• [dutch] 24
    Dutch Bible 1939
  • Genesis Exodus Leviticus Numeri Deuteronomium Jozua Rechters


    Numeri

    1In de woestijn van de SinaÔ sprak Jahweh tot Moses in de openbaringstent op de eerste dag van de tweede maand in het tweede jaar na hun uittocht uit Egypte:
    1Neemt het getal op van de hele gemeenschap der IsraŽlieten, naar hun geslachten en families, door alle mannelijke personen hoofd voor hoofd te tellen.
    1Alle strijdbare mannen in IsraŽl van twintig jaar af moet gij monsteren volgens hun legerkorpsen; gij en Ašron
    1moeten het doen, en uit iedere stam moet ťťn man, een familiehoofd, u helpen.
    1Hier volgen de namen van de mannen, die u ter zijde moeten staan: Voor Ruben Elisoer, de zoon van Sjedeoer;
    1voor Simeon SjeloemiŽl, de zoon van Soerisjaddai;
    1voor Juda Našsson, de zoon van Amminadab;
    1voor Issakar Netanel, de zoon van Soear;
    1voor Zabulon Eliab, de zoon van Chelon.
    1Voor de zonen van Josef, voor EfraÔm Elisjama, de zoon van Ammihoed; voor Manasse GamliŽl, de zoon van Pedasoer.
    1Voor Benjamin Abidan, de zoon van Gidoni;
    1voor Dan Achiťzer, de zoon van Ammisjaddai;
    1voor Aser PagiŽl, de zoon van Okran;
    1voor Gad Eljasaf, de zoon van DeoeŽl;
    1voor Neftali Achira, de zoon van Enan.
    1Deze moeten uit de gemeenschap worden opgeroepen, als de vorsten van de stammen hunner vaderen en stamhoofden van IsraŽl.
    1Moses en Ašron ontboden dus deze mannen, wier namen zijn opgegeven,
    1en riepen op de eerste van de tweede maand de hele gemeenschap bijeen. Zij werden naar hun geslachten en families opgetekend na hoofdelijke telling der personen, die twintig jaar oud waren en meer.
    1Zo monsterde Moses hen in de woestijn van de SinaÔ, zoals Jahweh het hem bevolen had.
    1De zonen, die van Ruben afstamden, IsraŽls eerstgeborene, werden naar hun geslachten en families, hoofd voor hoofd, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
    1uit de stam van Ruben bedroeg in het geheel zes en veertig duizend vijfhonderd man.
    1De zonen, die van Simeon afstamden, werden naar hun geslachten en families, hoofd voor hoofd, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
    1uit de stam van Simeon bedroeg in het geheel negen en vijftig duizend driehonderd man.
    1De zonen, die van Gad afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
    1uit de stam van Gad bedroeg in het geheel vijf en veertig duizend zes honderd vijftig man.
    1De zonen, die van Juda afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
    1uit de stam van Juda bedroeg in het geheel vier en zeventig duizend zeshonderd man.
    1De zonen, die van Issakar afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
    1uit de stam van Issakar bedroeg in het geheel vier en vijftig duizend vierhonderd man.
    1De zonen, die van Zabulon afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
    1uit de stam van Zabulon bedroeg in het geheel zeven en vijftig duizend vierhonderd man.
    1De zonen van Josef, de zonen, die van EfraÔm afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
    1uit de stam van EfraÔm bedroeg in het geheel veertig duizend vijfhonderd man.
    1De zonen, die van Manasse afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
    1uit de stam van Manasse bedroeg in het geheel twee en dertig duizend tweehonderd man.
    1De zonen, die van Benjamin afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
    1uit de stam van Benjamin bedroeg in het geheel vijf en dertig duizend vierhonderd man.
    1De zonen, die van Dan afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
    1uit de stam van Dan bedroeg in het geheel twee en zestig duizend zevenhonderd man.
    1De zonen, die van Aser afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
    1uit de stam van Aser bedroeg in het geheel een en veertig duizend vijfhonderd man.
    1De zonen, die van Neftali afstamden, werden naar hun geslachten en families, met name geteld; het getal strijdbare mannen van twintig jaar af
    1uit de stam van Neftali bedroeg in het geheel drie en vijftig duizend vierhonderd man.
    1Dit waren de mannen, die Moses en Ašron hadden gemonsterd tezamen met de twaalf vorsten van IsraŽl, ťťn uit elke stam, allen familiehoofden.
    1Het totaal der gemonsterden van de IsraŽlieten naar hun families, alle strijdbare mannen in IsraŽl van twintig jaar af,
    1bedroeg zeshonderd drie duizend vijfhonderd vijftig man.
    1Maar de stam der Levieten werd niet met hen op de lijst geplaatst.
    1Want Jahweh had tot Moses gezegd:
    1De stam van Levi moet ge niet monsteren en hun getal niet bij de andere IsraŽlieten opnemen.
    1De Levieten moet ge belasten met de zorg voor de tabernakel van het Verbond, voor al zijn benodigdheden en alles, wat er toe behoort. Zij moeten de tabernakel dragen en bedienen met alles, wat er toe behoort, en zich dus rond de tabernakel legeren.
    1Wanneer de tabernakel op moet trekken, moeten de Levieten hem afbreken, en wanneer de tabernakel stil houdt, moeten de Levieten hem oprichten; zo een onbevoegde nadert, moet hij worden gedood.
    1En terwijl de IsraŽlieten zich volgens hun legerafdelingen in hun kampement en onder hun eigen banier moeten legeren,
    1moeten de Levieten zich rond de tabernakel van het Verbond legeren, om de gramschap van God niet te doen losbarsten tegen de gemeenschap van IsraŽls kinderen; de Levieten moeten dus de dienst van de tabernakel van het Verbond verrichten.
    1De IsraŽlieten volbrachten alles nauwkeurig, wat Jahweh Moses bevolen had.
    2Jahweh sprak tot Moses en Ašron:
    2De IsraŽlieten moeten zich onder hun eigen banier en bij de veldtekens van hun familie scharen, en zich op enige afstand rond de openbaringstent legeren.
    2Zo werd aan de oostkant, waar de zon opkomt, de banier geplant van het leger van Juda, naar zijn afdelingen ingedeeld; de aanvoerder der JudeŽrs was Našsson, de zoon van Amminadab,
    2en zijn afdeling telde vier en zeventig duizend zeshonderd man.
    2Daarnaast legerde zich de stam van Issakar; de aanvoerder der Issakarieten was Netanel, de zoon van Soear,
    2en zijn afdeling telde vier en vijftig duizend vierhonderd man.
    2Bovendien de stam van Zabulon; de aanvoerder der Zabulonieten was Eliab, de zoon van Chelon,
    2en zijn afdeling telde zeven en vijftig duizend vierhonderd man.
    2Het hele aantal manschappen van het leger van Juda, ingedeeld naar hun afdelingen, bedroeg honderd zes en tachtig duizend vierhonderd man. Zij trokken het eerst op.
    2De banier van het leger van Ruben, naar zijn afdelingen ingedeeld, werd in het zuiden geplant; de aanvoerder der Rubenieten was Elisoer, de zoon van Sjedeoer,
    2en zijn afdeling telde zes en veertig duizend vijfhonderd man.
    2Daarnaast legerde zich de stam van Simeon; de aanvoerder der Simeonieten was SjeloemiŽl, de zoon van Soerisjaddai,
    2en zijn afdeling telde negen en vijftig duizend drie honderd man.
    2Bovendien de stam van Gad; de aanvoerder der Gadieten was Eljasaf, de zoon van DeoeŽl;
    2en zijn afdeling telde vijf en veertig duizend zeshonderd vijftig man.
    2Het hele aantal manschappen van het leger van Ruben, ingedeeld naar hun afdelingen, bedroeg honderd een en vijftig duizend vierhonderd vijftig man. Zij trokken het tweede op.
    2Dan trok de openbaringstent op met het leger der Levieten, dat zich in het midden der andere legers bevond; zoals ze gelegerd waren, trokken ze op: ieder op zijn plaats en onder zijn eigen banier.
