• [dutch] 24
    Dutch Bible 1939
  • Genesis Exodus Leviticus Numeri Deuteronomium Jozua Rechters


    Jozua

    1Toen Moses, de dienaar van Jahweh, gestorven was, sprak Jahweh tot JosuŽ, den zoon van Noen, die Moses' dienaar was geweest:
    1Mijn dienaar Moses is gestorven. Op! Trek met heel dit volk de Jordaan hier over naar het land, dat Ik hun geven zal.
    1Iedere plek, die uw voetzool betreedt, zal Ik u geven, zoals Ik aan Moses beloofd heb.
    1Van de woestijn tot de Libanon, en van de grote rivier de Eufraat tot aan de Grote Zee in het westen zal uw gebied zich uitstrekken.
    1Zolang ge leeft, zal niemand tegen u bestand zijn! Zoals Ik met Moses was, zo zal Ik ook met u zijn; Ik zal u niet verlaten, en Mij niet van u terugtrekken.
    1Wees sterk en dapper; want gij zult dit volk bezit doen nemen van het land, dat Ik hun vaderen onder ede beloofd heb, hun te geven.
    1Doe slechts uw uiterste best, om in alles nauwgezet te handelen volgens de wet, die mijn dienaar Moses voorgeschreven heeft; wijk er ter rechter noch ter linker zijde van af, opdat het u overal, waar ge heen trekt, goed moge gaan.
    1Dit wetboek mag niet wijken uit uw mond; dag en nacht moet gij het overwegen, om nauwgezet alles te volbrengen, wat er in geschreven staat. Dŗn zult ge voorspoed hebben op uw weg, dŗn zal het u goed gaan.
    1Ik beveel het u dus: Wees sterk en dapper, vrees niet en laat u geen schrik aanjagen; want Jahweh, uw God, is met u, overal waar ge gaat.
    1Toen gaf JosuŽ aan de leiders van het volk het bevel:
    1Trekt het kamp door, en gelast het volk: Maakt proviand gereed; want over drie dagen moet ge hier de Jordaan oversteken, om het land in bezit te gaan nemen, dat Jahweh, uw God, u in eigendom geeft.
    1En tot de Rubenieten en de Gadieten en tot de halve stam van Manasse sprak JosuŽ:
    1Denkt aan het bevel, dat Moses, de dienaar van Jahweh, u heeft gegeven. Jahweh, uw God, heeft u een rustplaats verleend, en u dit land geschonken.
    1Uw vrouwen, kinderen en vee mogen in het land blijven, dat Moses u in het Overjordaanse heeft gegeven. Maar gij allen moet als dappere mannen gewapend voor uw broeders uittrekken en hen helpen,
    1totdat Jahweh aan uw broeders, als aan u, een rustplaats heeft verleend, en ook zij het land in bezit hebben genomen, dat Jahweh, uw God, hun wil geven. Dan moogt ge terugkeren naar het land, dat Moses, de dienaar van Jahweh, u gegeven heeft aan de overzijde van de Jordaan in het oosten, en het in bezit nemen.
    1Ze antwoordden JosuŽ: Alles, wat ge ons beveelt, zullen we doen, en overal heengaan, waar ge ons zendt.
    1Zoals we Moses in alles hebben gehoorzaamd, zo zullen we ook gehoorzaam zijn aan u. Moge Jahweh, uw God, slechts met u zijn, zoals Hij het was met Moses.
    1Iedereen, die zich tegen uw bevelen verzet en niet luistert naar al wat ge hem oplegt, zal sterven. Wees dus maar moedig en dapper!
    2Daarna zond JosuŽ, de zoon van Noen, van Sjittim uit heimelijk twee verkenners met de opdracht: Gaat het land en vooral Jericho verkennen. Dezen trokken er dus op uit, en namen hun intrek in het huis van een deerne, die Rachab heette, om er te overnachten.
    2Men berichtte aan den koning van Jericho: Er zijn vannacht IsraŽlieten hier gekomen, om het land te verspieden.
    2Nu liet de koning van Jericho Rachab aanzeggen: Lever de mannen uit, die naar u toe kwamen, en uw huis zijn binnengegaan; want ze zijn gekomen, om heel het land te verspieden.
    2Doch de vrouw nam de beide mannen mee, verborg ze, en zeide: Die mannen zijn wel bij me geweest, maar ik heb niet geweten, waar ze vandaan kwamen.
    2En juist, toen men tegen het donker de poort wilde sluiten, zijn die mannen vertrokken; ik weet niet, waar ze gebleven zijn. Zet ze vlug achterna, dan kunt ge ze nog inhalen.
    2Maar zij had de mannen naar het dak gebracht, en ze verborgen onder vlasstengels, die zij op het dak had uitgespreid.
    2De mannen achtervolgden hen dan naar de Jordaan, in de richting van de doorwaadbare plaatsen, en men sloot de poort, zodra hun vervolgers eruit waren gegaan.
    2Maar eer de mannen gingen slapen, klom ze bij hen op het dak,
    2en zeide tot hen: Ik weet, dat Jahweh dit land voor u bestemd heeft, en dat wij angst voor u hebben, en alle bewoners van het land voor u beven.
    2Want we hebben vernomen, hoe bij uw uittocht uit Egypte Jahweh het water van de Rode Zee voor u heeft doen opdrogen, en hoe gij de twee amorietische koningen aan de overzijde van de Jordaan hebt behandeld, Sichon en Og, die ge met de ban hebt geslagen.
    2Toen we dat hoorden, is ons de schrik om het hart geslagen, en is iedereen de moed ontzonken uit angst voor u. Want Jahweh, uw God, is God in de hemel daarboven en op de aarde beneden.
    2Zweert me nu bij Jahweh dat gij u over mijn familie zult ontfermen, zoals ik mij over u heb ontfermd. Geeft me ook een vertrouwbaar teken,
    2dat ge mijn vader en moeder, mijn broers en zusters, en al de hunnen zult sparen, en ons van de dood zult redden.
    2De mannen antwoordden haar: Wij staan met ons leven voor u in. Als gij onze plannen niet aanbrengt, dan zullen wij, wanneer Jahweh ons het land heeft overgeleverd, ons zeker over u ontfermen.
    2Toen liet ze hen langs een touw door het venster naar beneden zakken; want haar huis stond tegen de binnenkant van de stadsmuur, zodat ze eigenlijk in de muur woonde.
    2Ze sprak tot hen: Gaat het gebergte in, opdat de vervolgers u niet tegenkomen; houdt u daar drie dagen schuil, totdat ze zijn teruggekeerd, en gaat dan verder uws weegs.
    2De mannen zeiden tot haar:
    2Als we het land binnentrekken, moet ge dit rode koord aan het venster binden, waardoor ge ons omlaag hebt gelaten, en uw vader en moeder, uw broers en heel uw familie in dit huis bij elkaar brengen.
    2Als dan iemand de deur van uw huis uitgaat, dan komt zijn bloed op zijn eigen hoofd neer, en zullen wij er geen schuld aan hebben; maar slaat men de hand aan iemand, die in uw huis is, dan komt zijn bloed op ons hoofd.
    2Als ge echter onze plannen verraadt, zijn wij van de eed ontslagen, die ge ons hebt doen zweren.
    2Zij antwoordde: Afgesproken, zoals ge gezegt hebt! Ze liet hen vertrekken, en bond het rode koord aan het venster.
    2Zij gingen heen, trokken het gebergte in, en bleven daar drie dagen, totdat de achtervolgers waren teruggekeerd; dezen hadden overal gezocht, maar niets gevonden.
    2Toen maakten de twee mannen rechtsomkeert, daalden het gebergte af, trokken de Jordaan over, en begaven zich naar JosuŽ, den zoon van Noen, wien ze alles vertelden, wat ze hadden beleefd.
    2En ze zeiden tot JosuŽ: Jahweh heeft ons het hele land in handen geleverd; alle bewoners van het land zijn voor ons met schrik geslagen.
    3's Morgens braken JosuŽ en al de zonen van IsraŽl op, trokken uit Sjittim weg, en bereikten de Jordaan, waar ze overnachtten, alvorens over te trekken.
    3Toen de drie dagen ten einde waren, trokken de leiders het kamp door,
    3en bevalen het volk: Zodra gij ziet, dat de ark des Verbonds van Jahweh, uw God, door de levietische priesters wordt opgenomen, moet ook gij van uw plaats opbreken en haar volgen.
    3Er moet echter tussen u en haar een afstand blijven van ongeveer twee duizend el; komt er dus niet dichter bij! Dan zult ge de weg leren kennen, die ge moet gaan; want nog nooit zijt ge langs zo'n weg getrokken.
    3En JosuŽ sprak tot het volk: Heiligt u; want morgen zal Jahweh wonderbare dingen onder u doen.
    3En tot de priesters sprak JosuŽ: Neemt de ark des Verbonds, en trekt over aan de spits van het volk. En de priesters namen de ark des Verbonds op, en gingen vůůr het volk uit.
    3Toen sprak Jahweh tot JosuŽ: Vandaag zal Ik beginnen, u groot te maken in het oog van heel IsraŽl, opdat ze weten, dat Ik met u zal zijn, zoals Ik met Moses geweest ben.
    3Beveel aan de priesters, die de ark des Verbonds dragen: Als gij de oever van de Jordaan hebt bereikt, moet ge in de Jordaan gaan staan.
    3Nu sprak JosuŽ tot de kinderen van IsraŽl: Komt naderbij en hoort, wat Jahweh, uw God, u zegt!
    3En JosuŽ vervolgde: Hieraan zult ge erkennen, dat er een levende God in uw midden is, die de Kanašnieten, Chittieten, Chiwwieten, Perizzieten, Girgasjieten, Amorieten en Jeboesieten voor u uit zal jagen!
    3Zie, de ark des Verbonds van den Heer der gehele aarde trekt voor u uit de Jordaan in.
    3xxx
    3Zodra de voetzolen der priesters, die de ark van Jahweh, den Heer der gehele aarde, dragen, het water van de Jordaan zullen aanraken, zal het water van de Jordaan, het water namelijk dat van boven komt, worden afgesneden en als een dam blijven staan.
    3Toen dus het volk uit zijn tenten opbrak, om de Jordaan over te trekken, droegen de priesters de ark des Verbonds voor het volk uit.
    3En ofschoon de Jordaan gedurende heel de zomertijd buiten zijn oevers staat, hadden de dragers van de ark nauwelijks de Jordaan bereikt, en waren de voeten der priesters, die de ark droegen, in de rand van het water gedompeld,
    3of het water, dat van boven kwam, bleef staan, en rees heel in de verte omhoog als een dam, bij de stad Adam, die bij Saretan ligt; terwijl het water, dat naar de Araba-zee, de Zoutzee, vloeit, geheel verdween. Zo stak het volk tegenover Jericho over.
    3En terwijl heel IsraŽl over het droge trok, bleven de priesters, die de ark van Jahweh's Verbond droegen, midden in de Jordaan op het droge staan, totdat het hele volk de overtocht van de Jordaan had beŽindigd.
    4Nadat dan het hele volk over de Jordaan was getrokken, sprak Jahweh tot JosuŽ:
    4Kiest u uit dit volk twaalf mannen, ťťn uit iedere stam,
    4en beveelt hun: Neemt hier midden uit de Jordaan, waar de voeten van de priesters hebben gestaan, twaalf stenen; draagt ze met u mee naar de plek, waar ge vannacht verblijven zult, en richt ze daar op.
    4JosuŽ riep dus twaalf mannen, die hij onder de IsraŽlieten aanwees, uit elke stam ťťn,
    4en sprak tot hen: Trekt op tot bij de ark van Jahweh, uw God, in het midden van de Jordaan, en neemt ieder ťťn steen op uw schouders, naar het getal van de stammen van IsraŽls kinderen,
    4opdat die onder u ten teken zijn. En wanneer dan later uw zonen vragen: Wat beduiden die stenen voor u?
    4zult ge hun antwoorden: Omdat het water van de Jordaan voor de ark van Jahweh's Verbond verdween, toen de ark de Jordaan overtrok: omdat het water van de Jordaan verdween, daarom zijn deze stenen een altijddurend gedenkteken voor de kinderen IsraŽls.
    4De IsraŽlieten deden dus, zoals JosuŽ hun had bevolen; ze namen uit het midden van de Jordaan twaalf stenen op naar het getal der israŽlietische stammen, zoals Jahweh het JosuŽ bevolen had, droegen ze mee naar het nachtkwartier en richtten ze daar op.
    4Tevens plaatste JosuŽ twaalf stenen midden in de Jordaan op de plaats, waar de voeten van de priesters, die de ark des Verbonds droegen, hadden gerust; ze zijn daar nog tot op de dag van heden.
    4Intussen waren de priesters, die de ark droegen, midden in de Jordaan blijven staan, totdat alles geschied was, wat Jahweh JosuŽ had opgedragen, aan het volk te bevelen. In aller ijl trok het volk naar de andere kant;
    4en toen het hele volk over was, trok ook de ark van Jahweh over, en gingen de priesters weer aan de spits van het volk.
    4Ook de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse trokken over, en gingen gewapend voor IsraŽl uit, zoals Moses het hun had bevolen;
    4ze telden veertigduizend man ongeveer, die voor Jahweh ten strijde uittrokken naar de vlakte van Jericho.
    4Die dag verheerlijkte Jahweh JosuŽ in de ogen van heel IsraŽl, zodat ze hem heel zijn leven vreesden, zoals ze Moses hadden gevreesd.
    4Nu sprak Jahweh tot JosuŽ:
    4Beveel de priesters, die de ark des Verbonds dragen, dat ze uit de Jordaan komen.
    4En JosuŽ beval de priesters: Komt de Jordaan uit.
    4Zodra nu de priesters, die de ark van Jahweh's Verbond droegen, uit het midden van de Jordaan waren gekomen, en de voetzolen der priesters het droge hadden bereikt, hernam het water van de Jordaan zijn loop, en trad weer buiten zijn oevers als vroeger.
