren ze op enige afstand van Mika's huis gekomen, toen de mannen, die in de buurt van Mika's huis woonden, te hoop liepen, en de Danieten achtervolgden.
    18Dezen keerden zich om, en zeiden tot Mika: Wat scheelt er aan, dat ge zo'n lawaai maakt?
    18Hij antwoordde: Mijn god, dien ik gemaakt heb, hebt ge tegelijk met mijn priester geroofd, en ge trekt er mee heen. Wat blijft mij nog over? Hoe kunt ge me dan vragen: Wat scheelt er aan?
    18Maar de Danieten zeiden: Zet nu maar niet zo'n grote mond tegen ons op, anders zouden verbitterde mannen wel eens op u kunnen los gaan, en zoudt ge met uw huisgenoten het leven kunnen verbeuren.
    18Daarop trokken de Danieten verder; en Mika, die wel zag, dat ze sterker waren dan hij, keerde maar naar huis terug.
    18Zij namen dus het maaksel van Mika en zijn priester met zich mee, en overvielen LŠisj met die rustige en onbezorgde bevolking. Ze joegen ze over de kling, en staken de stad in brand.
    18Niemand kwam het te hulp: want het lag ver van Sidon, en onderhield geen betrekkingen met Aram; het lag in de vallei Bet-Rechob. Ze bouwden de stad weer op, en gingen er wonen.
    18Ze noemden de stad Dan, naar hun vader Dan, die een zoon van IsraŽl was; maar vroeger heette die stad LŠisj.
    18Daar richtten de Danieten voor zich het beeld op. En Jonatan, de zoon van Gersjom, den zoon van Moses, bleef met zijn zonen priester van de stam Dan tot de dag, dat het land werd ontvolkt.
    18Zo richtten ze voor zich het beeld op, dat Mika gemaakt had, en het bleef er even lang, als het huis van God te Sjilo was.
    19In de tijd, dat er geen koning in IsraŽl was, had zich een leviet in het achterland van het gebergte van EfraÔm als vreemdeling gevestigd. Hij had zich een bijzit uit Betlehem van Juda genomen;
    19maar zijn bijzit was hem ontrouw geworden, en van hem weggelopen naar het huis van haar vader in Betlehem van Juda, waar ze vier maanden verbleef.
    19Toen ging haar man met zijn knecht en een span ezels op weg, en reisde haar achterna, om eens op haar gemoed te werken en haar terug te brengen. Zodra hij bij het huis van haar vader kwam, en de vader van het meisje hem zag, ging deze hem verheugd tegemoet.
    19En omdat zijn schoonvader, de vader van het meisje, er bij hem nu zo op aandrong, bleef hij drie dagen bij hem. En ze aten, dronken en overnachtten daar.
    19En toen ze op de vierde dag ?s morgens vroeg zich gereed maakten, en hij opstond om te vertrekken, zei de vader van het meisje tot zijn schoonzoon: Neem eerst nog een stukje brood, dan kunt ge daarna vertrekken.
    19Zo bleven ze. Maar nadat ze tezamen gegeten en gedronken hadden, zei de vader van het meisje tot den man: Toe, besluit nu, nog ťťn nacht te blijven; neem het er maar eens goed van.
    19En toen de man zich toch gereed maakte, om te vertrekken, drong zijn schoonvader er zo bij hem op aan, dat hij er nog een nacht bleef.
    19Ook de vijfde dag stond hij ?s morgens vroeg op, om op pad te gaan; maar weer zei de vader van het meisje: Doe u eerst nog te goed, en wacht dan tot de dag ten einde loopt. Maar toen ze tezamen gegeten hadden,
    19en de man aanstalten maakte, om met zijn bijzit en zijn knecht te vertrekken, zei zijn schoonvader, de vader van het meisje, tot hem: Zie, de dag spoedt reeds ten einde; breng dus hier de nacht nog door, en neem het er nog eens van; dan kunt ge u morgenvroeg voor uw tocht gereed maken, en naar huis gaan.
    19Maar nu wilde de man niet meer overnachten; hij stond op en ging heen, en kwam met zijn span ezels, zijn bijzit en zijn knecht tot bij Jeboes, of Jerusalem.
    19Toen ze nu bij Jeboes waren, neigde de dag ten einde. Daarom zei de knecht tot zijn heer: Kom, we moesten hier maar naar de stad der Jeboesieten afslaan, en daar de nacht doorbrengen.