    2De banier van het leger van EfraÔm, naar zijn afdelingen ingedeeld, werd in het westen geplant; de aanvoerder der EfraÔmieten was Elisjama, de zoon van Ammihoed,
    2en zijn afdeling telde veertig duizend vijfhonderd man.
    2Daarnaast legerde zich de stam van Manasse; de aanvoerder der Manassieten was GamliŽl, de zoon van Pedasoer,
    2en zijn afdeling telde twee en dertig duizend tweehonderd man.
    2Bovendien de stam van Benjamin; de aanvoerder der Benjamieten was Abidan, de zoon van Gidoni,
    2en zijn afdeling telde vijf en dertig duizend vierhonderd man.
    2Het hele aantal manschappen van het leger van EfraÔm, ingedeeld naar hun afdelingen, bedroeg honderd acht duizend en honderd man. Zij trokken het derde op.
    2De banier van het leger van Dan, naar zijn legerafdelingen ingedeeld, werd aan de noordzijde geplant; de aanvoerder der Danieten was Achiťzer, de zoon van Ammisjaddai,
    2en zijn afdeling telde twee en zestig duizend zeven honderd man.
    2Daarnaast legerde zich de stam van Aser; de aanvoerder der Aserieten was PagiŽl, de zoon van Okran,
    2en zijn afdeling telde een en veertig duizend vijfhonderd man.
    2Bovendien de stam van Neftali; de aanvoerder der Neftalieten was Achira, de zoon van Enan,
    2en zijn afdeling telde drie en vijftig duizend vierhonderd man.
    2Het hele aantal manschappen van het leger van Dan bedroeg honderd zeven en vijftig duizend zeshonderd man. Zij trokken met hun banieren het laatste op.
    2Dit waren de gemonsterden van de IsraŽlieten naar hun families. Het volledig aantal manschappen van de legers, ingedeeld naar hun afdelingen, bedroeg zeshonderd drieduizend vijfhonderd vijftig man.
    2Maar de Levieten werden niet met de andere IsraŽlieten op de lijst geplaatst, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    2De kinderen IsraŽls brachten dus alles ten uitvoer, wat Jahweh Moses bevolen had; zij legerden zich onder hun banieren, en trokken op met hun eigen geslachten en bij hun eigen families.
    3Dit waren de nakomelingen van Ašron, toen Jahweh op de berg SinaÔ tot Moses sprak.
    3Dit zijn de namen van de zonen van Ašron: Nadab, de eerstgeborene, Abihoe, Elazar en Itamar;
    3het zijn de namen van Ašrons zonen, die als gezalfde priesters werden aangesteld, om de priesterlijke bediening uit te oefenen.
    3Nadab en Abihoe waren voor het aanschijn van Jahweh gestorven, toen zij in de woestijn van de SinaÔ voor Jahweh?s aanschijn onwettig vuur offerden. En daar zij geen zonen hadden, oefenden slechts Elazar en Itamar, onder toezicht van hun vader Ašron, het priesterambt uit.
    3Jahweh sprak tot Moses:
    3Roep de stam van Levi op, en stel die ter beschikking van den priester Ašron, om hem te dienen.
    3Zij moeten zorgen voor wat hij en heel de gemeenschap bij de openbaringstent nodig hebben, om de dienst van de tabernakel te laten verrichten.
    3Zij moeten zorg dragen voor alle benodigdheden van de openbaringstent en voor wat de IsraŽlieten behoeven, om de dienst van de tabernakel te laten verrichten.
    3Gij moet de Levieten onder Ašron en zijn zonen plaatsen, ze van de IsraŽlieten afzonderen, en ze volkomen te hunner beschikking stellen.
    3Ašron en zijn zonen moet ge aanstellen, om hun priesterambt uit te oefenen; zo een onbevoegde nadert, moet hij worden gedood.
    3Jahweh sprak tot Moses:
    3Zie, Ik heb de Levieten uit de kinderen IsraŽls uitverkoren, in plaats van alle eerstgeborenen der IsraŽlieten, die de moederschoot openen. De Levieten behoren aan Mij!
    3Want Mij behoren de eerstgeborenen; op de dag dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland trof, heb Ik Mij alle eerstgeborenen in IsraŽl toegewijd, van mens tot dier. Dus behoren ze Mij; Ik ben Jahweh!
    3Jahweh sprak tot Moses in de woestijn van de SinaÔ:
    3Tel de zonen van Levi naar hun families en hun geslachten; alle personen van het mannelijk geslacht van ťťn maand af moet ge inschrijven.
    3Moses schreef hen dus in, zoals het door Jahweh bevolen was.
    3Dit zijn de namen van de zonen van Levi: Gersjon, Kehat en Merari.
    3Dit zijn de namen van de zonen van Gersjon naar hun geslachten: Libni en Sjimi;
    3van de zonen van Kehat naar hun geslachten: Amram en Jishar, Chebron en OezziŽl;
    3van de zonen van Merari naar hun geslachten: Machli en Moesji. Dit zijn de geslachten der Levieten naar hun families.
    3Tot Gersjon behoorde het geslacht der Libnieten en dat der Sjimieten; dit waren de geslachten der Gersjonieten.
    3Het volledig aantal mannelijke personen van ťťn maand af, die van hen werden ingeschreven, bedroeg vijf en zeventig honderd.
    3De geslachten der Gersjonieten waren achter de tabernakel, in het westen, gelegerd.
    3Het familiehoofd der Gersjonieten was Eljasaf, de zoon van LaŽl.
    3De zonen van Gersjon moesten voor de openbaringstent zorgen, voor de tabernakel, de tent, haar bedekking en het tapijt aan de ingang van de openbaringstent,
    3voor de gordijnen van de voorhof en het tapijt aan de ingang van de voorhof, die rond de tabernakel en het altaar ligt, en voor de touwen, met al wat daarbij te doen viel.
    3Tot Kehat behoorde het geslacht der Amramieten, Jisharieten, Chebronieten en OezziŽlieten; dit waren de geslachten der Kehatieten.
    3Het volledig aantal mannelijke personen van ťťn maand af, bestemd voor de dienst van het heiligdom, bedroeg zes en tachtig honderd.
    3De geslachten der Kehatieten waren aan de ene zijde van de tabernakel gelegerd, en wel in het zuiden.
    3Het familiehoofd van de geslachten der Kehatieten was Elisafan, de zoon van OezziŽl.
    3Zij moesten zorgen voor de ark, de tafel, de kandelaar, de altaren, voor alle gereedschappen van het heiligdom, nodig bij de dienst, voor het voorhangsel, en al wat daarbij te doen viel.
    3Het opperhoofd van de Levieten was Elazar, de zoon van den priester Ašron; hij had het toezicht over hen, die voor het heiligdom moesten zorgen.
    3Tot Merari behoorde het geslacht der Machlieten en dat der Moesjieten; dit waren de geslachten van Merari.
    3Het volledig aantal mannelijke personen van ťťn maand af, die van hen werden ingeschreven, bedroeg twee en zestig honderd.
    3Het familiehoofd van de geslachten van Merari was SoeriŽl, de zoon van AbichŠil. Zij waren aan de andere zijde van de tabernakel gelegerd, en dus in het noorden.
    3De taak der zonen van Merari was te zorgen voor de schotten, de bindlatten, de palen en voetstukken van de tabernakel, voor alle gereedschappen en voor al wat daarbij te doen viel,
    3voor de palen rond de voorhof met hun voetstukken, pinnen en touwen.
    3Aan de oostkant van de tabernakel, dus vůůr de openbaringstent, waren Moses en Ašron met zijn zonen gelegerd. Zij hadden de zorg voor de dienst in het heiligdom ten behoeve van de IsraŽlieten; en zo een onbevoegde naderde, werd hij gedood.
    3Het hele getal van de Levieten, die Moses op bevel van Jahweh volgens hun geslachten had ingeschreven, dus van alle mannelijke personen van ťťn maand af, bedroeg twee en twintig duizend.
    3En Jahweh sprak tot Moses: Tel nu ook al de mannelijke eerstgeborenen der IsraŽlieten van ťťn maand af, en neem het getal der personen op.
    3Ik ben Jahweh: Gij moet voor Mij de Levieten nemen in plaats van alle eerstgeborenen der IsraŽlieten, en het vee der Levieten in plaats van al het eerstgeborene onder het vee der IsraŽlieten.