    4Op de tiende dag van de eerste maand trok het volk van de Jordaan weg, en sloeg zijn legerplaats te Gilgal op, aan de oostelijke grens van Jericho.
    4De twaalf stenen, die men uit de Jordaan had meegenomen, liet JosuŽ nu te Gilgal oprichten,
    4terwijl hij tot de IsraŽlieten sprak: Als later uw zonen aan hun vaders vragen: Wat hebben deze stenen te beduiden?
    4moet ge uw zonen vertellen: Droogvoets trok IsraŽl hier over de Jordaan!
    4Want Jahweh, uw God, heeft het water van de Jordaan voor u doen opdrogen, totdat ge er over waart, zoals Jahweh, uw God, met de Rode Zee heeft gedaan, die Hij voor ons heeft drooggelegd, totdat wij er over waren:
    4opdat alle volken der aarde zouden weten, dat de hand van Jahweh machtig is, en gij Jahweh, uw God, voor altijd zoudt vrezen!
    5Toen al de koningen der Amorieten aan de westelijke oever van de Jordaan, en al de kanašnietische koningen langs de zee hoorden, dat Jahweh het water van de Jordaan voor de IsraŽlieten zo lang had doen opdrogen, tot ze er over waren, sloeg hun de schrik om het hart, en ontzonk hun de moed uit vrees voor de IsraŽlieten.
    5In die tijd sprak Jahweh tot JosuŽ: Maak u stenen messen, en besnijd de kinderen IsraŽls een tweede maal.
    5En JosuŽ maakte zich stenen messen, en besneed de IsraŽlieten bij de Heuvel der voorhuiden.
    5Dit was de reden, dat JosuŽ hen liet besnijden: Van al het volk van het mannelijk geslacht, dat uit Egypte getrokken was, hadden alle strijdbare mannen op hun uittocht uit Egypte de dood gevonden.
    5Nu was al het volk, dat uitgetrokken was, wel besneden; maar allen, die onderweg in de woestijn waren geboren na de uittocht uit Egypte, waren niet besneden.
    5Want veertig jaar hadden de IsraŽlieten door de woestijn gezworven, tot er niemand meer over was van heel het volk, van al de strijdbare mannen, die uit Egypte waren getrokken: van allen, die niet naar de stem van Jahweh hadden geluisterd, en aan wie Jahweh gezworen had, dat Hij hun het land niet zou laten zien, dat Hij hun vaderen onder ede beloofd had, ons te zullen geven, een land, dat druipt van melk en honing.
    5Nu had Hij hun zonen in hun plaats gesteld, en hen liet JosuŽ besnijden; want ze waren nog onbesneden, omdat men ze onderweg niet had kunnen besnijden.
    5Nadat de besnijdenis van heel het volk was verricht, bleven ze daar in de legerplaats, tot ze genezen waren.
    5En Jahweh sprak tot JosuŽ: Heden heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld! Daarom noemde hij die plaats Gilgal; zo heet ze nu nog.
    5Terwijl de IsraŽlieten in Gilgal legerden, vierden ze op de avond van de veertiende dag der maand het paasfeest op de vlakten van Jericho;
    5en daags na het Pascha aten ze van de opbrengst van het land ongedesemd brood en geroosterd graan.
    5Op dezelfde dag, dat ze van de opbrengst van het land aten, hield het manna op. De kinderen IsraŽls kregen geen manna meer, maar ze aten dat jaar wat het land Kanašn opbracht.
    5Terwijl JosuŽ nu bij Jericho vertoefde, gebeurde het eens, dat hij opkeek, en een man voor zich zag staan met een getrokken zwaard in zijn hand. JosuŽ ging op hem af, en vroeg hem: Hoort gij bij ons of bij onze vijanden?
    5Hij antwoordde: Bij geen van beiden; maar ik ben de aanvoerder van Jahweh 's heir; ik kom hier dus van pas. Toen viel JosuŽ plat ter aarde, huldigde hem, en vroeg hem: Wat heeft mijn Heer tot zijn dienaar te zeggen?
    5En de aanvoerder van Jahweh's heir gaf JosuŽ ten antwoord: Trek uw schoenen uit; want de plaats, waarop ge staat, is heilig. En JosuŽ deed het.
    6Intussen bleef Jericho nu met het oog op de IsraŽlieten zorgvuldig gesloten; niemand kwam er uit of in.
    6Maar Jahweh sprak tot JosuŽ: Let op; Ik lever Jericho met zijn koning en dapperen aan u over.
    6Zes dagen lang moet gij met alle strijdbare mannen ťťnmaal rond de stad heen trekken,
    6en moeten zeven priesters zeven bazuinen van ramshorens voor de ark uit dragen. Maar op de zevende dag moet ge zeven keer om de stad heen trekken, en moeten de priesters op de bazuinen blazen.
    6Zodra zij dan op de ramshoren blazen en gij het bazuingeschal hoort, moet het hele volk uit alle macht beginnen te schreeuwen; dan zal de stadsmuur instorten en het volk naar boven stormen, iedereen recht voor zich uit.
    6JosuŽ, de zoon van Noen, riep dus de priesters, en zeide hun: Neemt de Verbondsark op, en laat zeven priesters voor de ark van Jahweh uit zeven bazuinen van ramshorens dragen.
    6En tot het volk zeide hij: Trekt rond de stad; die gewapend zijn, moeten voor Jahweh's ark uit gaan.
    6Toen JosuŽ tot het volk had gesproken, trokken de zeven priesters op, terwijl ze de zeven bazuinen van ramshorens vůůr Jahweh uit droegen en er op bliezen; de ark van Jahweh's Verbond kwam achter hen aan.
    6Die gewapend waren gingen voor de priesters uit, die op de bazuinen bliezen, terwijl de tros de ark volgde; en onder het gaan bleef men op de bazuinen blazen.
    6Maar JosuŽ beval het volk eveneens: Schreeuwt niet, en laat uw stem zelfs niet horen; geen woord mag er over uw lippen komen tot de dag. waarop ik u zeg: Schreeuwt; en dan moet ge schreeuwen.
    6Hij liet dus de ark ťťnmaal rond de stad dragen, waarna men het kamp binnenging en daar overnachtte.
    6Zodra JosuŽ de volgende morgen alles geregeld had, namen de priesters de ark van Jahweh weer op,
    6en gingen de zeven priesters, die de zeven bazuinen van ramshorens voor Jahweh's ark uit droegen, blazend op de bazuinen op weg, terwijl de gewapenden voor hen uittrokken, en de tros de ark van Jahweh volgde. En onder het gaan bleef men voortdurend op de bazuinen blazen.
    6Ook die tweede dag trokken ze ťťn keer de stad rond, en keerden daarna in het kamp terug. Zo deden ze zes dagen lang.
    6Maar toen ze zich op de zevende dag bij het aanbreken van de morgen gereed hadden gemaakt, trokken ze op dezelfde wijze zeven maal rond de stad; dus alleen op die dag zijn ze zeven maal rond de stad getrokken.
    6En toen de priesters bij de zevende keer op de bazuinen bliezen, riep JosuŽ het volk toe: Schreeuwt; want Jahweh levert u de stad over!
    6Ter ere van Jahweh moet de stad en al, wat erin is, met de banvloek worden geslagen; alleen de deerne Rachab moet met al haar familieleden gespaard blijven, omdat ze de boden, die wij gestuurd hadden, schuil heeft gehouden.
    6Maar weest voorzichtig met de ban, opdat ge niet uit hebzucht iets neemt wat met de ban is geslagen; anders brengt ge het leger van IsraŽl onder de ban, en stort ge het in het ongeluk.
    6Al het zilver en het goud met alle koperen en ijzeren voorwerpen zijn aan Jahweh gewijd, en moeten dus in Jahweh's schatkamer komen.
    6Nu begon het volk te juichen en blies men op de bazuinen; en zodra het volk het bazuingeschal hoorde, schreeuwde het uit alle macht. De stadsmuur stortte in, en het volk stormde naar boven, de stad in, iedereen recht voor zich uit. Ze namen de stad,
    6sloegen allen, die in de stad waren, met de banvloek: mannen en vrouwen, kinderen en grijsaards, met runderen, schapen en ezels, en joegen ze over de kling.
    6Maar tot de beide mannen, die het land hadden verkend, zei JosuŽ: Gaat naar het huis van de deerne, en haalt de vrouw eruit met allen, die bij haar behoren zoals ge het haar gezworen hebt.
    6De verkenners gingen naar binnen, en haalden Rachab met haar vader, moeder en broers en met al haar verwanten naar buiten. Ze brachten haar hele familie de stad uit, en wezen hun buiten het kamp van IsraŽl een verblijfplaats aan.
    6De stad staken ze in brand met al, wat erin was; alleen het zilver en het goud en alle koperen en ijzeren voorwerpen borg men in de schatkamer van het huis van Jahweh op.
    6JosuŽ liet Rachab, de deerne, met het huis van haar vader en al haar verwanten in leven; tot op de huidige dag woont haar familie onder de IsraŽlieten, omdat ze de boden had schuil gehouden, die JosuŽ gezonden had, om Jericho te verkennen.
    6In die dagen zwoer JosuŽ: Vervloekt voor Jahweh de man, Die het waagt, deze stad te herbouwen. Op zijn eerstgeborene zal hij Jericho's grondvesten leggen, Op zijn jongsten zoon haar poorten plaatsen!
    6Zo was Jahweh met JosuŽ; en zijn faam ging door het hele land.
    7Maar de IsraŽlieten hadden zich toch aan de ban vergrepen. Want Akan, de zoon van Karmi, zoon van Zabdi, zoon van Zara, uit de stam Juda, had iets genomen wat met de ban was geslagen, zodat de toorn van Jahweh tegen de IsraŽlieten ontbrand was.
    7Nu zond JosuŽ uit Jericho mannen naar Ai, dat bij Bet-Awen ligt ten oosten van Betel, met de opdracht: Gaat het land verkennen! De mannen trokken dus uit, om Ai te verspieden.
    7Bij hun terugkeer zeiden ze tot JosuŽ: Laat niet het hele volk optrekken; als er twee of drie duizend man gaan, nemen ze Ai wel in. Ge behoeft niet het hele volk te vermoeien; want ze zijn daarginds niet talrijk.
    7Zo trokken ongeveer drie duizend man van het volk er op af. Maar ze moesten vluchten voor de bewoners van Ai,
    7en dezen sloegen er zes en dertig van hen neer, achtervolgden hen buiten de poort tot bij de steengroeven, en versloegen hen op de helling. Toen versmolt het hart van het volk als water.
    7Nu scheurde JosuŽ zijn kleren, en wierp zich met de oudsten van IsraŽl plat ter aarde voor de ark van Jahweh tot de avond toe. Ze strooiden zich stof op het hoofd,
    7en JosuŽ sprak: Ach Jahweh, mijn Heer; waarom hebt Gij dit volk dan over de Jordaan gebracht? Om ons aan de Amorieten over te leveren, om ons in het verderf te storten? Hadden we toch maar besloten, om in het Overjordaanse te blijven!
    7Ach Heer, wat zal ik zeggen, nu IsraŽl zijn vijanden de rug heeft toegekeerd?
    7Als de Kanašnieten en alle bewoners van het land het vernemen, zullen ze ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. En hoe wilt Gij dan zorgen voor uw grote Naam?
    7Jahweh gaf JosuŽ ten antwoord: Sta op! Wat ligt ge hier op uw aangezicht neer?
    7IsraŽl heeft gezondigd: ze hebben het verbond geschonden, dat Ik ze had opgelegd: ze hebben iets weggenomen wat met de ban was geslagen, het gestolen en stil bij hun huisraad verborgen.
    7Daarom zijn de IsraŽlieten niet opgewassen tegen hun vijanden, daarom slaan ze voor hen op de vlucht; want ze zijn onder de ban gekomen, en Ik zal niet langer met u zijn, tenzij ge de ban uit uw midden verwijdert.
    7Sta op, heilig het volk en beveel: Heiligt u voor morgen! Want aldus spreekt Jahweh, IsraŽls God: IsraŽl, er is iets onder u, dat door de ban is getroffen. Ge zult niet opgewassen zijn tegen uw vijanden, tot gij die ban uit uw midden hebt verwijderd.
    7Ge moet daarom morgen stam voor stam aantreden; daarna de stam, die Jahweh zal aanwijzen, geslacht voor geslacht; vervolgens het geslacht, dat Jahweh zal aanwijzen, familie voor familie; dan de familie, die Jahweh zal aanwijzen, man voor man.
    7Wie dan wordt aangewezen als schuldig aan de ban, moet met al, wat hem toebehoort, worden verbrand, omdat hij het verbond met Jahweh heeft geschonden en een zonde in IsraŽl begaan.
    7Vroeg in de morgen liet JosuŽ dus de IsraŽlieten stam voor stam aantreden; aangewezen werd de stam Juda.
    7Daarna de geslachten van Juda; en het geslacht Zara werd aangewezen. Vervolgens het geslacht van Zara naar zijn families; en aangewezen werd de familie Zabdi.
    7Ten slotte die familie man voor man; en aangewezen werd Akan, de zoon van Karmi, zoon van Zabdi, zoon van Zara, uit de stam Juda.
    7Nu sprak JosuŽ tot Akan: Mijn zoon, geef eer aan Jahweh, IsraŽls God, en breng Hem hulde, door mij te bekennen, wat ge gedaan hebt, zonder mij iets te verzwijgen.
    7En Akan antwoordde JosuŽ: Ja, ik heb gezondigd tegen Jahweh, IsraŽls God. Dit heb ik gedaan.
    7Toen ik onder de buit een mooie babylonische mantel, twee honderd zilveren sikkels en een gouden staaf ter waarde van vijftig sikkels bemerkte, wilde ik die graag hebben, en nam ze mee. Alles is in de grond verstopt midden in mijn tent, het zilver onderop.