    19Doch zijn heer antwoordde hem: Neen, we slaan niet af naar die stad van vreemde mensen, die geen IsraŽlieten zijn; laten we maar tot Giba doorgaan.
    19En hij zei tot zijn knecht: Kom, we zullen een andere plaats zien te bereiken, en in Giba of Rama overnachten.
    19Ze gingen dus verder, en vervolgden hun weg. En toen ze dicht bij Giba waren, dat tot Benjamin behoort, ging de zon onder.
    19Nu sloegen ze van de weg af, om Giba te bereiken en er te overnachten. Daar aangekomen, zette hij zich op het stadsplein neer; want er was niemand, die hem voor de nacht in zijn huis opnam.
    19Maar in de avond kwam er een oude man van zijn werk uit het veld. Het was iemand uit het bergland van EfraÔm, die slechts als vreemdeling te Giba verblijf hield; want alle inwoners van die plaats waren Benjamieten.
    19Toen de grijsaard opzag en den reiziger op het stadsplein bemerkte, vroeg hij: Waar gaat ge heen, en waar komt ge vandaan?
    19Hij antwoordde hem: We zijn op weg van Betlehem van Juda naar het achterland van het gebergte van EfraÔm; daar kom ik vandaan. Ik ben naar Betlehem van Juda geweest, en ga nu naar huis. Maar er is niemand, die me gastvrijheid wil verlenen,
    19ofschoon ik stro en voer heb voor onze ezels, brood en wijn voor mezelf, voor uw dienstmaagd en den jongen, dien uw dienaar bij zich heeft, en het ons dus aan niets ontbreekt.
    19Toen zei de oude man: Vrede zij u; op mij rust de plicht, u van het nodige te voorzien; in geen geval moogt ge op het plein overnachten.
    19Hij bracht hem dus naar zijn huis, en gaf de ezels te vreten; en ze wasten hun voeten, aten en dronken.
    19Maar terwijl ze zich te goed deden, omsingelden de inwoners der stad, een ras van Belialskinderen, het huis, begonnen op de deur te bonzen, en riepen tot den grijzen eigenaar van het huis: Breng den man, die uw huis is binnengegaan, naar buiten; we willen gemeenschap met hem houden.
    19Doch de eigenaar van het huis ging naar hen toe en zei hun: Neen, broeders, dat kwaad moogt ge niet doen. Die man is nu eenmaal mijn gast, en ge moogt dus zo iets schandelijks niet doen.
    19Neen, ik zal mijn dochter, die nog maagd is, met zijn bijzit naar buiten brengen; die kunt ge verkrachten, en met haar doen, wat ge wilt; maar met dien man moogt ge die schandelijke dingen niet doen.
    19Toen die lieden maar niet naar hem wilden luisteren, nam de man zelf zijn bijzit, en liet haar de straat opgaan naar hen toe. Ze hielden gemeenschap met haar, en koelden heel de nacht tot de morgen aan haar hun lust; eerst toen de dageraad aanbrak, lieten ze haar gaan.
    19Bij het aanbreken van de morgen kwam de vrouw terug; maar voor het huis van den man, bij wien haar heer te gast was, zonk ze neer, en bleef daar liggen tot het dag was.
    19Toen nu haar heer ?s morgens opstond en de huisdeur opende, om naar buiten te gaan en zijn weg te vervolgen, lag daar zijn bijzit voor de deur van het huis met haar handen op de drempel.
    19Hij sprak tot haar: Sta op, laten we maar verder gaan. Maar hij kreeg geen antwoord; ze was dood. Toen legde hij haar op zijn ezel, maakte zich klaar, en ging naar zijn woonplaats.
    19Thuis gekomen, greep hij een mes, nam zijn bijzit, sneed haar langs de beenderen in twaalf stukken, en zond haar heel het gebied van IsraŽl door.
    19En iedereen, die het zag, zeide: Nooit is zo iets gebeurd of gezien, van de dag, dat de IsraŽlieten uit Egypteland trokken, tot heden toe. Denkt er over na, beraadt u en spreekt.
    20Toen trokken alle IsraŽlieten uit, en kwam het volk, van Dan tot BeŽr-Sjťba en uit het land Gilad, als ťťn man te zamen bij Jahweh te Mispa.
    20Daar vormden de hoofden van het gehele volk, van alle stammen van IsraŽl, de raad van Gods volk; ze telden vierhonderd duizend man voetvolk, dat het zwaard kon hanteren.