    3Moses telde dus alle mannelijke eerstgeborenen der IsraŽlieten, zoals Jahweh hem bevolen had.
    3Het hele getal der mannelijke eerstgeborenen van ťťn maand af, die geteld waren, bedroeg twee en twintig duizend tweehonderd drie en zeventig.
    3Jahweh sprak toen tot Moses:
    3Neem de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen der IsraŽlieten, en het vee der Levieten in plaats van hun vee. De Levieten zullen Mij behoren. Ik ben Jahweh!
    3Voor de lossing van de tweehonderd drie en zeventig eerstgeborenen der IsraŽlieten, die het getal der Levieten overschrijden,
    3moet gij vijf sikkels per hoofd nemen, berekend naar het heilig gewicht, twintig gera de sikkel,
    3en het geld aan Ašron en zijn zonen geven als losprijs voor die boventalligen.
    3Moses hief dus het losgeld van hen, die er te veel waren, om door de Levieten te worden losgekocht.
    3Als losgeld van deze eerstgeborenen der IsraŽlieten hief Moses dertienhonderd vijf en zestig heilige sikkels,
    3en gaf het losgeld aan Ašron en zijn zonen, juist zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    4Jahweh sprak tot Moses en Ašron:
    4Neemt van de Levieten het volledig getal der Kehatieten op naar hun geslachten en families,
    4van dertig jaar af tot vijftig jaar toe, en wel iedereen die in staat is om dienst te verrichten bij de openbaringstent.
    4De taak der Kehatieten in de openbaringstent strekt zich tot het hoogheilige uit.
    4Wanneer het kamp wordt opgebroken, moeten Ašron en zijn zonen naar binnen gaan, het voorhangsel afnemen en de ark des Verbonds er mee bedekken;
    4daaroverheen moeten zij een dek van gelooide huiden leggen, daarover nog een geheel violet kleed uitspreiden, en er de draagstokken aan zetten.
    4Ook over de tafel van de toonbroden moeten zij een violet kleed spreiden, en daarop de schotels, pannen, schalen en bekers voor de plengoffers plaatsen, terwijl ook het bestendig brood daarop moet liggen;
    4daaroverheen moeten zij een karmozijnen kleed spreiden, het met een dekkleed van gelooide huiden bedekken, en er de draagstokken aan zetten.
    4Dan moeten zij een violet kleed nemen, de kandelaar er mee bedekken met zijn lampen, snuiters, tangen, bakjes en alle vaatwerk voor de olie, waarmee zij hem verzorgen,
    4hem met al zijn benodigdheden in een dekkleed van gelooide huiden wikkelen, en op een draagbaar zetten.
    4Ook over het gouden altaar moeten zij een violet kleed spreiden, het met een dekkleed van gelooide huiden bedekken, en er de draagstokken aan zetten.
    4Daarna moeten zij alle benodigdheden nemen, waarmee zij de dienst in het heiligdom verrichten, op een violet kleed zetten, ze bedekken met een dekkleed van gelooide huiden, en op een draagbaar zetten.
    4Vervolgens moeten zij het altaar van as reinigen, en er een purperen kleed over heen spreiden;
    4daarop alle benodigdheden plaatsen, waarmee zij de dienst aan het altaar verrichten, de vuurpotten, vorken, schoppen, offerschalen, en alle vaatwerk van het altaar; daaroverheen een dekkleed van gelooide huiden spreiden, en er de draagstokken aan zetten.
    4Eerst wanneer bij het opbreken van het kamp Ašron en zijn zonen gereed zijn gekomen met het bedekken van de heilige zaken en al wat daartoe behoort, mogen de Kehatieten binnen komen, om ze te vervoeren. Zij mogen de heilige zaken niet aanraken; anders zouden zij sterven. Dit is het gedeelte van de openbaringstent, dat door de Kehatieten moet worden gedragen.
    4Bovendien moet Elazar, de zoon van den priester Ašron, zorg dragen voor de olie van de kandelaar, de wierook, het altijddurend spijsoffer en de zalfolie; hij heeft dus de zorg voor heel de tabernakel en alles wat daarin is, voor de heilige zaken en haar toebehoren.
    4En Jahweh sprak tot Moses en Ašron:
    4Zorgt er voor, dat de tak van het Kehatietengeslacht niet uit de kring der Levieten wordt uitgeroeid.
    4Doet dus voor hen als volgt, opdat zij leven en niet sterven, wanneer zij het hoogheilige naderen. Ašron en zijn zonen moeten naar binnen gaan, en ieder van hen aanwijzen, wat hij te doen heeft, en wat hij moet dragen.
    4Zelf mogen zij niet binnengaan, om zelfs maar een ogenblik de heilige zaken te zien; anders zouden zij sterven.
    4Jahweh sprak tot Moses:
    4Neem ook het volledig getal van de Gersjonieten op naar hun families en hun geslachten;
    4van dertig jaar af tot vijftig jaar toe moet gij allen inschrijven, die in staat zijn dienst te verrichten bij de openbaringstent.
    4Dit zal de taak zijn van het geslacht der Gersjonieten bij de dienst en bij het vervoer.
    4Zij moeten de tentdoeken van de tabernakel dragen, de openbaringstent, haar dekkleden, de bedekking van gelooide huiden, die daaroverheen ligt, het tapijt voor de ingang van de openbaringstent,
    4de gordijnen van de voorhof en het tapijt bij de ingang der poort van de voorhof, die rond de tabernakel en het altaar ligt, en de touwen met alle benodigdheden voor het werk; alles wat daarmee moet gebeuren, zullen zij verrichten.
    4Al het werk van de zonen der Gersjonieten moet steeds op aanwijzing van Ašron en zijn zonen geschieden, zowel bij het vervoer, als bij de dienst; al wat ze hebben te dragen, moet ge hun stuk voor stuk aanwijzen.
    4Dit zal de taak van het geslacht van de zonen der Gersjonieten zijn bij de openbaringstent, en hun werkzaamheden zullen onder leiding staan van Itamar, den zoon van den priester Ašron.
    4Ook de Merarieten moet ge inschrijven naar hun geslachten en families.
    4Van dertig jaar af tot vijftig jaar toe moet ge allen inschrijven, die in staat zijn, dienst te verrichten bij de openbaringstent.
    4Dit zal hun taak zijn bij het vervoer en de werkzaamheden aan de openbaringstent: de schotten van de tabernakel met de bindlatten, de palen met hun voetstukken,
    4de palen van de voorhof rondom met hun voetstukken, pinnen en touwen, met wat er verder toe behoort en al de werkzaamheden daaraan verbonden; stuk voor stuk moet ge hun aanwijzen, wat ze hebben te dragen.
    4Dit zal de taak zijn van het geslacht der Merarieten, en al hun werkzaamheden aan de openbaringstent zullen onder leiding staan van Itamar, den zoon van den priester Ašron.
    4Daarna schreven Moses, Ašron en de leiders der gemeenschap alle zonen der Kehatieten in naar hun geslachten en families,
    4van dertig jaar af tot vijftig jaar toe, die geschikt waren om de dienst bij de openbaringstent te verrichten.
    4Naar hun geslachten geteld, bedroeg hun aantal tweeduizend zevenhonderd vijftig man.
    4Dit waren alle ingeschrevenen der Kehatietengeslachten, die dienst moesten doen bij de openbaringstent, en die Moses en Ašron hadden ingeschreven, zoals Jahweh het door Moses bevolen had.
    4Alle ingeschrevenen van de Gersjonieten naar hun geslachten en families,
    4van dertig jaar af tot vijftig jaar toe, die geschikt waren om dienst te verrichten bij de openbaringstent,
    4bedroegen tweeduizend zeshonderd dertig man, naar hun geslachten en families geteld.
    4Dit waren alle gemonsterden van de Gersjonietengeslachten, die dienst moesten doen bij de openbaringstent, en die Moses en Ašron hadden ingeschreven, zoals Jahweh het door Moses bevolen had.
    4Alle ingeschrevenen van de Merarietengeslachten naar hun geslachten en families,
    4van dertig jaar af tot vijftig jaar toe, die geschikt waren om dienst te verrichten bij de openbaringstent,
    4bedroegen drieduizend tweehonderd man, naar hun geslachten geteld.