    7Nu liet JosuŽ een paar mannen vlug naar de tent gaan; het was inderdaad in de tent verstopt, en het zilver lag onderop.
    7Ze haalden het uit de tent weg, brachten het bij JosuŽ, en heel IsraŽl legde het voor Jahweh neer.
    7Toen nam JosuŽ, en heel IsraŽl met hem, Akan, den zoon van Zara, met het zilver, de mantel en de gouden staaf, met zijn zonen en dochters, zijn runderen, ezels en schapen, met zijn tent en heel zijn bezit, en bracht ze naar de vallei van Akor.
    7En JosuŽ sprak: Hoe hebt gij ons in het ongeluk gestort! Daarom stort Jahweh thans u in het ongeluk! Heel IsraŽl stenigde hem,
    7en stapelde een grote steenhoop boven hem op, die er nu nog is. Toen bedaarde Jahweh's ziedende toorn. Daarom heet die plaats tot op de huidige dag: Vallei van Akor.
    8Toen sprak Jahweh tot JosuŽ: Wees niet bang, en verlies de moed niet; neem al het krijgsvolk met u mee, en maak u gereed, tegen Ai op te trekken. Zie, Ik lever den koning van Ai met zijn volk, zijn stad en zijn land aan u over.
    8Dan moet ge met Ai en zijn koning doen, wat ge met Jericho en zijn koning hebt gedaan; maar zijn have en vee moogt ge tot uw eigen buit verklaren. Leg echter een hinderlaag aan de westkant der stad.
    8Nu maakte JosuŽ met al het krijgsvolk zich gereed tot de aanval op Ai. Hij zonderde dertig duizend dappere mannen af, die hij des nachts uitzond
    8met het bevel: Let op; ge moet u aan de westkant der stad in hinderlaag leggen, niet te ver van de stad, en u allen gereed houden.
    8Ik zal met al mijn volk tegen de stad oprukken, en als ze dan weer tegen ons uittrekken zoals de vorige keer, nemen we voor hen de vlucht.
    8Ze moeten ons achterna zetten, tot wij ze van de stad hebben afgesneden. Want ze zullen denken: Ze vluchten voor ons als de vorige keer. Maar wanneer wij voor hen vluchten,
    8komt gij uit de hinderlaag, en maakt u meester van de stad; want Jahweh, uw God, levert ze u over.
    8En zodra ge de stad hebt bezet, steekt ge haar in brand. Zo moet ge doen naar Jahweh's bevel; zie, ik leg het u op!
    8Toen zond JosuŽ hen heen. Ze legden zich in hinderlaag, en legerden zich tussen Betel en Ai, ten westen van Ai, terwijl JosuŽ zelf de nacht doorbracht in de vallei.
    8Vroeg in de morgen monsterde JosuŽ het volk, en trok met de oudsten van IsraŽl aan de spits van het volk tegen Ai op.
    8Heel de krijgsmacht, die hem vergezelde, rukte uit, en toen ze vlak bij de stad waren gekomen, legerden ze zich ten noorden van Ai, zodat het dal tussen hen en Ai lag.
    8Maar ongeveer vijf duizend man had hij afgezonderd, en in een hinderlaag tussen Betel en Ai gelegd, ten westen van de stad.
    8Zo stelde men dus het volk op, nadat JosuŽ de nacht in de vallei had doorgebracht: de hele krijgsmacht ten noorden, en haar achterhoede ten westen van de stad.
    8Toen de koning van Ai dit bemerkte, maakten de mannen der stad zich in allerijl gereed, en rukten uit om IsraŽl te bestrijden. Met heel zijn volk trok hij op naar de helling vůůr de vlakte, zonder te weten, dat hem aan de westkant van de stad een hinderlaag was gelegd.
    8JosuŽ en heel IsraŽl lieten zich door hen verslaan, en vluchtten in de richting van de woestijn.
    8Nu werd al het volk opgeroepen, dat in de stad was, om hen achterna te zetten; maar doordat ze JosuŽ achtervolgden, sneden ze zich af van de stad.
    8Geen man bleef in Ai achter; geen man, die niet uittrok, om de IsraŽlieten te achtervolgen; zelfs de poorten der stad lieten ze open, en renden maar achter de IsraŽlieten aan.
    8Toen sprak Jahweh tot JosuŽ: Steek de speer, die ge in uw hand houdt, naar Ai uit; want Ik heb het aan u overgeleverd. En JosuŽ stak de speer uit, die hij in zijn hand had, in de richting van Ai.
    8Zodra hij zijn hand had uitgestrekt, stond het volk, dat in hinderlaag lag, vlug van zijn plaats op, rende de stad binnen, maakte zich van haar meester, en stak haar ijlings in brand.
    8En toen de mannen van Ai wilden terugkeren, zagen ze, dat de rook van de stad ten hemel steeg. Ze hadden geen kans meer, langs een of andere weg te ontkomen, daar het volk, dat naar de woestijn was gevlucht, zich nu tegen zijn achtervolgers keerde.
    8Want nauwelijks hadden JosuŽ en heel IsraŽl gezien, dat het volk in hinderlaag de stad had genomen, en dat er al rook uit opsteeg, of ze keerden zich om, en sloegen in op de mannen van Ai.
    8Nu kwamen ook die anderen hun uit de stad tegemoet, zodat zij zich midden tussen de IsraŽlieten bevonden. Van beide kanten sloegen ze op hen in, zodat er niemand overbleef of ontsnapte.
    8Den koning van Ai namen ze levend gevangen, en brachten hem voor JosuŽ.
    8En toen IsraŽl alle inwoners van Ai op het veld en in de woestijn, waar ze hen hadden achtervolgd, had omgebracht, en ze allen zonder uitzondering door het zwaard waren gevallen, keerde heel IsraŽl naar Ai terug, en joeg het over de kling.
    8Het getal der gesneuvelden, zowel mannen als vrouwen, bedroeg toen twaalf duizend; het was heel de bevolking van Ai.
    8Eerst nadat JosuŽ alle bewoners van Ai met de ban had geslagen, trok hij zijn hand terug, waarmee hij de speer hield uitgestrekt.
    8Alleen het vee en de have van die stad eigenden de IsraŽlieten zich toe volgens het bevel, dat Jahweh aan JosuŽ had gegeven.
    8Tenslotte liet JosuŽ Ai plat branden, en maakte het voor altijd tot een puinhoop en een woestenij tot op de huidige dag.
    8Den koning van Ai liet hij tot de avond aan een paal hangen: eerst bij zonsondergang beval JosuŽ, het lijk er af te halen. Men wierp het neer bij de ingang van de stadspoort, en stapelde er een grote steenhoop op, die er nu nog ligt.
    8In die tijd bouwde JosuŽ op de berg Ebal een altaar voor Jahweh, IsraŽls God,
    8zoals Moses, de dienaar van Jahweh, het aan de kinderen IsraŽls had bevolen. Het was een altaar van onbehouwen stenen, niet met ijzer bewerkt, zoals het in het boek van Moses was voorgeschreven. Daarop droeg men aan Jahweh brandoffers op, en slachtte men vredeoffers.
    8Daarna liet hij daar, ten aanschouwen van IsraŽls kinderen op de stenen een afschrift aanbrengen van de wet, die Moses had opgeschreven.
    8Toen stelde heel IsraŽl, zowel vreemdelingen als eigen volk, zich op met zijn oudsten, leiders en rechters aan beide kanten van de ark tegenover de levietische priesters, die de ark van Jahweh's Verbond droegen. De ene helft was naar de berg Gerizzim gekeerd, de andere helft naar de berg Ebal; en zoals Moses, de dienaar van Jahweh, had bevolen, werd vooraf het volk van IsraŽl gezegend.
    8Daarna las hij de hele wet hardop voor, de zegening zowel als de vloek; alles zoals het beschreven staat in het boek der wet.
    8Geen woord van alles, wat Moses bevolen had, dat JosuŽ niet voorlas voor het vergaderde volk van IsraŽl: voor de mannen, vrouwen en kinderen, en ook voor de vreemden, die met hen meereisden.
    9Toen alle koningen aan de overzijde van de Jordaan, in het bergland, in de Sjefela en langs heel de kust van de Grote Zee tot de Libanon toe, dit vernamen, verbonden de Chittieten en Amorieten, de Kanašnieten en Perizzieten, de Chiwwieten en Jeboesieten
    9zich met elkander, om met vereende krachten JosuŽ en IsraŽl te bestrijden.
    9Maar zodra de inwoners van Gibon hoorden, wat JosuŽ met Jericho en Ai had gedaan,
    9gingen ook zij listig te werk. Ze begaven zich vermomd op weg, namen versleten zakken voor hun ezels, versleten wijnzakken, gescheurd en genaaid,
    9trokken afgedragen en gelapte sandalen aan hun voeten en versleten kleren aan het lijf, terwijl al het brood voor onderweg al uitgedroogd en verkruimeld was.
    9Zo trokken ze naar JosuŽ in het kamp te Gilgal, en zeiden tot hem en de IsraŽlieten: Wij zijn uit een ver land gekomen; sluit dus met ons een verbond.
    9Maar de IsraŽlieten zeiden tot de Chiwwieten: Misschien woont ge wel vlak bij ons; hoe kunnen we dan met u een verbond sluiten?
    9Toen zeiden ze tot JosuŽ: We zijn uw dienstknechten. Maar JosuŽ vroeg hun: Wie zijt ge, en waar komt ge vandaan?
    9Ze antwoordden hem: Uit een zeer ver land zijn uw dienaren gekomen, om de faam van Jahweh, uw God. Want we hebben van Hem gehoord, en van al wat Hij heeft gedaan in Egypte,
    9en aan de beide amorietische koningen over de Jordaan, Sichon, den koning van Chesjbon, en Og, den koning van Basjan, te Asjtarot.
    9Daarom zeiden onze oudsten en al onze landgenoten tot ons: Neemt levensmiddelen voor onderweg met u mee, gaat hun tegemoet en zegt hun: We zijn uw dienaars; sluit dus een verbond met ons.
    9Dit is ons brood; vers namen we het als proviand uit onze huizen mee, toen we naar u op reis gingen; nu is het uitgedroogd en verkruimeld.
    9Hier zijn de wijnzakken, die we vulden, toen ze nog nieuw waren; nu zijn ze gescheurd. En hier zijn onze kleren en schoenen; ze zijn versleten van de zeer lange reis.
    9Toen namen de mannen van hun proviand, zonder Jahweh te raadplegen.
    9Ook JosuŽ wenste hun de vrede, en sloot met hen een verbond, dat hij hen zou sparen; en de overheden van het vergaderde volk beloofden het hun onder ede.
    9Drie dagen, nadat ze met hen het verbond hadden gesloten, hoorden ze echter, dat ze hun naaste buren waren, en vlak bij hen woonden.
    9Toen braken de IsraŽlieten op, en kwamen de derde dag bij hun steden; het waren Gibon, Kefira, BeŽrot en Kirjat-Jearim.
    9Toch sloegen de zonen IsraŽls hen niet neer, daar de overheden van het vergaderde volk het hun bij Jahweh, IsraŽls God, hadden gezworen. Wel begon het hele volk tegen de overheden te morren,
    9maar al de overheden gaven heel de gemeenschap ten antwoord: We hebben het hun zelf bij Jahweh, IsraŽls God, onder ede beloofd, en kunnen hun dus geen kwaad doen.
    9Dit moeten we doen: We moeten ze sparen, opdat de toorn niet over ons losbreekt om de eed, die we hun hebben gezworen.
    9Daarom bepaalden de overheden te hunnen opzichte, dat ze gespaard zouden blijven, maar dat ze volgens het voorschrift der overheden hout moesten hakken en water putten voor het hele volk.
    9JosuŽ ontbood hen dus, en sprak tot hen: Waarom hebt ge ons bedrogen door te zeggen: We wonen heel ver van u af, terwijl ge toch vlak bij ons woont?
    9Weest daarom vervloekt! Steeds zullen er van u als slaven hout moeten hakken en water putten voor het huis van mijn God.
    9Ze gaven JosuŽ ten antwoord: Het was aan uw dienaren heel goed bekend, dat Jahweh, uw God, aan zijn dienaar Moses gezegd had, dat Hij u het hele land geven zou, en al zijn bewoners voor u zou verdelgen. Daarom werden we zeer bevreesd, dat ge ons het leven zoudt nemen, en hebben we aldus gehandeld.
    9We staan nu te uwer beschikking; doe met ons wat u goed en recht lijkt.
    9Zo deed JosuŽ. Hij redde hen uit de handen der IsraŽlieten, zodat ze hen niet doodden;
    9maar JosuŽ gaf hun die dag tot taak, hout te hakken en water te putten voor heel het volk en voor Jahweh's altaar op de plaats, welke hij zou uitkiezen. En dat doen ze nu nog.
    10Toen Adoni-Sťdek, de koning van Jerusalem, hoorde, dat JosuŽ Ai genomen en met de ban had geslagen, dat hij met Ai en zijn koning gedaan had, zoals hij met Jericho en zijn koning had gedaan, en dat de inwoners van Gibon vrede met IsraŽl hadden gemaakt en zich bij hen hadden aangesloten,
    10werd men zeer bevreesd. Want Gibon was een grote stad, als een van de steden, die een koning hadden; het was groter nog dan Ai, en al zijn mannen waren helden.
    10Daarom zond Adoni-Sťdek, Jerusalems koning, aan Hoham, den koning van Hebron, aan Piram, den koning van Jarmoet, aan Jafia, den koning van Lakisj en aan Debir, den koning van Eglon, deze boodschap:
    10Komt mij helpen, om Gibon te verslaan, daar het met JosuŽ en de IsraŽlieten vrede heeft gesloten.
    10Hierop rukten de vijf amorietische koningen, de koning van Jerusalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmoet, de koning van Lakisj en de koning van Eglon, gezamenlijk met heel hun legermacht uit, legerden zich voor Gibon en vielen het aan.