    20De Benjamieten moesten dus wel horen, dat de IsraŽlieten naar Mispa waren opgetrokken. De IsraŽlieten zeiden: Spreekt, hoe is deze misdaad gebeurd?
    20De leviet, de man der vermoorde vrouw, antwoordde: Toen ik met mijn bijzit te Giba van Benjamin was gekomen, om er te overnachten,
    20kwamen de burgers van Giba op mij af en omsingelden ?s nachts het huis, om mij kwaad te doen. Ze waren van plan mij te doden; en mijn bijzit hebben ze zo verkracht, dat ze ervan gestorven is.
    20Daarop heb ik mijn bijzit genomen, haar in stukken gehouwen, en rondgestuurd door heel het land van IsraŽls erfdeel. Waarachtig, ze hebben een afschuwelijke misdaad in IsraŽl bedreven!
    20Welnu dan, IsraŽlieten, denkt er allen over na, en schaft raad.
    20Heel het volk stond als ťťn man op, en zeide: Niemand van ons mag naar zijn tent gaan, niemand naar huis terugkeren.
    20Zo zullen we met Giba afrekenen: We zullen het lot werpen,
    20en uit alle stammen van IsraŽl tien man op de honderd, honderd op de duizend, en duizend op de tien duizend kiezen; die zullen dan proviand gaan halen voor het volk, voor al de anderen, die moeten optrekken, om met Giba van Benjamin af te rekenen, zoals het verdient om al de schanddaden, die het in IsraŽl heeft bedreven.
    20Zo rukten alle IsraŽlieten als ťťn man tezamen tegen de stad op.
    20En de stammen van IsraŽl zonden mannen door heel de stam van Benjamin, en lieten zeggen: Wat is dat voor een schanddaad, die onder u is bedreven?
    20Lever ons de mannen van Giba uit, die Belialskinderen; dan brengen wij ze ter dood, en roeien zo het kwaad in IsraŽl uit. Maar de Benjamieten wilden naar de IsraŽlieten, hun broeders, niet luisteren;
    20de Benjamieten rukten uit hun steden tezamen naar Giba op, om tegen de IsraŽlieten te velde te trekken.
    20Toen de Benjamieten werden gemonsterd, telden ze op die dag uit de steden zes en twintig duizend man, die het zwaard hanteerden, zonder de inwoners van Giba mede te rekenen.
    20Onder al dat volk had men zeven honderd uitgelezen mannen, die, ofschoon ze allen links waren, een steen konden slingeren, zonder ook maar een haarbreedte te missen.
    20Ook de IsraŽlieten werden gemonsterd, en telden, Benjamin niet meegerekend, vierhonderd duizend man, die het zwaard hanteerden, allemaal krijgslieden.
    20Nu gingen de IsraŽlieten naar Betel op, om God te raadplegen. Ze vroegen: Wie van ons zal de strijd met de Benjamieten beginnen? Jahweh antwoordde: Juda zal beginnen.
    20Daarop trokken de IsraŽlieten ?s morgens vroeg op, en legerden zich tegenover Giba.
    20Maar toen de IsraŽlieten waren uitgerukt, om met de Benjamieten te vechten, en zich tegen hen in slagorde hadden geschaard voor de strijd tegen Giba,
    20deden de Benjamieten een uitval uit Giba, en sloegen die dag twee en twintig duizend man van IsraŽl neer.
    20De IsraŽlieten lieten de moed dus niet zinken, maar schaarden zich opnieuw in slagorde, op dezelfde plaats, waar ze zich de eerste dag hadden opgesteld.
    20Nu trokken de IsraŽlieten naar Betel op; ze bleven tot de avond voor Jahweh wenen en vroegen Hem: Moet ik opnieuw de strijd aanbinden met mijn broeder Benjamin? En Jahweh antwoordde: Trekt tegen hem op.
    20Doch toen de IsraŽlieten de tweede dag tegen de Benjamieten optrokken,
    20rukten dezen hun die tweede dag van Giba uit tegemoet, en sloegen er van de IsraŽlieten nog achttien duizend neer, allemaal zwaardvechters.
    20Nu begaven alle IsraŽlieten, het hele volk, zich naar Betel, en daar aangekomen, zaten ze wenend voor Jahweh, vastten die dag tot de avond, en brachten Jahweh brand- en vredeoffers.