    4Dit waren de ingeschrevenen van de Merarietengeslachten, die Moses en Ašron hadden ingeschreven, zoals Jahweh het door Moses bevolen had.
    4Alle ingeschreven Levieten, die Moses en Ašron met de leiders van IsraŽl naar hun geslachten en families hadden ingeschreven,
    4van dertig jaar af tot vijftig jaar toe, en die geschikt waren voor het dienstwerk, en het vervoer van de openbaringstent,
    4telden achtduizend vijfhonderd tachtig man.
    4Zoals Jahweh het door Moses bevolen had, gaf men ieder zijn taak voor de dienst en het vervoer, en werden zij ingeschreven, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    5Jahweh sprak tot Moses:
    5Beveel de IsraŽlieten, dat zij alle melaatsen, allen die aan vloeiing lijden, en allen, die zich aan een lijk verontreinigd hebben, uit het kamp verwijderen.
    5Zowel mannen als vrouwen moet ge buiten het kamp sturen, opdat ze hun kamp, waar Ik te midden van hen woon, niet verontreinigen.
    5De IsraŽlieten deden het, en zonden ze buiten het kamp; zoals Jahweh het Moses bevolen had, voerden de IsraŽlieten het uit.
    5Jahweh sprak tot Moses:
    5Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer een man of vrouw een zonde tegen den evenmens begaat, waardoor hij zich aan Jahweh vergrijpt en schuld op zich laadt,
    5dan moeten zij de zonde, die ze hebben begaan, bekennen, de volle waarde van het ontvreemde vergoeden, het vijfde gedeelte er aan toevoegen, en het teruggeven aan wien het ontvreemd werd.
    5Wanneer die man geen losser heeft, aan wien het ontvreemde kan worden teruggegeven, dan moet het ontvreemde aan Jahweh worden vergoed, en met den ram der verzoening aan den priester worden gegeven, die verzoening voor hem verkrijgt.
    5Bovendien zullen alle heilige cijnzen, die de IsraŽlieten aan Jahweh brengen, den priester behoren.
    5Ook de gewijde zaken, die iemand aan den priester geeft, zullen voor dezen zijn.
    5Jahweh sprak tot Moses:
    5Beveel de IsraŽlieten, en zeg hun: Wanneer een vrouw zich heeft misdragen en aan haar man ontrouw is geweest,
    5doordat een andere man gemeenschap met haar heeft gehad, maar het voor haar man verborgen is gebleven, daar zij zich in het geheim heeft bezoedeld, en er ook geen getuige tegen haar opstaat, daar zij niet op heterdaad is betrapt;
    5of wanneer de man jaloers wordt, zodat hij zijn vrouw gaat verdenken, die zich inderdaad heeft bezoedeld: of wanneer hij jaloers wordt, zodat hij zijn vrouw gaat verdenken, ofschoon zij zich niet heeft bezoedeld:
    5dan moet die man zijn vrouw voor den priester leiden. Hij moet voor haar een tiende efa gerst als haar offergave brengen, maar er geen olie over uitgieten en er geen wierook aan toe voegen; want het is een spijsoffer der jaloersheid, een herinneringsoffer, dat zonde doet gedenken.
    5De priester moet haar naar voren doen komen, om haar voor het aanschijn van Jahweh te plaatsen.
    5Dan moet de priester heilig water in een aarden vat nemen, wat stof van de vloer van de tabernakel rapen, en dat in het water doen.
    5Vervolgens moet de priester de vrouw voor het aanschijn van Jahweh plaatsen, haar hoofdhaar losmaken en het spijsoffer ter herinnering in haar handen leggen: het is een spijsoffer van ijverzucht. En terwijl de priester het bittere vloekwater in de hand houdt,
    5zal hij de vrouw bezweren en tot haar zeggen: Zo geen man gemeenschap met u heeft gehad, zo ge u niet misdragen en bezoedeld hebt, sinds ge uw man behoort, zult ge door dit bittere vloekwater niet worden gedeerd!
    5Maar wanneer ge u misdragen en bezoedeld hebt, sinds ge uw man behoort, doordat een andere man dan de uwe gemeenschap met u heeft gehad,
    5nu zal de priester over de vrouw de vervloeking uitspreken en tot de vrouw zeggen - dan zal Jahweh u tot een vloek en een verwensing maken onder uw volk, door uw heup te doen invallen en uw buik te doen zwellen.
    5Dit vloekwater zal in uw binnenste dringen, om uw buik te doen zwellen en uw heup te doen invallen! En de vrouw moet antwoorden: Amen, Amen!
    5Dan moet de priester deze vervloekingen op een blad schrijven, ze in het bittere vloekwater uitwissen,
    5om het die vrouw te laten drinken, zodat het bittere vloekwater in haar binnenste dringt.
    5Daarna moet de priester het spijsoffer van jaloersheid uit de hand van de vrouw nemen, het Jahweh als strekoffer aanbieden en naar het altaar brengen;
    5dan moet de priester van het spijsoffer een handvol als reukoffer nemen, en op het altaar in rook doen opgaan. Tenslotte zal hij de vrouw het water laten drinken.
    5Heeft hij haar het water doen drinken, dan zal, zo zij zich bezoedeld heeft en haar man ontrouw is geweest, haar buik zwellen en haar heup invallen, zodra het bittere vloekwater in haar binnenste dringt, en die vrouw zal een vloek worden onder haar volk.
    5Maar zo die vrouw zich niet heeft bezoedeld, doch rein is, dan blijft ze ongedeerd, en wordt met kinderen gezegend.
    5Dit is dus de wet op de jaloersheid: Wanneer een vrouw zich heeft misdragen en bezoedeld, sinds ze aan haar man behoort,
    5of wanneer een man jaloers wordt, en hij zijn vrouw gaat verdenken, dan zal hij zijn vrouw voor het aanschijn van Jahweh plaatsen, en de priester zal heel deze wet op haar toepassen.
    5De man zal dan vrij zijn van schuld, maar de vrouw zal haar schuld moeten boeten.
    6Jahweh sprak tot Moses:
    6Beveel de IsraŽlieten, en zeg hun: Wanneer een man of vrouw een gelofte van nazireaat heeft afgelegd, om zich aan Jahweh te wijden,
    6dan moet hij zich van wijn en sterke drank onthouden; hij mag zelfs geen azijn uit wijn of uit sterke drank en geen druivensap drinken, noch verse of gedroogde druiven eten.
    6Al de tijd van zijn nazireaat mag hij niets eten, wat van de wijnstok wordt gewonnen, zelfs geen pitten en schillen.
    6Al de tijd van zijn nazireaatsgelofte mag ook geen scheermes over zijn hoofd gaan; tot de dagen voorbij zijn, waarvoor hij zich aan Jahweh gewijd heeft, blijft hij Jahweh toegeheiligd, en moet hij zijn hoofdhaar laten groeien.
    6Ook mag hij al de tijd, dat hij aan Jahweh is gewijd, bij geen lijk komen;
    6zelfs aan zijn vader of moeder, broer of zuster mag hij zich na hun dood niet verontreinigen. Want het nazireaat van zijn God rust op zijn hoofd;
    6heel de tijd van zijn nazireaat is hij aan Jahweh gewijd.
    6Sterft er onverwacht iemand in zijn nabijheid, en verontreinigt hij zo zijn gewijd hoofd, dan moet hij op de zevende dag, de dag waarop hij weer rein wordt, zijn hoofd scheren.
    6Op de achtste dag moet hij twee tortels of twee jonge duiven naar den priester brengen bij de ingang van de openbaringstent.
    6De priester zal er een als zondeoffer en een als brandoffer opdragen, en voor hem verzoening verkrijgen voor de zonde door aanraking van het lijk. Op dezelfde dag moet hij opnieuw zijn hoofd heiligen,
    6zich weer evenlang als vroeger als nazireŽr aan Jahweh wijden, en een eenjarig lam als schuldoffer brengen. De vorige dagen van zijn nazireaat tellen dus niet mee, omdat hij zijn nazireaat heeft ontwijd.