    10Toen lieten de Gibonieten aan JosuŽ in het kamp van Gilgal vragen: Laat uw dienaren toch niet in de steek, maar kom hier naar toe, om ons te redden en te helpen; want alle amorietische koningen uit het bergland zijn tezamen tegen ons opgerukt.
    10JosuŽ trok dus van Gilgal op met al het krijgsvolk en met alle dappere helden.
    10En Jahweh sprak tot JosuŽ: Wees niet bang voor hen, want Ik lever ze aan u over; niemand van hen zal tegen u stand kunnen houden.
    10Toen JosuŽ, die de hele nacht van Gilgal uit was voortgetrokken, hen dan ook plotseling overviel,
    10bracht Jahweh ze voor IsraŽl in verwarring. Men bracht hun te Gibon een grote nederlaag toe, achtervolgde ze langs de bergpas van Bet-Choron, en bleef op hen inslaan tot Azeka en Makkeda toe.
    10En terwijl ze op de helling van Bet-Choron voor de IsraŽlieten wegvluchtten, wierp Jahweh tot Azeka toe uit de hemel grote stenen op hen neer, waardoor ze gedood werden. Er stierven er meer door de hagelstenen, dan de IsraŽlieten met het zwaard konden doden.
    10Op die dag, toen Jahweh de Amorieten aan de IsraŽlieten prijs gaf, riep JosuŽ Jahweh aan, en sprak in het bijzijn van IsraŽl: Zon, sta stil boven Gibon, Maan boven Ajjalons dal.
    10En de zon stond stil, De maan bleef staan, Tot het volk zich op zijn vijanden had gewroken. (Staat dit niet beschreven in het boek van den Rechtvaardige?) En ongeveer een hele dag lang bleef de zon midden aan de hemel staan, en repte zich niet ten ondergang.
    10Nooit is er vroeger of later een dag geweest, waarop Jahweh zů de bede van een mens heeft verhoord. Waarachtig, het was Jahweh, die voor IsraŽl streed.
    10xxx
    10De vijf genoemde koningen, die op de vlucht waren geslagen, hadden een schuilplaats gezocht in de grot van Makkeda.
    10Men berichtte het JosuŽ: De vijf koningen zijn gevonden, ze houden zich schuil in de grot van Makkeda.
    10Hij zei: Rolt grote stenen voor de ingang van de grot, en plaatst er mannen voor, om hen te bewaken.
    10Maar ge moogt uzelf niet ophouden; zet uw vijanden achterna, hakt op hun achterhoede in, en zorgt er voor, dat ze hun steden niet bereiken; Jahweh, uw God, heeft ze u overgeleverd.
    10Toen JosuŽ en de IsraŽlieten hen geheel verslagen hadden, en hen een geweldige en volkomen nederlaag hadden doen lijden, zodat slechts enkelen hunner waren ontsnapt, en de versterkte steden konden bereiken,
    10keerde het hele volk behouden naar JosuŽ in het kamp van Makkeda terug. Niemand had tegen de IsraŽlieten ook maar zijn tong durven roeren.
    10Nu sprak JosuŽ: Maakt de ingang van de grot vrij, haalt die vijf koningen er uit, en brengt ze bij me.
    10Dit deed men; men haalde de vijf koningen, den koning van Jerusalem, den koning van Hebron, den koning van Jarmoet, den koning van Lakisj en den koning van Eglon uit de grot, en bracht ze bij hem.
    10En toen men die koningen bij JosuŽ had gebracht, riep deze alle IsraŽlieten tezamen, en sprak tot de aanvoerders van het krijgsvolk, die met hem meegetrokken waren: Komt hier, en zet uw voet op de nek van deze koningen. Ze traden nader, en zetten hun voet op hun nek.
    10En JosuŽ sprak: Weest dus niet bang en moedeloos, maar sterk en flink! Want zo zal Jahweh met al uw vijanden doen, tegen wie ge zult strijden.
    10Hierop sloeg JosuŽ ze dood, en liet ze opknopen aan vijf palen, waaraan ze tot de avond bleven hangen.
    10Bij zonsondergang beval JosuŽ, ze van de palen af te halen en ze in de grot te smijten, waar ze zich hadden verborgen. Voor de ingang stapelde men grote stenen op, die er nu nog liggen.
    10In die tijd nam JosuŽ ook Makkeda in, en joeg het met zijn koning over de kling. Hij sloeg de stad en alle levende wezens, die erin waren, met de ban, en spaarde niemand; met den koning van Makkeda deed hij, zoals hij met dien van Jericho had gedaan.
    10Van Makkeda rukte JosuŽ met heel IsraŽl verder tegen Libna op, en viel het aan.
    10En Jahweh leverde ook deze stad met haar koning aan IsraŽl over. Hij joeg haar met alle levende wezens, die erin waren, over de kling, en spaarde er niemand; met haar koning deed hij, zoals hij ook met dien van Jericho had gedaan.
    10Van Libna rukte JosuŽ met heel IsraŽl tegen Lakisj op, belegerde het en viel het aan.
    10En Jahweh leverde Lakisj aan IsraŽl over. Reeds de tweede dag nam hij het in, en joeg de stad met alle levende wezens, die erin waren, over de kling, juist zoals hij met Libna gedaan had.
    10En Horam, den koning van Gťzer, die Lakisj toen nog te hulp kwam, versloeg JosuŽ, hem en zijn volk, zonder iemand te sparen.
    10Van Lakisj rukte JosuŽ met heel IsraŽl naar Eglon op, belegerde het, en viel het aan.
    10Nog dezelfde dag nam men het in, en joeg hij de stad met alle levende wezens, die erin waren, over de kling. Hij sloeg het met de ban, juist zoals hij met Lakisj gedaan had.
    10Van Eglon rukte JosuŽ met heel IsraŽl tegen Hebron op, en viel het aan.
    10Ze namen het in, en joegen de stad met haar koning, en alle bijbehorende stadjes, met alle levende wezens, die erin waren, over de kling. Hij spaarde niemand, juist zoals hij met Eglon had gedaan, maar sloeg de stad en alle levende wezens, die erin waren, met de ban.
    10Vervolgens keerde JosuŽ zich met heel IsraŽl tegen Debir, en viel het aan.
    10Hij nam het in, joeg de stad met haar koning, en alle bijbehorende stadjes, over de kling, en sloeg alle levende wezens, die erin waren, met de ban, zonder iemand te sparen. Zoals hij met Hebron had gedaan, deed hij ook met Debir en zijn koning.
    10Zo trof JosuŽ het hele land: het bergland en de Nťgeb, de Sjefela en de streek der hellingen, met al hun koningen; niemand spaarde hij, maar al wat adem had, sloeg hij met de ban, zoals Jahweh, IsraŽls God, het bevolen had.
    10JosuŽ sloeg hen van Kadesj-Barnťa tot Gaza, met het hele land Gůsjen tot Gibon toe.
    10In ťťn slag maakte JosuŽ zich van al die koningen met hun land meester; want Jahweh, IsraŽls God, streed voor IsraŽl.
    10Toen keerde JosuŽ met heel IsraŽl naar het kamp in Gilgal terug.
    11Zodra Jabin, de koning van Chasor, hiervan hoorde, zond hij boden naar Jobab, den koning van Madon, naar den koning van Sjimron, naar den koning van Aksjaf,
    11en naar de koningen van het noordelijk bergland, van de Araba ten zuiden van Gennezaret, van de Sjefela en van het heuvelachtig gebied van Dor in het westen.
    11Dat waren de Kanašnieten in het oosten en het westen, de Amorieten, Chittieten en Perizzieten, de Jeboesieten in het gebergte, en de Chiwwieten aan de voet van de Hermon in het land van Mispa.
    11Met heel hun legermacht, met drommen, talrijk als het zand aan het strand van de zee, en met een groot aantal paarden en strijdwagens rukten zij uit.
    11En toen al die koningen zich hadden verenigd, gingen ze gezamenlijk hun tenten opslaan bij de wateren van Merom, om IsraŽl te bestrijden.
    11Maar Jahweh sprak tot JosuŽ: Wees niet bang voor hen; want morgen om deze tijd leg Ik ze allen verslagen voor IsraŽl neer; dan moet ge de pezen van de poten hunner paarden doorsnijden, en hun strijdwagens verbranden.
    11Toen JosuŽ dan ook met al zijn krijgsvolk plotseling bij de wateren van Merom verscheen en op hen aanviel,
    11leverde Jahweh ze aan IsraŽl over. Zij versloegen ze en achtervolgden ze tot Groot-Sidon en Misrefot in het westen, en tot de vallei van Mispe in het oosten: zij versloegen ze, tot er niemand meer overbleef.
    11JosuŽ deed met hen, zoals Jahweh hem had gezegd; hun paarden sneed hij de pezen door, en hun strijdwagens verbrandde hij.
    11Bij zijn terugkeer veroverde JosuŽ toen Chasor, en joeg zijn koning over de kling; Chasor stond eertijds aan het hoofd van al die koninkrijken.
    11Zij sloegen alle levende wezens, die erin waren, met de ban, en joegen ze over de kling, zodat geen levend wezen ontkwam; Chasor zelf stak hij in brand.
    11Verder maakte JosuŽ zich meester van alle steden dier koningen en van die koningen zelf; hij sloeg ze met de ban, en joeg ze over de kling, zoals Moses, de dienaar van Jahweh, bevolen had.
    11Doch de steden, die op de heuvels lagen, staken de IsraŽlieten niet in brand, behalve dan Chasor, dat JosuŽ had laten verbranden.
    11Maar heel de have en het vee van die steden maakten de IsraŽlieten buit; alle mensen echter, tot den laatsten man toe, joegen ze over de kling, en geen levend wezen lieten ze achter.
    11Wat Jahweh aan zijn dienaar Moses had bevolen, heeft Moses aan JosuŽ gelast, en JosuŽ bracht het ten uitvoer; hij deed stipt, wat Jahweh aan Moses had voorgeschreven.
    11Zo veroverde JosuŽ heel dit land: het gebergte, heel de Nťgeb, de gehele landstreek Gůsjen, de Sjefela, de Araba, en het israŽlietisch bergland met zijn laagten,
    11van het Chalakgebergte af, dat naar SeÔr oploopt, tot BŠal-Gad in de Libanonvlakte aan de voet van het Hermongebergte. Al hun koningen nam hij gevangen en sloeg ze dood.
    11Lange tijd heeft JosuŽ tegen al die koningen moeten strijden.
    11Er was geen stad, die met de IsraŽlieten vrede sloot, behalve die der Chiwwieten, die in Gibon woonden; alles hebben ze gewapenderhand moeten veroveren.
    11Want Jahweh had het beschikt, dat ze hun hart zouden verstokken, en vijandelijk tegen de IsraŽlieten zouden optreden, opdat men hen met de banvloek zou slaan, en er geen genade voor hen zou wezen, maar opdat men hen zou kunnen verdelgen, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    11In die tijd ging JosuŽ ook nog de Anakieten uitroeien uit het bergland, uit Hebron, Debir, Anab, en uit het gehele gebergte van Juda en IsraŽl. Met hun steden sloeg JosuŽ hen met de ban,
    11zodat er geen Anakieten meer in het land der IsraŽlieten overbleven, behalve in Gaza, Gat en Asjdod.
    11JosuŽ veroverde dus het gehele land, juist zoals Jahweh het Moses gezegd had. Hij gaf het aan IsraŽl ten erfdeel, zoals het elk van zijn stammen toekwam. En het land rustte uit van de strijd.
    12Dit zijn de koningen van het land aan de oostzijde van de Jordaan, die de IsraŽlieten verslagen hebben, en van wier land ze zich hebben meester gemaakt: van de beek Arnon tot het Hermongebergte, met de gehele oostelijke Araba.
    12Vooreerst Sichon, de koning der Amorieten. Hij woonde in Chesjbon, en heerste over de streek van AroŽr af, aan de oever van de beek Arnon, halverwege die beek; over de helft van Gilad, tot de beek Jabbok, de grens van het land der Ammonieten;
    12verder over de Araba, tot aan de oostkant van het meer van Gennezaret, en tot de oostkant van het meer van de Araba, van de Zoutzee namelijk in de richting van Bet-Hajjesjimot en aan de voet der hellingen van de Pisga ten zuiden.
    12Vervolgens Og, de koning van Basjan, ťťn der overgeblevenen van de Refaieten. Hij woonde in Asjtarot en Edrťi,
    12en heerste over het Hermongebergte, en te Salka, over heel Basjan, tot aan het gebied der Gesjoerieten en Maškatieten, en over half Gilad tot aan het gebied van Sichon, den koning van Chesjbon.
    12Moses, de dienaar van Jahweh, en de IsraŽlieten hadden ze verslagen, waarna Moses, de dienaar van Jahweh, het land in bezit had gegeven aan de Rubenieten, de Gadieten en aan de helft van de stam van Manasse.
    12En dit zijn de koningen, die JosuŽ met de IsraŽlieten aan de andere kant, westelijk van de Jordaan, heeft verslagen, van BŠal-Gad af, in de Libanonvlakte, tot het Chalakgebergte, dat naar SeÔr oploopt; en wier land JosuŽ aan de IsraŽlieten, over hun stammen verdeeld, ten bezit heeft gegeven
    12in het bergland, de Sjefela, de Araba, op de hellingen, in de woestijn en in de Nťgeb: de koningen van de Chittieten, Amorieten, Kanašnieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten;
    12de koning van Jericho, de koning van Ai in de buurt van Betel,
    12de koning van Jerusalem, de koning van Hebron.