    20Daarna raadpleegden zij Jahweh; want in die dagen verbleef daar de ark van Gods Verbond,
    20en Pinechas, de zoon van Elazar, zoon van Ašron, deed er dienst. Ze vroegen: Zal ik nog langer tegen mijn broeder Benjamin vechten, of er mee ophouden? En Jahweh zeide: Trekt op; want morgen lever Ik hen in uw hand.
    20Nu legde IsraŽl rondom Giba troepen in hinderlaag.
    20En op de derde dag trokken de IsraŽlieten tegen de Benjamieten op, en schaarden zich evenals de vorige keren in slagorde tegen Giba.
    20Ook de Benjamieten rukten uit tegen het volk, maar werden afgesneden van de stad. Evenals de vorige keren begonnen ze slachtoffers onder het volk te maken op de wegen, waarvan de ene omhoog naar Betel, de andere door het veld naar Giba voert: ongeveer dertig man van IsraŽl.
    20En reeds dachten de Benjamieten: Ze worden door ons verslagen evenals vroeger! Maar de IsraŽlieten hadden afgesproken: We zullen vluchten, en ze van de stad aftrekken, de wegen op.
    20Heel IsraŽl had dus zijn stelling verlaten, en hield eerst stand bij BŠal-Tamar. Intussen waren de IsraŽlieten, die zich in hinderlaag hadden gelegd, uit hun schuilplaats ten westen van Giba opgetrokken,
    20en tot voor Giba genaderd: het waren tien duizend dappere mannen, de besten uit heel IsraŽl. Het werd een heftige strijd, en de Benjamieten vermoedden niet, dat hun gevaar dreigde.
    20Maar Jahweh deed Benjamin voor IsraŽl vluchten, en de IsraŽlieten versloegen die dag vijf en twintig duizend Benjamieten, allemaal zwaardvechters.
    20En de Benjamieten zagen, dat ze de nederlaag hadden geleden, en dat de IsraŽlieten hun stelling voor de Benjamieten enkel hadden ontruimd, omdat ze vertrouwden op de troep, die zich bij Giba in hinderlaag had gelegd.
    20Deze troep haastte zich dan ook een aanval op Giba te doen; ze trok er heen, en moordde de hele stad uit.
    20Nu had de troep, die in hinderlaag lag, met de IsraŽlieten een afspraak gemaakt, dat zij uit de stad een rookkolom zou doen opstijgen.
    20Terwijl dus de IsraŽlieten bij het gevecht op de loop waren gegaan, en Benjamin reeds begonnen was, een dertigtal slachtoffers onder de IsraŽlieten te maken, en dacht, dat ze alweer door hen geslagen werden,
    20begon de rookkolom uit de stad op te stijgen. De Benjamieten zagen om, en zie: daar ging heel de stad in vlammen op!
    20En toen de IsraŽlieten nu rechtsomkeert maakten, werden de Benjamieten van schrik geslagen; want ze zagen, dat het onheil hen getroffen had.
    20Ze vluchtten voor de IsraŽlieten in de richting van de woestijn; maar ze werden achtervolgd, en die uit de stad kwamen, sloten ze in en sloegen ze neer.
    20Zo verpletterden ze Benjamin, en zetten ze achterna tot aan de oostzijde van Giba.
    20En er vielen van Benjamin achttien duizend man, allemaal dappere mannen.
    20Terwijl ze nu wegvluchtten in de richting der woestijn, naar de rots Rimmon, werden er op de wegen nog vijf duizend man gedood; maar men bleef ze achtervolgen, tot ze geheel in de pan waren gehakt; en zo sloegen ze er nog twee duizend neer.
    20In het geheel waren er dus die dag vijf en twintig duizend Benjamieten, die het zwaard hanteerden, gevallen, allemaal dappere mannen;
    20slechts zes honderd mannen vluchtten weg naar de woestijn, naar de rots Rimmon, waar ze vier maanden bleven.
    20En toen de IsraŽlieten naar de Benjamieten waren teruggekeerd, joegen ze al wat ze aantroffen, mens en dier over de kling; en de steden, waar ze langs kwamen, staken ze in brand.
    21Nu hadden de IsraŽlieten te Mispa gezworen: Niemand van ons zal zijn dochter aan een Benjamiet tot vrouw geven.