    6En dit is de wet voor den nazireŽr, als de tijd van zijn nazireaat is geŽindigd: men moet hem naar de ingang van de openbaringstent leiden,
    6en hij moet als zijn gave aan Jahweh brengen: een gaaf, eenjarig lam als brandoffer, een gaaf, eenjarig ooilam als zondeoffer, en een gaven ram als vredeoffer;
    6daarenboven een korf met ongedesemde broden van meelbloem, koeken met olie aangemaakt, en ongedesemde vlaas met olie bestreken, met het spijs- en plengoffer, dat daarbij hoort.
    6De priester zal dat voor het aanschijn van Jahweh brengen, en zijn zonde- en brandoffer opdragen.
    6Den ram en de korf met ongedesemde broden zal de priester met het spijs- en plengoffer, dat daarbij hoort, als een vredeoffer aan Jahweh opdragen.
    6Daarna moet de nazireŽr bij de ingang van de openbaringstent zijn gewijd hoofd scheren, het haar van zijn nazireaat nemen en in het vuur werpen, dat onder het vredeoffer brandt.
    6En zodra de nazireŽr zich het haar van zijn nazireaat heeft afgeschoren, moet de priester het gekookte schouderstuk van den ram, een ongedesemde koek uit de korf en een ongedesemde vla nemen, ze in de handen van den nazireŽr leggen,
    6en ze als een strekoffer voor het aanschijn van Jahweh aanbieden; het valt, met de borst van het strekoffer en de schenkel van het hefoffer, als iets heiligs den priester ten deel. Daarna mag de nazireŽr wijn drinken.
    6Dit is voor den nazireŽr, die de gelofte heeft afgelegd, de wet over zijn gave aan Jahweh op grond van zijn nazireaat, afgezien van wat hij vrijwillig brengt; krachtens de wet van zijn nazireaat, moet hij alles zo volbrengen, als hij het Jahweh beloofd heeft.
    6Nog sprak Jahweh tot Moses:
    6Zeg aan Ašron en zijn zonen: Zo moet ge de zegen over IsraŽls kinderen uitspreken:
    6Jahweh zegene u, En behoede u;
    6Jahweh doe zijn aanschijn over u lichten, En zij u genadig;
    6Jahweh wende tot u zijn gelaat, En schenke u de vrede!
    6Zo zullen zij mijn Naam op de kinderen IsraŽls doen rusten, en zal Ik hen zegenen.
    7Toen Moses gereed was gekomen met het oprichten van de tabernakel, en hem, met al wat er bij hoorde, had gezalfd en gewijd, en eveneens het altaar met heel zijn toebehoren had gezalfd en gewijd,
    7kwamen de aanvoerders van IsraŽl naderbij. Het waren de familie- en stamhoofden, die over de gemonsterden stonden.
    7Zij brachten als hun gaven voor het aanschijn van Jahweh zes overdekte wagens en twaalf runderen; twee aanvoerders telkens ťťn wagen en ieder ťťn rund. Toen zij ze voor de tabernakel hadden gebracht,
    7sprak Jahweh tot Moses:
    7Neem ze van hen aan; ze moeten voor de dienst van de openbaringstent worden bestemd, en ge moet ze aan de Levieten geven, naar gelang ieder ze voor zijn werk nodig heeft.
    7Moses nam dus de wagens en de runderen aan, en gaf ze aan de Levieten.
    7Twee wagens en vier runderen gaf hij aan de zonen van Gersjon, naar verhouding tot hun werk.
    7Vier wagens en acht runderen gaf hij, naar verhouding tot hun werk, aan de zonen van Merari, die onder Itamar, den zoon van den priester Ašron stonden.
    7Aan de zonen van Kehat gaf hij er geen, omdat zij de heilige zaken, die hun waren toevertrouwd, op hun schouders moesten dragen.
    7Toen de aanvoerders ook hun wijdingsgave voor het altaar wilden brengen op de dag, dat het gezalfd werd, en hun gaven voor het altaar wilden plaatsen,
    7sprak Jahweh tot Moses: Laat iedere aanvoerder op een afzonderlijke dag zijn gave brengen voor de wijding van het altaar.
    7Op de eerste dag bracht Našsson, de zoon van Amminadab uit de stam van Juda, zijn gave.
    7Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel ter waarde van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
    7uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
    7uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
    7een geitebok voor een zondeoffer,
    7en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Našsson, den zoon van Amminadab.
    7Op de tweede dag bracht Netanel, de zoon van Soear, de vorst van Issakar, zijn gave.
    7Het geschenk, dat hij bracht, bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
    7uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
    7uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
    7een geitebok voor een zondeoffer,
    7en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Netanel, den zoon van Soear.
    7Op de derde dag de vorst van de zonen van Zabulon, Eliab, de zoon van Chelon.
    7Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
    7uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
    7uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
    7een geitebok voor een zondeoffer,
    7en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Eliab, den zoon van Chelon.
    7Op de vierde dag de vorst van de zonen van Ruben, Elisoer, de zoon van Sjedeoer.
    7Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
    7uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
    7uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
    7een geitebok voor een zondeoffer,
    7en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Elisoer, den zoon van Sjedeoer.
    7Op de vijfde dag de vorst van de zonen van Simeon, SjeloemiŽl, de zoon van Soerisjaddai.
    7Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
    7uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
    7uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
    7een geitebok voor een zondeoffer,
    7en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van SjeloemiŽl, den zoon van Soerisjaddai.
    7Op de zesde dag de vorst van de zonen van Gad, Eljasaf, de zoon van DeoeŽl.
    7Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
    7uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
    7uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
    7een geitebok voor een zondeoffer,
    7en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Eljasaf, den zoon van DeoeŽl.
    7Op de zevende dag de vorst van de zonen van EfraÔm, Elisjama, de zoon van Ammihoed.
    7Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
    7uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
    7uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
    7een geitebok voor een zondeoffer,
    7en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Elisjama, den zoon van Ammihoed.
    7Op de achtste dag de vorst van de zonen van Manasse, GamliŽl, de zoon van Pedasoer.
    7Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
    7uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
    7uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
    7een geitebok voor een zondeoffer,
    7en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van GamliŽl, den zoon van Pedasoer.
    7Op de negende dag de vorst van de zonen van Benjamin, Abidan, de zoon van Gidoni.
    7Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
    7uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
    7uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
    7een geitebok voor een zondeoffer,
    7en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Abidan, den zoon van Gidoni.
    7Op de tiende dag de vorst van de zonen van Dan, Achiťzer, de zoon van Ammisjaddai.
    7Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
    7uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
    7uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
    7een geitebok voor een zondeoffer,
    7en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Achiťzer, den zoon van Ammisjaddai.
    7Op de elfde dag de vorst van de zonen van Aser, PagiŽl, de zoon van Okran.
    7Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
    7uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
    7uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
    7een geitebok voor een zondeoffer,
    7en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van PagiŽl, den zoon van Okran.
    7Op de twaalfde dag de vorst van de zonen van Neftali, Achira, de zoon van Enan.
    7Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
    7uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
    7uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
    7een geitebok voor een zondeoffer,
    7en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Achira, den zoon van Enan.
    7Dit was dus de wijdingsgave der aanvoerders van IsraŽl voor het altaar op de dag, dat het gezalfd werd: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren schalen, twaalf gouden schaaltjes.
    7Iedere schotel was honderd dertig zilveren sikkels waard, iedere schaal zeventig; al het zilver der vaten bedroeg vier en twintig honderd sikkels volgens het heilig gewicht.
    7Twaalf gouden schaaltjes met wierook gevuld, ieder van tien gouden sikkels volgens het heilig gewicht, al het goud van die schaaltjes bedroeg honderd twintig gouden sikkels.
    7Het rundvee voor het brandoffer bedroeg in het geheel twaalf jonge stieren, twaalf rammen, en twaalf eenjarige lammeren, met de daarbij horende spijsoffers. Voor het zondeoffer bedroeg het twaalf geitebokken.
    7Het rundvee voor het vredeoffer bedroeg in het geheel vier en twintig stieren, zestig rammen, zestig bokken en zestig eenjarige lammeren. Dit was de wijdingsgave voor het altaar, nadat het gezalfd was.