    12de koning van Jarmoet, de koning van Lakisj,
    12de koning van Eglon, de koning van Gťzer,
    12de koning van Debir, de koning van Gťder,
    12de koning van Chorma, de koning van Arad,
    12de koning van Libna, de koning van Adoellam,
    12de koning van Makkeda, de koning van Betel,
    12de koning van Tappůeach, de koning van Chťfer,
    12de koning van Afek, de koning van Sjaron,
    12de koning van Madon, de koning van Chasor,
    12de koning van Sjimron, de koning van Aksjaf,
    12de koning van Tašnak, de koning van Megiddo,
    12de koning van Kťdesj, de koning van Jokneam op de Karmel,
    12de koning van Dor in het heuvelland van Dor, de koning van het volk van Gilgal,
    12de koning van Tirsa; in het geheel een en dertig koningen.
    13Toen JosuŽ een hoge ouderdom had bereikt, sprak Jahweh tot hem: Ge zijt reeds hoogbejaard, en er valt nog een zeer groot deel van het land in bezit te nemen.
    13Dit nog overgebleven land omvat: alle gebieden der Filistijnen, met heel het land der Gesjoerieten
    13van de beek af ten oosten van Egypte tot de noordgrens van Ekron, die tot Kanašn moeten gerekend worden; het land der vijf filistijnse vorsten van Gaza, Asjdod, Asjkelon, Gat en Ekron, met dat der Awwieten
    13in het zuiden; het hele land der Kanašnieten, van de grot af, die aan de SidoniŽrs behoort, tot Afeka en het gebied der Amorieten toe;
    13het land der Giblieten met de gehele Libanon in het oosten van BŠal-Gad, aan de voet van het Hermongebergte, tot Chamat;
    13heel het land der bergbewoners van de Libanon tot Misrefot in het westen, met dat der SidoniŽrs. Ik zal ze wel voor de IsraŽlieten uitdrijven. Wijs dit land IsraŽl maar vast als erfdeel aan, zoals Ik u bevolen heb,
    13en verdeel het tot erfelijk bezit onder de negen stammen en de halve stam van Manasse.
    13De andere halve stam van Manasse ontving met de Rubenieten en Gadieten hun erfdeel, dat Moses hun oostelijk van de Jordaan had geschonken. Zo had Moses, de dienaar van Jahweh, het hun gegeven:
    13de streek van AroŽr af, aan de oever van de beek Arnon, met de stad halverwege die beek, en de hele vlakte van Medeba tot Dibon;
    13dan alle steden van Sichon, den Amorietenkoning, die in Chesjbon regeerde, tot aan het gebied der Ammonieten;
    13vervolgens Gilad, en het land der Gesjoerieten. en Maškatieten met het gehele Hermongebergte en heel Basjan, tot Salka toe;
    13eveneens het hele koninkrijk van Og in Basjan, die te Asjtarot en Edrťi regeerde en een der overgeblevenen van de Refaieten was, welke Moses verslagen en verdreven had.
    13De IsraŽlieten hebben echter de Gesjoerieten en Maškatieten niet kunnen verdrijven, zodat Gesjoer en Maškat midden in IsraŽl zijn blijven wonen tot op de huidige dag.
    13Alleen aan de stam Levi heeft hij geen erfdeel gegeven; Jahweh, IsraŽls God, moest zijn erfdeel zijn, zoals Jahweh het hem had bevolen.
    13Aan de families van de stam der Rubenieten had Moses haar deel toegewezen.
    13Zij kregen het gebied van AroŽr af, aan de oever van de Arnon, met de stad halverwege die beek, en de gehele vlakte tot Chesjbon,
    13met al zijn steden op die vlakte: Dibon, Bamot-BŠal, en Bet-BŠal-Meon,
    13JŠhas, Kedemot en MefŠat,
    13KirjatŠim, Sibma en Sťret-HassjŠchar op het gebergte der vallei,
    13Bet-Peor met de hellingen van de Pisga en Bet-Hajjesjimot;
    13vervolgens alle steden der vlakte met het hele rijk van den Amorietenkoning Sichon, die in Chesjbon regeerde, en dien Moses verslagen had met de midjanietische vorsten: Ewi, Rťkem, Soer, Choer en Rťba, welke als Sichons vazallen dit land bewoonden,
    13en tegelijk met den waarzegger Balašm, den zoon van Beor, door de IsraŽlieten met het zwaard waren gedood.
    13De grens van Ruben was de Jordaanstreek. Dit is het erfdeel van de families der Rubenieten: de steden met de bijbehorende dorpen.
    13Ook aan de families van de stam der Gadieten had Moses haar deel toegewezen.
    13Zij kregen het gebied van Jazer, met alle steden van Gilad, en het halve land der Ammonieten tot aan AroŽr tegenover Rabba;
    13vervolgens het gebied van Chesjbon tot Ramat-Hammispe en Betonim, en dat van MachanŠim tot aan het gebied van Debir;
    13verder in de vlakte: Bet-Haram en Bet-Nimra, Soekkot en Safon met de rest van het rijk van Sichon, den koning van Chesjbon, en de Jordaanstreek, ten oosten van de Jordaan tot waar het meer van Gennezaret eindigt.
    13Dit is het erfdeel van de families der Gadieten: de steden met haar dorpen.
    13Aan de families van de halve stam van Manasse had Moses eveneens haar deel toegewezen.
    13Zij kregen heel het gebied van Basjan, van MachanŠim af, en het hele rijk van Og, den koning van Basjan; vervolgens alle kampementen van JaÔr in Basjan, zestig steden;
    13half Gilad met Asjtarot en Edrťi, steden van het rijk van Og in Basjan, was voor de families der zonen van Makir, den zoon van Manasse, of liever gezegd van de helft der zonen van Makir.
    13Dit zijn de erfdelen, die Moses had toegewezen in de vlakte van Moab, aan de overzijde van de Jordaan, ten oosten van Jericho.
    13Maar aan de stam Levi heeft Moses geen erfdeel gegeven; Jahweh, IsraŽls God, moest hun erfdeel zijn, zoals hij hun had gezegd.
    14Dit zijn de erfdelen, die de IsraŽlieten in het land Kanašn hebben ontvangen, en die de priester Elazar en JosuŽ, de zoon van Noen, met de familiehoofden der stammen aan de IsraŽlieten hebben toegewezen.
    14Ieder erfdeel werd door het lot bepaald, zoals Jahweh door Moses met betrekking tot de negen en een halve stam had bevolen.
    14Want Moses had aan twee en een halve stam een erfdeel gegeven in het Overjordaanse; aan de Levieten had hij onder hen geen erfdeel gegeven;
    14maar de zonen van Josef vormden twee stammen: Manasse en EfraÔm. Men gaf dus aan de Levieten geen aandeel in het land, maar alleen steden, om er te wonen, met bijbehorende weidegrond voor hun vee en hun have.
    14Zoals Jahweh het Moses bevolen had, zo hebben de IsraŽlieten ook gedaan bij de verdeling van hun land.
    14Toen nu de JudeŽrs bij JosuŽ te Gilgal kwamen, zei Kaleb, de zoon van Jefoenne, de Kenizziet, tot hem: Gij weet, wat Jahweh aangaande mij en u tot Moses, den man van God, te Kadesj-Barnťa heeft gesproken.
    14Ik was veertig jaar, toen Moses, de dienaar van Jahweh, mij van Kadesj-Barnťa uitzond, om het land te verspieden, en naar geweten heb ik hem verslag uitgebracht;
    14en terwijl mijn broeders, die met mij waren opgetrokken, het volk maar angstig maakten, bleef ik getrouw aan Jahweh, mijn God.
    14Daarom verklaarde Moses toentertijd onder ede: Het land, waarop gij uw voet hebt gezet, zal u en uw zonen voor altijd tot erfdeel zijn, omdat gij Jahweh, mijn God, trouw zijt gebleven.
    14Welnu, Jahweh heeft mij naar zijn belofte reeds vijf en veertig jaar in het leven gespaard, sinds Jahweh aldus tot Moses heeft gesproken: al die tijd, dat IsraŽl in de woestijn heeft omgezworven. Nu ben ik vijf en tachtig jaar geworden,
    14maar op de dag van vandaag nog even sterk, als toen Moses mij uitzond; zoals toen heb ik nu nog de kracht, om te strijden, om uit te trekken en terug te keren.
    14Geef me nu deze bergstreek, waarover Jahweh destijds gesproken heeft; want ge hebt toen zelf gehoord, dat daar Anakieten wonen, en grote versterkte steden zijn. Wellicht zal ik ze, naar het woord van Jahweh, met zijn hulp kunnen uitdrijven
    14Toen zegende JosuŽ Kaleb, den zoon van Jefoenne, en gaf hem Hebron tot erfdeel.
    14Zo is Hebron tot op de huidige dag erfbezit van Kaleb, den zoon van Jefoenne, den Kenizziet, omdat hij trouw is gebleven aan Jahweh, den God van IsraŽl.
    14Hebron werd vroeger Kirjat-Arba genoemd; deze Arba was de grote man onder de Anakieten. En het land rustte uit van de strijd.
    15Wat door het lot aan de families van de stam der JudeŽrs werd toegewezen, strekte zich uit tot het gebied van Edom, van de woestijn Sin af tot Kadesj in het zuiden.
    15Hun zuidelijke grens begon onderaan de Zoutzee, van de baai af, die zuidwaarts loopt;
    15zij boog ten zuiden van het hoge Akrabbim af, liep dan over Sin, en steeg naar het zuiden van Kadesj-Barnťa; vervolgens liep ze over Chasar-Addar, en met een bocht naar Karka;
    15verder ging ze naar Asmon, om uit te komen aan de beek van Egypte, zodat de grens uitliep op de zee. Dit was dus hun zuidelijke grens.
    15De oostelijke grens was de Zoutzee tot aan de monding van de Jordaan. De noordelijke grens begon bij de baai aan de uitmonding van de Jordaan;
    15ze steeg naar Bet-Chogla, liep ten noorden van Bet-Hašraba, naar de steen van Bůhan, den zoon van Ruben,
    15en vervolgens naar Debir, op enige afstand van de vallei van Akor; daarna boog ze noordwaarts naar Gilgal af, tegenover de pas van Adoemmim ten zuiden van de beek, en verder naar de wateren van En-Sjťmesj, tot ze uitkwam bij En-Rogel.
    15Daarna steeg de grens door het Ben-Hinnomdal naar de zuidelijke bergrug der Jeboesieten, waar Jerusalem lag; verder steeg ze naar de top van de berg, die westelijk tegenover het Hinnomdal ligt, dat zich aan het noordelijk uiteinde van de vallei der Refaieten bevindt.
    15Van de top van de berg keerde de grens zich naar de bron van de wateren van Neftůach, kwam uit bij de steden van het Efrongebergte, en boog daarna om naar Bašla, ook Kirjat-Jearim geheten.
    15Vervolgens liep de grens van Bašla met een bocht westwaarts naar het SeÔrgebergte, en verder over de bergrug van Jearim naar het noorden, waar Kesalon lag. Daarna daalde ze af naar Bet-Sjťmesj en verder naar Timna,
    15tot het noorden van de bergrug van Ekron; dan boog ze naar Sjikkeron af, liep door over de berg Bašla, en kwam uit bij JabneŽl, zodat de grens aan de zee eindigde.
    15De westelijke grens was de Grote Zee met haar kust. Dit zijn dan naar alle zijden de grenzen van de families der JudeŽrs.
    15Volgens Jahweh's opdracht gaf JosuŽ aan Kaleb, den zoon van Jefoenne, een aandeel midden onder de JudeŽrs, namelijk Kirjat-Arba of Hebron; deze Arba was de vader van Anak.
    15Daaruit verdreef Kaleb de drie Anaks-kinderen Sjesjai, Achiman en Talmai, de zonen van Anak.
    15Vandaar trok hij op tegen de bevolking van Debir; Debir werd vroeger Kirjat-Sťfer genoemd.
    15Toen zei Kaleb: Wie Kirjat-Sťfer aanvalt en inneemt, geef ik mijn dochter Aksa tot vrouw.
    15OtniŽl, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, nam het in; en deze gaf hem dus zijn dochter Aksa tot vrouw.
    15Maar toen zij aankwam, spoorde hij haar aan, haar vader akkerland te vragen. Ze boog zich dus van den ezel neer, zodat Kaleb haar vroeg: Wat is er?
    15Ze zeide: Schenk mij een gift; nu ge mij eenmaal voor de Nťgeb bestemd hebt, moet ge mij ook waterbronnen geven. En hij gaf haar bronnen in het hoogland en laagland.
    15Dit was het erfdeel der families van de stam der JudeŽrs.
    15De verst afgelegen steden van de stam der JudeŽrs in de Nťgeb, tegen het gebied van Edom aan, waren KabseŽl, Eder, Jagoer,
    15Kina, Dimona, Adada,
    15Kťdesj, Chasor, Jitnan,
    15Zif, Tťlem, Bealot,
    15Chasor-Chadatta, Keri-jot-Chesron, dat is Chasor,
    15Amam, Sjema, Molada,
    15Chasar-Gadda, Chesjmon, Bet-Pťlet,
    15Chasar-Sjoeal, BeŽr-Sjťba en onderhorige plaatsen;
    15Bašla, Ijjim, Esem,
    15Eltolad, Kesil, Chorma,
    15Sikelag, Madmanna, Sansanna,
    15Lebaot, Sjilchim en En-Rimmon; in het geheel negen en twintig steden met haar dorpen.
    15In de Sjefela: Esjtaol, Sora, Asjna,
    15Zanůach, En-Gannim, Tappůeach, Enam,
    15Jarmoet, Adoellam, Soko, Azeka,
    15SjašrŠim, AditŠim, Gedera en GederotŠim; veertien steden met haar dorpen.
    15Senan, Chadasja, Migdal-Gad,
    15Dilan, Mispe, JokteŽl,
    15Lakisj, Boskat, Eglon,
    15Kabbon, Lachmas, Kitlisj,
    15Gederot, Bet-Dagon, Našma en Makkeda; zestien steden met haar dorpen.
    15Libna, …ter, Asjan,
    15Jiftach, Asjna, Nesib,
    15KeÔla, Akzib en Maresja; negen steden met haar dorpen.