    21Maar toen het volk te Betel kwam en er tot de avond voor Gods aanschijn bleef, begon het luid te jammeren en te schreien:
    21Jahweh, God van IsraŽl; waarom heeft dit IsraŽl moeten treffen, dat er thans aan IsraŽl ťťn stam gaat ontbreken?
    21En de volgende morgen stond het volk op, bouwde daar een altaar en bracht brand- en vredeoffers.
    21Daarna zeiden de IsraŽlieten: Wie uit al de stammen van IsraŽl is niet ter vergadering tot Jahweh opgekomen? Want ze hadden een dure eed gezworen: Wie niet opgaat tot Jahweh te Mispa, zal sterven!
    21Daar de IsraŽlieten medelijden met hun broeder Benjamin hadden gekregen, zeiden ze: Nu is er een stam van IsraŽl afgesneden.
    21Hoe kunnen we de overgeblevenen onder hen toch nog aan vrouwen helpen, nu we bij Jahweh hebben gezworen, dat we hun onze dochters niet tot vrouw zullen geven?
    21En ze vroegen: Is er misschien iemand uit de stammen van IsraŽl niet tot Jahweh te Mispa opgegaan? Nu was er uit Jabesj-Gilad niemand naar het kamp ter vergadering gekomen.
    21Het volk werd dus gemonsterd, en er was inderdaad niemand uit Jabesj-Gilad.
    21Nu zond het vergaderde volk twaalf duizend van de dapperste mannen daarheen met het bevel: Gaat heen en jaagt de bewoners van Jabesj-Gilad over de kling, met vrouwen en kinderen;
    21maar doet het zo, dat ge iederen man ombrengt en iedere vrouw, die gemeenschap heeft gehad met een man, maar dat ge de maagden spaart. Dit deden ze.
    21Men trof onder de inwoners van Jabesj-Gilad vier honderd jonge maagden aan, die geen gemeenschap met een man hadden gehad, en men bracht ze naar de legerplaats te Sjilo in het land Kanašn.
    21Vervolgens zond heel het vergaderde volk boden naar de Benjamieten, die bij de rots Rimmon waren, om vrede met hen te sluiten.
    21En toen de Benjamieten waren teruggekeerd, gaf men hun vrouwen uit die van Jabesj-Gilad, die men in het leven gelaten had. Maar er waren er niet genoeg.
    21En daar het volk van medelijden met Benjamin was vervuld, omdat Jahweh een bres in de stammen van IsraŽl had geslagen,
    21zeiden de oudsten van het vergaderde volk: Hoe kunnen we de overgeblevenen aan vrouwen helpen, nu er in Benjamin geen vrouwen meer zijn?
    21Ze vervolgden: Hoe de rest van Benjamin te behouden, zodat er geen stam uit IsraŽl wordt uitgeroeid?
    21Wij immers kunnen hun geen vrouwen geven uit onze dochters! Want de IsraŽlieten hadden gezworen: Vervloekt hij, die een vrouw aan een Benjamiet geeft.
    21Toen zei men: Wel, men viert thans het jaarfeest ter ere van Jahweh te Sjilo. Dit ligt ten noorden van Betel, oostelijk van de weg, die van Betel oploopt naar Sikem, en ten zuiden van Lebona.
    21En men gaf aan de Benjamieten de raad: Gaat op de loer liggen in de wijngaarden.
    21en let goed op, Wanneer de meisjes van Sjilo naar buiten komen voor de reidansen, sluipt dan uit de wijngaarden te voorschijn, rooft u ieder een vrouw uit de meisjes van Sjilo, en keert naar het land van Benjamin terug.
    21En als haar vaders of broers u erover komen lastig vallen, dan moet ge hun zeggen: Ge moet het ons maar vergeven; want niemand van ons heeft zich een vrouw in de strijd kunnen nemen; en wanneer gij ze zelf hadt gegeven, zoudt ge u bezondigd hebben.
    21De Benjamieten deden zo, en namen zich uit de dansende meisjes, die ze geschaakt hadden, zoveel vrouwen als ze nodig hadden. Daarna gingen ze heen, keerden terug naar hun erfdeel, bouwden de steden weer op, en woonden er in.
    21Ook de IsraŽlieten gingen nu vandaar heen, ieder naar zijn eigen stam en geslacht, en iedereen vertrok naar zijn erfdeel.
    21In die tijd was er geen koning in IsraŽl, zodat iedereen deed, wat hem goeddacht.