    7Wanneer Moses de openbaringstent binnentrad, om met Jahweh te spreken, hoorde hij de stem, die tot hem sprak, boven het verzoendeksel op de Verbondsark tussen de beide cherubs. Zo sprak Hij tot hem.
    8Jahweh sprak tot Moses:
    8Beveel Ašron en zeg hem:Wanneer ge de lampen opstelt, moeten de zeven lampen naar de voorzijde van de kandelaar haar licht verspreiden.
    8Ašron deed het, en plaatste de lampen zo, dat ze naar de voorkant van de kandelaar waren gekeerd, zoals Jahweh het bevolen had.
    8De kandelaar was uit goud gedreven, zowel zijn schacht als zijn bloesems waren drijfwerk. Naar het model door Jahweh aan Moses getoond, had hij de kandelaar gemaakt.
    8Jahweh sprak tot Moses:
    8Zonder de levieten van de IsraŽlieten af en reinig ze.
    8Zo zult ge doen, om hen te reinigen: Ge moet ze met reinigingswater besprenkelen, ze moeten hun hele lichaam scheren en hun kleren wassen; dan zijn ze rein.
    8Dan moeten ze een jongen stier gaan halen, en meelbloem, met olie aangemaakt, als het spijsoffer, dat daarbij hoort, terwijl gij een anderen jongen stier voor het zondeoffer moet nemen.
    8Vervolgens moet ge de levieten voor de openbaringstent doen treden, en heel de gemeenschap der IsraŽlieten verzamelen.
    8Doe de levieten dan voor het aanschijn van Jahweh treden, en laten de kinderen IsraŽls hun de handen opleggen.
    8Dan moet Ašron de levieten als een strekoffer van IsraŽls kinderen Jahweh aanbieden. Zo zullen zij voor de dienst van Jahweh worden bestemd.
    8Daarna moeten de levieten hun handen op de kop der jonge stieren leggen, en den een moet ge als zondeoffer, den ander als brandoffer aan Jahweh opdragen, om verzoening te verkrijgen voor de levieten.
    8Ten slotte moet ge de levieten voor Ašron en zijn zonen plaatsen, en hen als een strekoffer Jahweh aanbieden.
    8Zo moet ge de levieten van de IsraŽlieten afzonderen en zullen ze Mij toebehoren!
    8En nadat ge ze zo hebt gereinigd en als een strekoffer hebt aangeboden, mogen de levieten hun dienst bij de openbaringstent beginnen.
    8Want ze zijn uit de IsraŽlieten genomen, en te mijner beschikking gehouden; in plaats van wat de moederschoot opent, in plaats van alle eerstgeborenen van IsraŽls kinderen heb Ik ze voor Mijzelf behouden.
    8Want Mij behoren alle eerstgeborenen van IsraŽls kinderen, mens en dier; op de dag, dat Ik alle eerstgeborenen sloeg in Egypte, heb Ik ze Mij toegewijd.
    8Maar Ik neem de levieten in plaats van alle eerstgeborenen van IsraŽls kinderen,
    8en Ik neem ze uit de IsraŽlieten en stel ze ter beschikking van Ašron en zijn zonen, om voor de IsraŽlieten de dienst in de openbaringstent te verrichten, om verzoening te verkrijgen voor de IsraŽlieten, en om de kinderen IsraŽls voor onheil te behoeden, als zij tot het heiligdom zouden naderen.
    8Moses, Ašron en heel de gemeenschap der IsraŽlieten deden dus met de levieten, zoals Jahweh Moses omtrent de levieten bevolen had.
    8De levieten reinigden zich van zonde, en wasten hun kleren; en Ašron bood ze Jahweh als strekoffer aan, verkreeg verzoening voor hen en reinigde hen.
    8Daarna begonnen de levieten hun dienst bij de openbaringstent onder toezicht van Ašron en zijn zonen. Wat Jahweh omtrent de levieten aan Moses bevolen had, bracht men nauwkeurig ten uitvoer.
    8Jahweh sprak tot Moses:
    8Dit is de wet voor de levieten: Van vijf en twintig jaar af is hij verplicht dienst te verrichten bij de openbaringstent.
    8Na zijn vijftigste jaar is hij van zijn verplichting ontslagen, en behoeft geen dienst meer te doen.
    8Hij mag zijn broeders wel behulpzaam zijn bij de openbaringstent in het uitoefenen van hun ambtsplichten, maar eigenlijk werk behoeft hij niet meer te doen. Deze beschikking zult ge maken omtrent de ambtsplichten der levieten.
    9Jahweh sprak in de woestijn van de SinaÔ tot Moses in de eerste maand van het tweede jaar na hun uittocht uit Egypte:
    9De IsraŽlieten moeten het Pascha vieren op de daarvoor vastgestelde tijd.
    9Op de veertiende dag van deze maand, bij het vallen van de avond, moeten zij het op de juiste tijd vieren, en daarbij al de voorschriften en wetten erover in acht nemen.
    9Moses beval dus de IsraŽlieten, het Pascha te vieren.
    9En de IsraŽlieten vierden het in de woestijn van de SinaÔ op de veertiende dag der eerste maand, bij het vallen van den avond, en zij namen alles in acht, wat Jahweh Moses bevolen had.
    9Maar er waren toen enige mannen, die zich aan een lijk hadden verontreinigd, en dus op die dag het Pascha niet konden vieren. Die mannen verschenen die dag voor Moses en Ašron,
    9en zeiden tot hen: Wij hebben ons aan een lijk verontreinigd. Maar waarom is het ons nu niet vergund, het offer van Jahweh te brengen op de vastgestelde tijd te midden van de IsraŽlieten?
    9Moses gaf hun ten antwoord: Blijft hier wachten; dan ga ik horen, wat Jahweh over u beveelt.
    9En Jahweh sprak tot Moses:
    9Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer iemand van u of uw nageslacht zich aan een lijk heeft verontreinigd, of ver weg is op reis, dan moet hij toch het Pascha houden ter ere van Jahweh.
    9Ze moeten het dan vieren in de tweede maand, op de veertiende dag, bij het vallen van de avond. Ook zij moeten het met ongedesemde broden en bittere kruiden eten,
    9mogen er niets van tot de volgende morgen bewaren, geen been er van breken, en moeten alle voorschriften van het Pascha er bij in acht nemen.
    9Maar wie verzuimt, het Pascha te vieren, ofschoon hij rein is en niet op reis, zal van zijn volk worden afgesneden, omdat hij het offer van Jahweh niet op de vastgestelde tijd heeft gebracht. Zo iemand zal zijn zonde boeten!
    9Wanneer een vreemdeling bij u woont, en het Pascha ter ere van Jahweh wil vieren, moet ook hij de voorschriften en wetten van het Pascha in acht nemen. Hetzelfde voorschrift geldt voor u allen, voor den vreemdeling zowel als voor het kind van het land.
    9Op de dag, dat men de tabernakel had opgericht, bedekte de wolk de tabernakel van de verbondstent, en des avonds rustte er als het ware een vuurgloed op de tabernakel tot aan de morgen.
    9Zo bleef het voortdurend: de wolk bedekte hem overdag, en een vuurgloed des nachts.
    9Zodra nu de wolk zich boven de tent verhief, trokken de IsraŽlieten verder, en op de plaats, waar de wolk zich neerliet, sloegen zij hun legerplaats op.
    9Op bevel van Jahweh trokken de IsraŽlieten verder, op bevel van Jahweh sloegen zij hun legerplaats op, en zolang de wolk op de tabernakel bleef rusten, bleven zij in hun legerplaats.
    9Wanneer de wolk langere tijd op de tabernakel bleef rusten, richtten de IsraŽlieten zich naar Jahweh?s beschikking, en trokken niet verder.
    9Soms bleef de wolk maar enige dagen boven de tabernakel; ook dan legerden zij zich op Jahweh?s bevel en trokken verder op Jahweh?s bevel.
    9Soms bleef de wolk slechts van de avond tot de morgen; maar als de wolk zich des morgens verhief, braken zij op. En of het dag was of nacht, als de wolk zich verhief, braken zij op.
    9En of de wolk twee dagen, of een maand of nog langer, op de tabernakel bleef rusten, zolang zij daarop bleef rusten, bleven de IsraŽlieten gelegerd en braken niet op; eerst als zij opsteeg, trokken zij verder.