    15Ekron met onderhorige plaatsen en dorpen.
    15Van Ekron af naar de zee alle plaatsen met haar dorpen, terzijde van Asjdod;
    15Asjdod en Gaza met beider onderhorige plaatsen en dorpen, tot aan de beek van Egypte; de Grote Zee en de kuststreek waren hier de grens.
    15In het bergland: Sjamir, Jattir, Soko,
    15Danna, Kirjat-Sanna, ook Debir geheten;
    15Anab, Esjtemo, Anim,
    15Gůsjen, Cholon en Gilo; elf steden met haar dorpen.
    15Arab, Doema, Esjan,
    15Janim, Bet-Tappůeach, Afeka,
    15Choemta, Kirjat-Arba, ook Hebron geheten, en Sior; negen steden met haar dorpen.
    15Maon, Karmel, Zif, Joetta,
    15JizreŽl, Jokdeam, Zanůeach,
    15HakkŠjin, Giba en Timna; tien steden met haar dorpen.
    15Chalchoel, Bet-Soer, Gedor.
    15Mašrat, Bet-Anot, Eltekon; zes steden met haar dorpen. Tekůa, EfrŠta of Betlehem, Peor, Etam, Kolan, Tetam, Sores, Kťrem, Gallim, Bťter en Menocho; elf steden met haar dorpen.
    15Kirjat-BŠal, ook Kirjat-Jearim geheten, en Harabba; twee steden met haar dorpen.
    15In de woestijn: Bet-Hašraba, Middin, Sekaka,
    15Nibsjan, Ir-Hammťlach en En-Gťdi; zes steden met haar dorpen.
    15Wat de Jeboesieten betreft, die in Jerusalem woonden, hen konden de JudeŽrs niet uitdrijven, zodat de Jeboesieten tezamen met de JudeŽrs in Jerusalem wonen tot op de huidige dag.
    16Daarna viel het lot voor de zonen van Josef. Hun zuidelijke grens liep van de Jordaan bij Jericho, oostelijk van de wateren van Jericho, langs de woestijn, die van Jericho door het gebergte oploopt naar Betel of Loez,
    16dan van Betel uit verder naar het gebied der Arkieten tot Atarot;
    16vervolgens ging ze westwaarts omlaag naar het gebied der Jafletieten tot dat van Laag Bet-Choron en tot Gťzer, en eindigde bij de zee.
    16De zonen van Josef, EfraÔm en Manasse, kregen het volgend erfdeel:
    16Dit was het gebied van de families der EfraÔmieten: De oostelijke grens van hun erfdeel was Atrot-Addar tot Hoog Bet-Choron.
    16De westelijke grens liep tot Mikmetat in het noorden, boog dan oostwaarts naar Tašnat-Sjilo, en verder tot ten oosten van Janůach;
    16van Janůach daalde ze tot Atarot en Našrata, en ging langs Jericho, tot ze uitkwam bij de Jordaan.
    16Van Tappůeach liep de grens westwaarts naar de beek Kana, en eindigde bij de zee. Dit is het erfdeel van de families van de stam der EfraÔmieten.
    16Verder nog de steden, die voor de EfraÔmieten midden in het erfdeel der kinderen van Manasse waren afgezonderd, al die steden met haar dorpen.
    16Maar de Kanašnieten, die in Gťzer woonden, verdreven ze niet, zodat de Kanašnieten midden in EfraÔm bleven wonen tot op de huidige dag; ze werden echter dienstplichtig.
    17Daarna werd door het lot een deel aan Manasse toegewezen; hij was Josefs eerstgeborene. Makir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilad, kreeg Gilad en Basjan, daar hij een krijgshaftig man was.
    17Maar ook de families van de overige zonen van Manasse kregen hun deel. Het waren de nakomelingen van Abiťzer: de zonen van Chťlek, AsriŽl, Sjťkem, Chťfer en Sjemida; dit zijn de mannelijke nakomelingen van Manasse, den zoon van Josef, naar hun families.
    17Selofchad echter, de zoon van Chťfer, zoon van Gilad, zoon van Makir, den zoon van Manasse, had geen zonen maar alleen dochters; ze heetten Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa.
    17Dezen verschenen voor den priester Elazar, voor JosuŽ, den zoon van Noen, en voor de overheden, en zeiden: Jahweh heeft Moses bevolen, ons een erfdeel te geven onder onze broeders. En men gaf haar naar Jahweh's voorschrift een erfdeel te midden van de broeders van haar vader.
    17Zo verviel het aandeel van Manasse in tien stukken, behalve nog Gilad en Basjan in het Overjordaanse;
    17want ook de dochters van Manasse kregen een erfdeel te midden van zijn zonen. Het land Gilad kwam aan de overige zonen van Manasse.
    17De grens van Manasse liep van Asjer naar Mikmetat, dat oostelijk van Sikem ligt, en verder zuidwaarts naar de bewoners van En-Tappůeach.
    17Het land Tappůeach behoorde aan Manasse, maar Tappůeach zelf, op de grens van Manasse, was van de EfraÔmieten.
    17Vervolgens daalde de grens naar de beek Kana af, zuidelijk van de beek. Genoemde steden hoorden bij EfraÔm, ofschoon ze midden tussen die van Manasse lagen. De grens van Manasse liep verder ten noorden van de beek, en eindigde bij de zee.
    17Het zuidelijk deel behoorde dus aan EfraÔm, het noordelijk aan Manasse; de zee was hun grens. In het noorden raakten ze aan Aser, in het oosten aan Issakar.
    17In Issakar en Aser behoorden bovendien tot Manasse: Bet-Sjean, Jibleam en de bewoners van Dor met onderhorige plaatsen; verder de bewoners van En-Dor, van Tašnak, van Megiddo met onderhorige plaatsen: drie heuvelstreken.
    17De kinderen van Manasse konden die steden echter niet veroveren, zodat de Kanašnieten rustig in dit land bleven wonen.
    17Eerst toen de IsraŽlieten machtig geworden waren, maakten ze de Kanašnieten dienstplichtig; maar verdreven hebben ze hen niet.
    17Maar nu spraken de zonen van Josef tot JosuŽ: Waarom hebt gij mij tenslotte slechts ťťn lot en ťťn deel tot erfbezit gegeven, terwijl ik toch een zo talrijk volk ben, daar Jahweh mij tot dusver heeft gezegend?
    17JosuŽ antwoordde hun: Als ge zulk een talrijk volk zijt, trekt dan zelf op naar het bosgebied in het land der Perizzieten en Refaieten, en ontgint het, wanneer het bergland van EfraÔm te eng voor u is.
    17Maar de zonen van Josef zeiden: Het bergland is zeker niet voldoende voor ons; maar al de Kanašnieten, die in de vlakte wonen, hebben ijzeren strijdwagens, zowel die in Bet-Sjean met zijn onderhorige plaatsen wonen, als die in de vlakte van JizreŽl.
    17Toen sprak JosuŽ tot het huis van Josef, tot EfraÔm en Manasse: Gij zijt een talrijk volk en beschikt over grote kracht; ge zult niet slechts ťťn lot hebben.
    17Want niet alleen het bergland zal u toebehoren, maar ook het bosgebied met zijn bronnen, dat ge kunt ontginnen. Waarachtig, ge zult de Kanašnieten uitdrijven, ook al hebben ze ijzeren wagens, en al zijn ze nog zo sterk.
    18Daarna kwam het gehele israŽlietische volk te Sjilo bijeen, waar het de openbaringstent plaatste. Ofschoon het land hun nu volkomen onderworpen was,
    18waren er onder de IsraŽlieten nog zeven stammen, die hun erfdeel niet hadden verdeeld.
    18Daarom sprak JosuŽ tot de IsraŽlieten: Hoelang zult ge nog te traag zijn, om het land binnen te trekken en in bezit te nemen, dat Jahweh, de God van uw vaderen, u heeft gegeven?
    18Wijst nu uit iedere stam drie mannen aan, die ik zal uitzenden. Ze zullen zich gereed maken, het land te doorkruisen, er een beschrijving van geven, zover dit voor hun erfdeel nodig is, en dan bij mij terugkomen.
    18Ge moet het in zeven stukken verdelen; Juda zal zijn gebied in het zuiden, en het huis van Josef zijn gebied in het noorden behouden.
    18Stelt dus een beschrijving van het land in zeven delen op, en brengt die hier bij mij; dan zal ik hier voor het aanschijn van Jahweh, onzen God, het lot voor u werpen.
    18Want de Levieten hebben geen aandeel onder u, daar het priesterschap van Jahweh hun erfdeel is; en Gad en Ruben en de halve stam van Manasse hebben reeds hun erfdeel aan de oostzijde van de Jordaan, dat Moses, de dienaar van Jahweh, hun heeft gegeven.
    18De mannen maakten zich dan gereed en gingen op weg, terwijl JosuŽ hun bij hun vertrek opdroeg, een beschrijving van het land te maken. Hij zeide: Gaat en doorkruist het land, stelt er een beschrijving van op, en komt dan bij mij terug; dan zal ik hier te Sjilo voor het aanschijn van Jahweh het lot voor u werpen.
    18En de mannen gingen heen, trokken het land door, stelden er een beschrijving in zeven delen van op schrift, stad voor stad, en kwamen bij JosuŽ in het kamp te Sjilo terug.
    18Toen wierp JosuŽ te Sjilo voor hen het lot voor het aanschijn van Jahweh, en verdeelde daar het land onder de groepen der IsraŽlieten.
    18Het eerste lot viel voor de families van de stam der Benjamieten; het gebied, dat het lot hun toewees, lag tussen de zonen van Juda en Josef.
    18Hun noordelijke grens begon bij de Jordaan, liep dan naar boven langs de noordzijde van de bergrug van Jericho, en verder westwaarts het gebergte op, om te eindigen bij de woestijn van Bet-Awen.
    18Vandaar ging de grens verder naar Loez, ten zuiden van de bergrug van Loez, of Betel; en dan omlaag tot Atrot-Addar op het gebergte, ten zuiden van Laag Bet-Choron.
    18Van het gebergte zuidelijk tegenover Bet(-)Choron draaide ze met een bocht in zuidwestelijke richting, en eindigde bij Kirjŗt-BŠal of Kirjat-Jearim, een stad van de JudeŽrs. Dit was de westelijke punt.
    18Aan de zuidkant liep de grens van de uiterste punt van KirjŠt-Jearim in het westen tot bij de bron van de wateren van Neftůach;
    18ze daalde vervolgens tot de uitlopers van het gebergte, dat tegenover het Ben-Hinnomdal en noordelijk van de vallei der Refaieten ligt; dan ging ze verder omlaag naar het Hinnomdal, zuidelijk van de bergrug der Jeboesieten, en nog meer omlaag naar En-Rogel.
    18Daarna boog ze om in noordelijke richting, kwam uit bij En-Sjťmesj, vervolgens bij de steenhopen tegenover de bergpas van Adoemmim, en daalde tot de steen van Bůhan, den zoon van Ruben.
    18Verder liep ze ten noorden van de bergketen van Bet-Hašraba, dan omlaag de Araba in;
    18vervolgens ten noorden van de bergrug van Bet-Chogla, om te eindigen bij de noordelijke baai van de Zoutzee, aan de zuidelijke monding van de Jordaan. Dit was de zuidelijke grens.
    18De Jordaan vormde de oostelijke grens. Dit was het erfdeel van de families der Benjamieten met zijn grenzen aan alle kanten.
    18De steden van de families der Benjamieten waren: Jericho, Bet-Chogla, …mek-Kesis,
    18Bet-Hašraba, SemarŠim, Betel,
    18Awwim, Para, Ofra,
    18Kefar-Hašmmoni, Ofni en Gťba; twaalf steden met haar dorpen.
    18Gibon, Rama, BeŽrot,
    18Mispe, Kefira, Mosa,
    18Rťkem, JirpeŽl, Tarala,
    18Sťla, Haťlef, Jeboes of Jerusalem, Gibat en Kirjat-Jearim; veertien steden met haar dorpen. Dit was het erfdeel van de families der Benjamieten.
    19Het tweede lot viel voor Simeon, voor de families van de stam der Simeonieten. Hun erfdeel lag midden tussen dat der JudeŽrs.
    19In hun erfdeel hadden ze: BeŽr-Sjťba, Molada,
    19Chasar-Sjoeal, Bala, …sem,
    19Eltolad, Betoel, Chorma,
    19Sikelag, Bet-Hammarkabot, Chasar-Soesa,
    19Bet-Lebaot en Sjaroechen; dertien steden met haar dorpen.
    19En-Rimmon, Tůken, …ter en Asjan; vier steden met haar dorpen.
    19Ook alle dorpen rondom deze steden, tot Bašlat-BeŽr, het Rama van de Nťgeb. Dit was het erfdeel van de families van de stam der Simeonieten.
    19Het aandeel der Simeonieten werd van het stuk der JudeŽrs genomen; want het stuk der JudeŽrs was voor hen te groot; daarom kregen de Simeonieten een erfdeel in het hunne.
    19Het derde lot viel voor de families der Zabulonieten. De grens van hun erfdeel reikte tot Sarid.
    19Ze liep in westelijke richting op naar Marala, raakte Dabbťsjet en vervolgens de rivier tegenover Jokneam.
    19Van Sarid liep ze oostwaarts terug naar het gebied van Kislot-Tabor, kwam uit bij Daberat, en ging verder opwaarts naar Jafia.
    19Vandaar liep ze oostwaarts over Gat-Chťfer naar Et-Kasin, en kwam uit bij Rimmon. Dan boog ze om naar Nea,
    19liep langs het noorden daaromheen naar Channaton, om te eindigen in het dal van Jiftach-El.
    19Kattat, Nahalal, Sjimron, Jidala en Betlehem; twaalf steden met haar dorpen.
    19Deze steden met haar dorpen vormden het erfdeel van de families der Zabulonieten.
    19Het vierde lot viel voor Issakar, voor de families der Issakarieten.
    19Hun gebied omvatte: JizreŽl, Kesoellot, Sjoenem,
    19ChafarŠim, Sjion, Anacharat,
    19Rabbit, Kisjjon, …bes,
    19Rťmet, En-Gannim, En-Chadda en Bet-Passes.
    19De grens raakte Tabor, Sjachasima en Bet-Sjťmesj, en eindigde bij de Jordaan; zestien steden met haar dorpen.
    19Die steden met haar dorpen vormden het erfdeel van de families van de stam der Issakarieten.
    19Het vijfde lot viel voor de families van de stam der Aserieten.
    19Hun grens liep over Chelkat, Chali, Bťten, Aksjaf,
    19Alammťlek, Amad, Misjal, en raakte in het westen de Karmel en de stroom Libnat.
    19Dan liep ze terug in oostelijke richting naar Bet-Dagon, raakte Zabulon en het dal van Jiftach-El in het noorden, ging verder naar Bet-Haťmek en NeÔťl, en kwam ten noorden van Kaboel uit.
    19Vervolgens liep ze naar Ebron, Rechob, Chammon en Kana, tot Groot-Sidon.
    19Daarna liep de grens terug tot Rama en tot de versterkte stad Tyrus, en verder naar Chosa, om te eindigen aan de zee, aan de kust bij Akziba.
    19Ook Oemma, Afek en Rechob behoorden er toe; twee en twintig steden met haar dorpen.
    19Deze steden met haar dorpen vormden het erfdeel van de families van de stam der Aserieten.
    19Het zesde lot viel voor de Neftalieten, voor de families der Neftalieten.
    19Hun grens liep van Chťlef, van de eik van Sašnannim, en over Adami-Hannťkeb en JabneŽl tot Lakkoem, en eindigde bij de Jordaan.
    19Dan liep ze in westelijke richting terug naar Aznot-Yabor, en kwam vandaar bij Choekkok uit. Ze raakte aan Zabulon in het zuiden, aan Aser in het westen, en aan de Jordaan in het oosten.
    19Versterkte steden waren: Hassiddim, Ser, Chammat, Rakkat, Gennezaret,
    19Adama, Rama, Chasor,
    19Kťdesj, Edrťi, En-Chasor,
    19Jiron, Migdal-El, Chorem, Bet-Anat en Bet-Sjťmesj; negentien steden met haar dorpen.
    19Deze steden met haar dorpen vormden het erfdeel van de families van de stam der Neftalieten.
    19Het zevende lot viel voor de families van de stam der Danieten.
    19De grens van hun erfdeel liep over Sora, Esjtaol, Ir-Sjťmesj,
    19Sjašlabbin, Ajjalon, Jitla,
    19Elon, Timnata, Ekron,
    19Elteke, Gibton, Bašlat, Jehoed,
    19Bene-Berak, Gat-Rimmon,
    19Me-Hajjarkon en Harakkon, met inbegrip van het gebied tegenover Joppe.
    19Maar toen het gebied der Danieten te eng voor hen werd, trokken ze op, vielen Lťsjem aan, namen het in, en joegen het over de kling. Ze namen het in bezit, gingen er wonen, en gaven aan Lťsjem de naam Dan, zoals hun vader heette.
    19Deze steden met haar dorpen vormden het erfdeel van de families van de stam der Danieten.
    19Toen de IsraŽlieten de verschillende gebieden van het land als erfdeel hadden verdeeld, bepaalden zij in hun midden een erfdeel voor JosuŽ, den zoon van Noen.
    19Op Jahweh's bevel gaven ze hem de stad, waarom hij verzocht had, Timnat-Sťrach in het bergland van EfraÔm. Hij versterkte die stad, en vestigde er zich.
    19Dit zijn dan de erfdelen, die de priester Elazar en JosuŽ, de zoon van Noen, met de familiehoofden aan de stammen der IsraŽlieten door het lot hebben toegewezen te Sjilo voor het aanschijn van Jahweh, aan de ingang van de openbaringstent. En zo kwamen ze gereed met de verdeling van het land.
    20Daarna sprak Jahweh tot JosuŽ:
    20Zeg aan de IsraŽlieten: Bepaalt nu zelf de vrijsteden, waarover Ik u door Moses gesproken heb,
    20steden, waarheen een moordenaar kan vluchten, die iemand bij ongeluk en zonder opzet gedood heeft, en die voor u een toevluchtsoord zullen zijn tegen den bloedwreker.
    20Wanneer dan iemand naar een van deze steden vlucht, bij de ingang van de stadspoort blijft staan, en ten aanhoren van de oudsten van die stad zijn belangen bepleit, dan moeten ze hem bij zich in de stad opnemen en hem een plaats aanwijzen, waar hij bij hen kan wonen.
    20En als de bloedwreker hem achtervolgt, mogen ze hem den moordenaar niet uitleveren, omdat hij zijn evenmens niet met opzet gedood heeft, en te voren geen wrok tegen hem heeft gekoesterd.
    20Hij zal in die stad mogen blijven, tot hij voor het vergaderde volk terecht heeft gestaan, of tot de dood van den hogepriester, die er dan is. Dan zal de moordenaar weer naar zijn eigen stad en huis kunnen gaan, of naar de stad, van waaruit hij gevlucht was.
    20Zo wezen ze Kťdesj aan in Galilea, in het gebergte van Neftali; Sikem in het bergland van EfraÔm; Kirjat-Arba of Hebron in het gebergte van Juda.
    20En in het Overjordaanse, ten oosten van Jericho, wezen ze Bťser aan in de woestijn op de vlakte uit de stam Ruben; Ramot in Gilad uit de stam Gad; en Golan in Basjan uit de stam Manasse.
    20Dit zijn dus de steden, die voor alle IsraŽlieten en voor alle onder hen vertoevende vreemdelingen werden aangewezen, en waarheen iedereen, die een ander per ongeluk gedood had, kon vluchten, opdat hij niet door de hand van den bloedwreker zou sterven, alvorens hij voor het vergaderde volk terecht had gestaan.
    21Nu verschenen de familiehoofden der Levieten bij den priester Elazar, bij JosuŽ, den zoon van Noen, en bij de familiehoofden van de israŽlietische stammen te Sjilo in het land Kanašn,
    21en spraken tot hen: Jahweh heeft door Moses bevolen, ons steden te geven, om er te wonen, met bijbehorende weidegrond voor ons vee.
    21Daarom gaven de IsraŽlieten naar Jahweh's bevel de volgende steden met haar weidegronden aan de Levieten.
    21Het lot viel het eerst voor de families der Kehatieten. De zonen van Ašron, den levietischen priester, kregen door loting dertien steden uit de stammen Juda, Simeon en Benjamin,
    21terwijl de overige families der Kehatieten door het lot tien steden ontvingen uit de stammen EfraÔm, Dan en de halve stam van Manasse.
    21De Gersjonieten kregen door het lot dertien steden uit de stammen Issakar, Aser, Neftali en de halve stam van Manasse in Basjan.
    21De families der Merarieten kregen twaalf steden uit de stammen Ruben, Gad en Zabulon.
    21Dit zijn de steden met haar weidegronden, welke de IsraŽlieten door het lot aan de Levieten afstonden, zoals Jahweh het door Moses bevolen had.
    21Uit de stammen van de JudeŽrs en Simeonieten gaven ze de volgende, met name genoemde steden:
    21Aan de Ašronieten, een van de geslachten der Kehatieten, die tot de Levieten behoorden,
    21en voor wie het eerste lot was gevallen, gaven ze: Kirjat-Arba of Hebron (deze Arba is de vader van Anak) in het judese bergland met zijn omliggende weidegronden.
    21Het akkerland van die stad en haar dorpen hadden ze reeds aan Kaleb, den zoon van Jefoenne. in eigendom gegeven;
    21aan de zonen van den priester Ašron gaven ze dus Hebron, de vrijstad voor den moordenaar, met haar weidegronden. Daarenboven Libna,
    21Jattir, Esjtemůa,
    21Cholon, Debir,
    21Ain, Joetta, Bet-Sjťmesj; te zamen negen steden uit deze beide stammen, allen met bijbehorende weidegronden.
    21Uit de stam Benjamin: Gibon, Gťba,
    21Anatot, Almon, elk met zijn weidegronden; vier steden.
    21In het geheel dus dertien steden met haar bijbehorende weidegronden voor de ašronietische priesters.
    21Ook de overige levietische families der Kehatieten, de overige zonen van Kehat, kregen de hun door het lot toegewezen steden. Uit de stam EfraÔm
    21gaf men hun Sikem, de vrijstad voor den moordenaar, in het bergland van EfraÔm, met Gťzer,
    21KibsŠim en Bet-Choron met bijbehorende weidegronden; vier steden.
    21Uit de stam Dan: Elteke, Gibton,
    21Ajjalon en Gat-Rimmon met hun weidegronden; vier steden.
    21Uit de halve stam van Manasse: Tašnak en Jibleam met hun weidegronden; twee steden.
    21In het geheel dus tien steden met haar weidegronden voor de families van de overige Kehatieten.
    21De Gersjonieten, een ander geslacht der Levieten, kregen uit de halve stam van Manasse: Golan, de vrijstad voor den moordenaar in Basjan, met BeŽsjtera en hun weidegronden; twee steden.
    21Uit de stam Issakar: Kisjon, Daberat,
    21Jarmoet en En-Gannim, elk met zijn weidegronden; vier steden.
    21Uit de stam Aser: Misjal, Abdon,
    21Chelkat en Rechob met hun weidegronden; vier steden.
    21Uit de stam Neftali: Kťdesj, de vrijstad voor den moordenaar in Galilea, met Chammot-Dor en Kartan en hun bijbehorende weidegronden; drie steden.
    21In het geheel dus dertien steden, met haar bijbehorende weidegronden voor de families der Gersjonieten.
    21De families der Merarieten, de overige Levieten, kregen uit de stam Zabulon: Jokneam, Karta,
    21Dimna en Nahalal, met bijbehorende weidegronden; vier steden.
    21Uit de stam Ruben: Bťser, JŠhas,
    21Kedemot en MefŠat, met hun weidegronden; vier steden.
    21Uit de stam Gad: Ramot, de vrijstad voor den moordenaar in Gilad, met MachanŠim,
    21Chesjbon en Jazer, met hun weidegronden; vier steden.
    21In het geheel dus twaalf steden volgens lot voor de overblijvende levietische families der Merarieten.
    21Alles tezamen waren er dus te midden van de bezittingen der IsraŽlieten acht en veertig Levieten-steden met bijbehorende weidegronden.
    21Die steden bestonden telkens uit een stad met weidegrond er om heen; dit geldt voor al die steden.
    21Zo gaf Jahweh aan IsraŽl het gehele land, dat Hij hun vaderen gezworen had te zullen geven. Zij namen het in bezit, en gingen er wonen.
    21En Jahweh gaf hun naar alle kanten rust, juist zoals Hij het hun vaderen onder ede beloofd had. Geen van hun vijanden kon voor hen stand houden; want Jahweh leverde hun al hun vijanden uit.
    21Niet ťťn van alle beloften, die Jahweh het huis van IsraŽl had gedaan, bleef onvervuld; allen werden zij ingelost.
    22Toen riep JosuŽ de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse,
    22en sprak tot hen: Ge hebt u gehouden aan al wat Moses, de dienaar van Jahweh, u had geboden, en ook mij hebt ge gehoorzaamd in alles, wat ik u bevolen heb.
    22Lange tijd hebt ge uw broeders niet in de steek gelaten, en tot de dag van vandaag de voorschriften van Jahweh, uw God, opgevolgd.
    22Nu echter Jahweh, uw God, aan uw broeders rust heeft verleend, zoals Hij hun had beloofd, moogt ge terugkeren naar uw tenten en naar uw erfland, dat Moses, de dienaar van Jahweh, u in het Overjordaanse heeft geschonken.
    22Maar onderhoudt nauwgezet het gebod en de wet, die Moses, de dienaar van Jahweh, u heeft voorgeschreven: hebt Jahweh, uw God, lief, bewandelt zijn wegen, geeft acht op zijn geboden, hangt Hem aan, en dient Hem met heel uw hart en heel uw ziel.
    22Daarop zegende JosuŽ hen, en liet hen gaan. En ze gingen naar hun tenten terug.
    22Aan de ene helft van de stam van Manasse had Moses in Basjan land gegeven, aan de andere helft had JosuŽ hetzelfde gedaan ten westen van de Jordaan, evenals aan hun broeders. Maar toen JosuŽ hen met zijn zegen naar hun tenten liet gaan,
    22sprak hij tot hen bovendien: Keert terug naar uw tenten met grote schatten en zeer veel vee, en met een overvloed van zilver, goud, koper, ijzer en kleren; deelt met uw broeders de buit, op uw vijanden behaald.
    22Zo keerden de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse terug, en trokken uit Sjilo, dat in het land Kanašn ligt, van de IsraŽlieten weg, om naar het land Gilad te gaan, dat hun eigendom was, en waar ze zich gevestigd hadden op Jahweh's bevel, dat hun door Moses was afgekondigd.
    22Toen nu de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse bij de steenhopen aan de Jordaan, die nog in het land Kanašn liggen, waren gekomen, bouwden ze daar bij de Jordaan een altaar, en nog wel een opvallend groot.
    22De IsraŽlieten hoorden ervan; want men vertelde: De Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse hebben bij de grens van het land Kanašn, bij de steenhopen aan de Jordaan, aan de kant der IsraŽlieten, een altaar gebouwd.
    22Zodra de IsraŽlieten deze geruchten vernamen, kwamen ze allen te Sjilo bijeen, om tegen hen ten strijde te trekken.
    22Ze zonden den priester Pinechas, den zoon van Elazar, naar de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse in het land Gilad.
    22Tien vorsten vergezelden hem, ťťn familievorst uit elke stam van IsraŽl, en ieder van hen familiehoofd in een van IsraŽls geslachten.