    9Dus op bevel van Jahweh sloegen zij hun legerplaats op, en op bevel van Jahweh trokken zij verder. Steeds richtten zij zich naar de beschikking van Jahweh, zoals Jahweh het door Moses bevolen had.
    10Nog sprak Jahweh tot Moses:
    10Maak u twee zilveren trompetten van drijfwerk. Zij zullen dienen, om de gemeenschap bijeen te roepen en de kampen te doen opbreken.
    10Blaast men op beide, dan moet heel de gemeenschap zich bij u verzamelen aan de ingang van de openbaringstent.
    10Blaast men er ťťn, dan moeten de aanvoerders, de stamhoofden van IsraŽl, zich bij u vervoegen.
    10Maar laat ge ze schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die ten oosten zijn gelegerd;
    10laat ge ze voor de tweede maal schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die in het zuiden zijn gelegerd; laat ge ze voor de derde maal schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die in het westen zijn gelegerd; en laat ge ze voor de vierde maal schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die in het noorden zijn gelegerd. Het schetteren is dus een teken, om op te breken;
    10om de gemeente bijeen te roepen, moet ge blazen, maar niet schetteren.
    10De zonen van Ašron, de priesters, moeten op de trompetten blazen; dit is een eeuwige wet van geslacht tot geslacht.
    10En wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen den vijand, die u belaagt, dan moet ge op de trompetten schetteren; zo zult ge bij Jahweh, uw God, in herinnering worden gebracht, en van uw vijanden worden verlost.
    10Ook op uw vreugdedagen en feesten, en op de eerste dag van uw maanden, moet ge bij uw brand- en uw vredeoffers op de trompetten blazen; zo zullen zij u bij uw God in herinnering brengen. Ik ben Jahweh, uw God!
    10In het tweede jaar, in de tweede maand, op de twintigste dag van de maand verhief zich de wolk boven de verbondstabernakel.
    10Toen braken de IsraŽlieten op, en trokken van halte tot halte uit de woestijn van de SinaÔ weg. Eerst in de woestijn Paran bleef de wolk rusten.
    10Dit was de eerste keer, dat zij optrokken volgens Jahweh?s bevel, dat hun door Moses was meegedeeld.
    10Het eerst trok de banier van het leger der JudeŽrs op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Našsson, de zoon van Amminadab;
    10over de afdeling van de stam der Issakarieten stond Netanel, de zoon van Soear;
    10over de afdeling van de stam der Zabulonieten stond Eliab, de zoon van Chelon.
    10Dan werd de tabernakel neergehaald, en braken de zonen van Gersjon en Merari op, die de tabernakel moesten dragen.
    10Daarna trok de banier van het leger der Rubenieten op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Elisoer, de zoon van Sjedeoer;
    10over de afdeling van de stam der Simeonieten stond SjeloemiŽl, de zoon van Soerisjaddai;
    10over de afdeling van de stam der Gadieten stond Eljasaf, de zoon van DeoeŽl.
    10Dan braken de zonen van Kehat op, die de heilige zaken moesten dragen. Als zij ergens aankwamen, had men de tabernakel weer opgericht.
    10Vervolgens trok de banier van het leger der EfraÔmieten op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Elisjama, de zoon van Ammihoed;
    10over de afdeling van de stam der Manassieten stond GamliŽl, de zoon van Pedasoer;
    10over de afdeling van de stam der Benjamieten stond Abidan, de zoon van Gidoni.
    10Als achterhoede van alle legers trok de banier van het leger der Danieten op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Achiťzer, de zoon van Ammisjaddai.
    10Over de afdeling van de stam der Aserieten stond PagiŽl, de zoon van Okran;
    10over de afdeling van de stam der Neftalieten stond Achira, de zoon van Enan.
    10Dit was de rangschikking der IsraŽlieten, ingedeeld naar hun afdelingen. Toen zij vertrokken,
    10sprak Moses tot zijn schoonvader Chobab, den zoon van ReoeŽl, den Midjaniet: Wij vertrekken naar de plaats, die Jahweh ons beloofd heeft te geven. Ga met ons mee, en wij zullen goed voor u zijn; want Jahweh heeft geluk beloofd aan IsraŽl.
    10Maar hij gaf hem ten antwoord: Ik ga niet met u mee, maar ik vertrek naar mijn land en mijn geboortegrond.
    10Hij sprak: Verlaat ons toch niet; want gij kent de geschikte legerplaatsen voor ons in de woestijn, en gij kunt onze gids zijn.
    10Wanneer gij met ons meegaat, dan zullen wij ook u in de voorspoed doen delen, die Jahweh ons zal schenken.
    10Zo trokken zij weg van de berg van Jahweh drie dagreizen ver. Want de ark van Jahweh?s Verbond ging drie dagen lang voor hen uit, om voor hen een rustplaats te zoeken;
    10ook toen zij uit de legerplaats waren opgetrokken, bleef de wolk van Jahweh overdag boven hen.
    10Als de ark dan optrok, sprak Moses: Rijs op, Jahweh, en uw vijanden stuiven uiteen, Die U haten vluchten weg voor uw aanschijn!
    10En als zij stil hield, sprak hij: Zet U neder, o Jahweh Bij de duizend maal tienduizenden van IsraŽl!
    11Eens begon het volk tegen Jahweh te klagen, dat het hun slecht ging. Toen Jahweh dat hoorde, ontstak Hij in gramschap; en het vuur van Jahweh laaide onder hen op, en vernielde een hoek van de legerplaats.
    11Nu riep het volk tot Moses om hulp; Moses bad tot Jahweh, en het vuur doofde uit.
    11Hij noemde die plaats Tabera, omdat het vuur van Jahweh onder hen was ontbrand.
    11Een andere keer liet het uitvaagsel, dat zich onder hen ophield, zich door zijn begeerlijkheid meeslepen, zodat ook de IsraŽlieten weer begonnen te klagen, en zeiden: Gaf men ons maar eens vlees te eten!
    11Wij denken nog terug aan de vis, die we in Egypte voor niets konden eten, en aan de augurken, meloenen, prei, uien en knoflook;
    11nu drogen we uit, en krijgen we niets dan dat manna te zien.
    11Het manna leek op korianderzaad, en zag er uit als geurige hars.
    11Het volk trok er op uit, om het bijeen te rapen, maalde het met de molen of stampte het fijn in de vijzel, kookte het in een pot, en maakte er koeken van; en het had de smaak van oliegebak.
    11En wanneer des nachts de dauw op de legerplaats viel, daalde ook het manna erop neer.
    11Toen Moses het volk hoorde klagen, het ene gezin na het andere, iedereen bij de ingang van zijn tent, ontstak Jahweh in heftige toorn. Maar ook Moses werd boos,
    11en hij sprak tot Jahweh: Waarom doet Gij uw dienaar dit leed aan, en vind ik zo weinig genade in uw ogen, dat Gij mij de last van heel dit volk maar laat torsen?
    11Heb ik al dat volk soms ontvangen of gebaard, dat Gij tegen mij zegt: Draag het in uw schoot, zoals een verpleegster een zuigeling draagt, naar het land, dat Gij aan hun vaderen onder ede beloofd hebt.
    11Waar haal ik het vlees vandaan, om aan al dat volk te geven; want het jammert tegen mij: Geef ons toch vlees te eten!
    11Ik kan al dat volk niet alleen dragen: het is mij te zwaar.
    11Wanneer Gij mij zo blijft behandelen, dood mij dan liever, indien ik genade gevonden heb in uw ogen, opdat ik mijn ellende niet langer hoef aan te zien.
    11Toen sprak Jahweh tot Moses: Kies Mij zeventig mannen uit onder de oudsten van IsraŽl, van wie ge weet, dat ze de oudsten van het volk en zijn leiders zijn; breng ze bij de openbaringstent en dat zij zich daar met u opstellen.
    11Dan zal Ik afdalen, en daar met u spreken; Ik zal een deel van de geest nemen, die op u rust, en die over hen uitstorten, zodat zij te zamen met u de last van het volk kunnen dragen, en gij die niet alleen hoeft te torsen.