    22Bij de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse in het land Gilad aangekomen, zeiden ze tot hen:
    22Zo zegt het gehele vergaderde volk van Jahweh: Aan wat ontrouw hebt ge u tegenover den God van IsraŽl schuldig gemaakt? Door u een altaar te bouwen, keert gij u heden van Jahweh af, en komt gij in opstand tegen Jahweh.
    22Hebben we nu nog niet genoeg aan de zonde met Peor, waarvan we ons tot op de dag van vandaag nog niet hebben gezuiverd, en waarvoor de plaag over het volk van Jahweh is gekomen!
    22Toch keert ge u heden van Jahweh af! Maar als gij vandaag tegen Jahweh opstaat, breekt morgen zijn toorn over het hele volk van IsraŽl los.
    22Als ge denkt, dat uw erfdeel onrein is, komt dan over naar het erfdeel van Jahweh, waar zijn tabernakel staat, en vestigt u onder ons; maar staat niet op tegen Jahweh, en evenmin tegen ons, door u een altaar te bouwen naast het altaar van Jahweh, onzen God.
    22Is niet over het hele volk van IsraŽl toorn losgebarsten, toen Akan, de zoon van Zťrach, zich aan de ban vergreep? Neen, het was niet enkel die man, die voor zijn misdaad moest sterven!
    22Maar de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse gaven aan de hoofden der stammen van IsraŽl ten antwoord:
    22Bij Jahweh, den God der goden! Jahweh, de God der goden, weet het, en ook IsraŽl zal het weten! Als dit opstand of ontrouw jegens Jahweh is, dan redde Hij ons heden niet.
    22Wij een altaar bouwen, om ons van Jahweh af te keren! Jahweh moge het wreken, als het onze bedoeling was, daarop brand- of spijs- offers op te dragen, of vredeoffers te brengen!
    22Neen, enkel uit bezorgdheid hebben we dit gedaan. We dachten: Later zouden uw kinderen wel eens tot de onze kunnen zeggen: Wat hebt gij te maken met Jahweh, IsraŽls God?
    22Jahweh heeft toch tussen ons en de kinderen van Ruben en Gad de Jordaan als grens gesteld? Ge hebt dus geen deel aan Jahweh! En zo zouden uw kinderen oorzaak zijn, dat de onze Jahweh niet meer vreesden.
    22Daarom hebben we gedacht: We bouwen ons een altaar, niet voor brand- of slachtoffers,
    22maar als een getuige tussen ons en u en onze nakomelingen na ons, dat wij met onze brand-, slacht- en vredeoffers Jahweh's aanschijn willen dienen, zodat uw kinderen later tot de onze niet zeggen: Gij hebt geen deel aan Jahweh!
    22We dachten: Als men later tot ons en onze nakomelingen zo iets zou zeggen, dan antwoorden wij: Let op de vorm van Jahweh's altaar, dat onze vaderen hebben gemaakt; dat is niet bestemd voor brand- en slachtoffers, maar om een getuige te zijn tussen ons en u.
    22We denken er niet aan, in opstand tegen Jahweh te komen, en ons heden van Jahweh af te keren, door een altaar voor brand-, spijs- en slachtoffers te bouwen naast het altaar van Jahweh, onzen God, dat voor zijn tabernakel staat.
    22Toen de priester Pinechas, de vorsten van het volk en de stamhoofden van IsraŽl, die hem vergezelden, de Rubenieten, Gadieten en Manassieten zo hoorden spreken, waren ze tevreden gesteld.
    22En de priester Pinechas, de zoon van Elazar, sprak tot de Rubenieten, Gadieten en Manassieten: Nu weten we, dat Jahweh onder ons is; omdat gij u niet aan zulk een ontrouw jegens Jahweh hebt schuldig gemaakt. Hiermee hebt ge de IsraŽlieten uit de hand van Jahweh gered.
    22Daarna keerde de priester Pinechas, de zoon van Elazar, met de vorsten van de Rubenieten en Gadieten, uit het land Gilad naar de IsraŽlieten in het land Kanašn terug, en brachten hun verslag uit.
    22En de IsraŽlieten waren tevreden gesteld, en loofden God. Ze dachten er niet meer aan, om tegen hen ten strijde te trekken, en het land te verwoesten, waar de Rubenieten en Gadieten woonden.
    22En de Rubenieten en Gadieten noemden het altaar: Getuige; want het is getuige tussen ons, dat Jahweh God is.
    23Vele jaren waren er voorbijgegaan, sinds Jahweh IsraŽl rust had verleend van al zijn vijanden in het rond. En toen JosuŽ hoogbejaard was geworden,
    23riep hij alle oudsten, hoofden, rechters en leiders van IsraŽl op, en sprak tot hen: Ik ben nu oud en hoogbejaard.
    23Zelf hebt gij gezien, wat Jahweh, uw God, met al deze volken heeft gedaan, en hoe Jahweh, uw God, zelf voor u heeft gestreden.
    23Ziet, die zijn overgebleven van alle naties, welke ik heb uitgeroeid, van de Jordaan af tot de Grote Zee in het westen, heb ik u als een erfdeel voor uw stammen toegewezen.
    23Jahweh, uw God, zal zelf ze voor u verjagen en verdrijven; en gij zult hun land in bezit nemen, zoals Jahweh, uw God, het u heeft gezegd.
    23Maar dan moet ge uw best doen, zorgvuldig te onderhouden, al wat er in het boek van Moses' wet staat geschreven, en daarvan niet afwijken naar rechts of naar links.
    23Ge moogt u niet inlaten met die nog overgebleven volken, de naam hunner goden niet noemen of daarbij zweren, noch hen dienen of vereren.
    23Jahweh, uw God, moet ge aanhangen, zoals ge tot op heden hebt gedaan.
    23Want Jahweh dreef grote en sterke volken voor u uit, zodat tot op de dag van vandaag niemand het tegen u heeft kunnen uithouden.
    23Eťn van u achtervolgde er duizend; want het was Jahweh, uw God, die voor u streed, zoals Hij het u had gezegd.
    23Blijft er dus om uw eigen bestwil steeds voor bezorgd, dat ge Jahweh, uw God, liefhebt.
    23Want indien ge anders handelt, u afgeeft met het overschot van de volken, die nog onder u zijn overgebleven, u met hen verzwagert, of u met hen inlaat, en zij zich met u:
    23weet dan, dat Jahweh, uw God, niet langer die volken voor u zal uitdrijven, maar dat ze een val en een strik voor u zullen zijn, een gesel in uw zijden, en doornen in uw ogen, totdat ge verdwenen zijt uit dit heerlijke land, dat Jahweh u heeft gegeven.
    23Ik ga thans de weg van al het aardse. Prent het dan diep in uw hart en in uw ziel, dat niet ťťn van alle beloften, die Jahweh, uw God, u heeft gedaan, onvervuld is gebleven. Alles is voor u in vervulling gegaan; van zijn kant is geen woord onvervuld gebleven.
    23Maar gelijk al het goede aan u is vervuld, dat Jahweh, uw God, u heeft toegezegd, zo zal Jahweh ook al het kwade aan u voltrekken, tot Hij u heeft weggevaagd uit dit heerlijke land, dat Jahweh, uw God, u gegeven heeft.
    23Wanneer ge het Verbond durft schenden, dat Jahweh, uw God, met u heeft gesloten, en ge andere goden gaat dienen en vereren, dan zal Jahweh's toorn tegen u ontbranden, en zult ge spoedig verdwenen zijn uit dit heerlijke land, dat Hij u heeft gegeven.
    24Daarna bracht JosuŽ alle stammen van IsraŽl te Sikem bijeen, en riep ook IsraŽls oudsten, hoofden, rechters en leiders weer op. En toen het hele volk zich voor het aanschijn van Jahweh had geplaatst, sprak hij het toe:
    24Zo spreekt Jahweh, IsraŽls God! Aan de overkant van de Rivier woonden in oude tijden uw vaderen, Tara, de vader van Abraham en Nachor: toen dienden zij vreemde goden.
    24Maar Ik nam uw vader Abraham van de overkant der Rivier, liet hem heel het land Kanašn doortrekken, maakte zijn nakomelingschap talrijk en schonk hem Isašk.
    24Aan Isašk schonk Ik Jakob en Esau. Esau gaf Ik het SeÔrgebergte tot bezit; Jakob en zijn zonen trokken af naar Egypte.
    24Toen zij dan een groot, machtig en talrijk volk waren geworden, en de Egyptenaren hen mishandelden, zond Ik Moses en Ašron, sloeg Egypte met de tekenen, die Ik daar wrochtte, en deed u er uitgaan.
    24Toen Ik uw vaderen uit Egypte had geleid, en zij aan de zee kwamen, en de Egyptenaren uw vaderen met wagens en ruiterij bij de Rode Zee achtervolgden,
    24riepen zij tot Jahweh, en Hij zette een duisternis tussen u en de Egyptenaren, en joeg de zee over hen heen, zodat ze hen verzwolg. Uw eigen ogen hebben gezien, wat Ik in Egypte gedaan heb. En na uw jarenlang verblijf in de woestijn,
    24bracht Ik u naar het land der Amorieten, die in het Overjordaanse woonden; zij streden tegen u, maar Ik leverde hen aan u over, en verdelgde hen voor u, zodat ge hun land in bezit hebt genomen.
    24Toen stond Balak op, de zoon van Sippor en koning van Moab, om IsraŽl te beoorlogen; en hij liet Balašm roepen, den zoon van Beor, om u te vervloeken.
    24Maar Ik wilde naar Balašm niet luisteren, en hij sprak zegen over u uit. Zo redde Ik u uit zijn hand.
    24En toen ge de Jordaan waart overgetrokken en bij Jericho kwaamt, streden Jericho's burgers met de Amorieten, Perizzieten, Kanašnieten, Chittieten, Girgasjieten, Chiwwieten en Jeboesieten tegen u; maar Ik leverde ze aan u over.
    24Ik zond de horzels voor u uit, en ze joegen zonder uw zwaard of uw boog de twee koningen der Amorieten voor u op de vlucht.
    24Ik gaf u een land, waarvoor ge niet hebt gezwoegd; steden, die ge niet hebt gebouwd, en waarin ge toch woont; wijn- en olijfgaarden, die ge niet hebt geplant, en waarvan ge toch eet.
    24Welnu, vreest dan Jahweh en dient Hem oprecht en getrouw; doet de goden weg, die uw vaderen aan de overkant der Rivier en in Egypte hebben gediend, en dient Jahweh.
    24Maar zo het u niet kan bevallen, Jahweh te dienen, doet dan heden een keuze, wien ge dan wŤl dienen wilt: Úf de goden, die uw vaderen aan de overkant van de Rivier hebben gediend, Úf de goden der Amorieten, van het land, waarin ge woont. Ik en mijn huis, wij dienen Jahweh!
    24Maar het volk gaf ten antwoord: Wij denken er niet aan, Jahweh te verlaten en andere goden te dienen!
    24Want het is Jahweh, onze God, die ons uit Egypteland, uit het slavenhuis heeft geleid, en voor onze eigen ogen die grote tekenen heeft gewrocht; Hij is het, die over ons heeft gewaakt, waarheen we ook gingen, en te midden van alle volken, waar we doorheen zijn getrokken.
    24Het is Jahweh, die al die volken met de Amorieten, die het land bewoonden, voor ons uit heeft gedreven. Ook wij zullen Jahweh dienen, want Hij is onze God.
    24Doch JosuŽ sprak tot het volk: Maar ge zult Jahweh niet kunnen dienen; want Hij is een heilige God, een naijverige God, die uw zonden en misslagen niet zal vergeven.
    24Immers wanneer ge Jahweh verlaat en vreemde goden dient, dan wendt Hij zich af, berokkent u kwaad en vernietigt Hij u, nadat Hij goed voor u is geweest.
    24Maar het volk zei tot JosuŽ: Niets daarvan; want Jahweh willen we dienen!
    24Nu sprak JosuŽ tot het volk: Gij zijt dan voor uzelf getuigen, dat ge zelf hebt gekozen, Jahweh te dienen!
    24Welaan, doet dus de vreemde goden weg, die onder u zijn, en neigt uw hart tot Jahweh, IsraŽls God.
    24En het volk zei tot JosuŽ: Jahweh, onzen God, zullen we dienen en naar zijn stem zullen we luisteren!
    24Diezelfde dag sloot JosuŽ te Sikem een verbond voor het volk; hij bepaalde voor hen, wat wet was en recht,
    24en schreef dit alles op in het boek van Gods wet. Toen nam JosuŽ een grote steen, richtte die ter plaatse onder de eik in Jahweh's heiligdom op,
    24en sprak tot het hele volk: Zie, deze steen zal een getuige onder ons zijn; want hij heeft alles gehoord, wat Jahweh met ons heeft besproken. Hij zal een getuige onder u zijn, dat ge uw God niet verloochent!
    24Toen liet JosuŽ het volk gaan, iedereen naar zijn erfdeel.
    24Na dit alles stierf JosuŽ, de zoon van Noen, de dienaar van Jahweh, in de ouderdom van honderd tien jaren.
    24Men begroef hem op het grondgebied van zijn erfdeel te Timnat-Sťrach, dat in het bergland van EfraÔm ligt, ten noorden van de berg GŠasj.
    24En IsraŽl diende Jahweh, zolang JosuŽ leefde, en de oudsten er nog waren, die JosuŽ overleefden, en die wisten, wat Jahweh voor IsraŽl had gedaan.
    24Het gebeente van Josef, dat de IsraŽlieten uit Egypte hadden meegebracht, begroef men te Sikem op het stuk land, dat Jakob van de zonen van Hemor, den vader van Sikem, voor honderd goudstukken gekocht had, en dat de zonen van Josef als erfelijk bezit hadden gekregen.
    24Toen ook Elazar, de zoon van Ašron, gestorven was, begroef men hem op de heuvel van zijn zoon Pinechas, welke hem in het bergland van EfraÔm was afgestaan.