    11En tot het volk moet gij zeggen: Heiligt u voor morgen; dan zult gij vlees eten. Want Jahweh heeft u horen klagen: ?Gaf men ons maar eens vlees te eten; wat hadden we het in Egypte toch goed! Ja, Jahweh zal u vlees te eten geven!
    11En ge zult het eten, niet enkel ťťn dag, niet twee, vijf, tien of twintig dagen,
    11maar een hele maand lang, totdat het uw neus uitkomt en gij ervan walgt; want gij hebt Jahweh veracht, die in uw midden woont, en tegen Hem durven klagen: ?Waarom zijn wij uit Egypte getrokken?
    11En Moses zei: Het volk waaronder ik toef, is zeshonderd duizend man sterk, en Gij zegt: ?Ik zal het een maand lang vlees laten eten!
    11Kunnen er voor hen genoeg schapen en runderen worden geslacht; of als men alle vissen uit de zee voor hen ving, zou dat genoeg voor hen zijn?
    11Jahweh gaf Moses ten antwoord: Is Jahweh?s hand soms te kort? Nu zult ge zien, of mijn woord uitkomt, of niet!
    11Toen trad Moses naar buiten, en deelde het volk mee, wat Jahweh gezegd had. Hij koos zeventig mannen uit onder de oudsten van het volk, en stelde ze op rond de Tent.
    11Nu daalde Jahweh neer in de wolk, en sprak tot hem; en Hij nam een deel van de geest, die op Moses rustte, en stortte die over de zeventig oudsten uit. Zodra de geest op hen rustte, profeteerden zij en hielden niet op.
    11Nu waren er twee van die mannen in de legerplaats achtergebleven; de een heette Eldad, de ander Medad. Daar ze waren opgetekend, rustte de geest ook op hen. En ofschoon ze niet naar de Tent waren gegaan, profeteerden ze toch in de legerplaats.
    11Een knaap ging het ijlings aan Moses berichten, en zeide: Eldad en Medad zijn in de legerplaats aan het profeteren.
    11En JosuŽ, de zoon van Noen, die Moses van zijn jeugd af gediend had, drong aan: Moses, mijn meester, belet het hun.
    11Maar Moses gaf hem ten antwoord: Zijt gij afgunstig om mijnentwille? O, mocht heel het volk van Jahweh profeet zijn, omdat Jahweh zijn geest op hen had gelegd!
    11Daarna trok Moses zich met de oudsten van IsraŽl in het legerkamp terug.
    11Daarop zond Jahweh een wind, die uit de zee kwartels aanvoerde, en ze twee ellen boven de grond over de legerplaats joeg, en rondom de legerplaats een dagreis ver naar alle kanten.
    11En het volk bleef heel die dag en die nacht, en nog heel de volgende dag in de weer, om de kwartels te vangen; die het minst ving had nog tien chůmer. Zij spreidden ze wijd rond de legerplaats uit.
    11Maar nog was het vlees onverteerd tussen hun tanden of daar barstte Jahweh?s gramschap los tegen het volk, en richtte Jahweh een grote slachting onder hen aan.
    11Daarom noemde men die plaats Kibrot-Hattašwa; want men begroef daar het volk, dat gulzig was geweest.
    11Van Kibrot-Hattašwa trok het volk naar Chaserot op, en het bleef te Chaserot.
    12Eens maakten Mirjam en Ašron Moses een verwijt over zijn koesjietische vrouw, die hij zich had genomen; want hij had een vrouw uit Koesj gehuwd.
    12Zij zeiden: Heeft Jahweh soms alleen tot Moses gesproken; heeft Hij ook niet tot ons gesproken? Jahweh hoorde het.
    12En daar Moses een zeer deemoedig man was, meer dan iemand ter wereld,
    12sprak Jahweh ogenblikkelijk tot Moses, Ašron en Mirjam: Gaat met uw drieŽn naar de openbaringstent. En zij gingen er met hun drieŽn heen.
    12Toen daalde Jahweh in de wolkkolom neer, en ging bij de ingang van de Tent staan. Hij riep Ašron en Mirjam, en toen beiden naar voren waren getreden,
    12sprak Jahweh: Hoort mijn woord! Zo er een profeet onder u is, Openbaar Ik Mij aan hem in een visioen, En spreek tot hem in een droom;
    12Zo niet met Moses, mijn dienaar, Die getrouw is bevonden in heel mijn huis;
    12Tot hem spreek Ik van mond tot mond, Niet in visioenen en raadsels: Hij aanschouwt Jahweh in eigen persoon! Waarom vreest ge dan niet, Mijn dienaar Moses verwijten te doen?
    12Ziedend van gramschap ging Jahweh heen.
    12En toen de wolk boven de openbaringstent was opgetrokken, was Mirjam melaats, en wit als sneeuw en toen Ašron zich tot Mirjam wendde: daar stond een melaatse.
    12Nu sprak Ašron tot Moses: Ach, heer; wil toch op ons de zonde niet wreken, die wij in onze dwaasheid hebben begaan.
    12Laat haar niet op een doodgeborene lijken, wiens vlees voor de helft al verteerd is, als hij uit de moederschoot komt.
    12En Moses smeekte Jahweh: Ach neen; wil haar genezen!
    12Jahweh gaf Moses ten antwoord: Als haar vader haar in het gelaat had gespuwd, zou ze zich dan niet zeven dagen lang hebben geschaamd? Zo zal ze zeven dagen lang buiten de legerplaats worden gesloten; daarna mag ze weer worden toegelaten.
    12Mirjam werd dus zeven dagen lang buiten de legerplaats gesloten; en het volk trok niet op, voor Mirjam weer was toegelaten.
    12Daarna brak het volk op van Chaserot, en legerde zich in de woestijn Paran.
    13Daar sprak Jahweh tot Moses:
    13Zend mannen uit, om het land Kanašn te verkennen, dat Ik aan IsraŽls kinderen zal geven; uit iedere vaderstam moet ge ťťn man zenden en allen moeten het aanvoerders zijn.
    13Moses zond hen dus op Jahweh?s bevel uit de woestijn Paran op weg. Al die mannen waren hoofden van de IsraŽlieten,
    13en dit zijn hun namen: Uit de stam Ruben Sjammůea, de zoon van Zakkoer;
    13uit de stam Simeon Sjafat, de zoon van Chori;
    13uit de stam Juda Kaleb, de zoon van Jefoenne;
    13uit de stam Issakar Jigal, de zoon van Josef;
    13uit de stam EfraÔm Hosjťa, de zoon van Noen;
    13uit de stam Benjamin Palti, de zoon van Rafoe;
    13uit de stam Zabulon GaddiŽl, de zoon van Sodi;
    13uit de stam Josef en wel uit de stam Manasse Gaddi, de zoon van Soesi;
    13uit de stam Dan AmmiŽl, de zoon van Gemalli;
    13uit de stam Aser Setoer, de zoon van MikaŽl;
    13uit de stam Neftali Nachbi, de zoon van Wofsi;
    13uit de stam Gad GeoeŽl, de zoon van Maki.
    13Dit waren de namen der mannen, die Moses uitzond, om het land te verkennen; maar Moses noemde Hosjťa, den zoon van Noen, JosuŽ.
    13Moses zond ze dus uit, om het land Kanašn te verkennen, en zei hun: Trekt hier de Nťgeb in, en bestijgt het bergland.
    13Ziet, hoe het met het land is gesteld; of het volk, dat er woont, sterk is of zwak, gering of talrijk;
    13of het land, waarin het woont, vruchtbaar of dor is: of de steden, die het bewoont, open zijn of versterkt;
    13of de bodem vet is of schraal; of er bomen zijn of niet; toont, dat ge moed hebt. Brengt ook wat vruchten van het land mee; het was toen juist de tijd der eerste druiven.
    13Zij trokken dan uit, om het land te verkennen van de woestijn Sin tot aan Rechob bij Chamat.
    13Zij trokken de Nťgeb in, en bereikten Hebron, waar de Anakskinderen Achiman, Sjesjai en Talmai woonden; Hebron was zeven jaar eerder gebouwd dan het egyptische Sůan.
    13Zij drongen tot aan de vallei Esjkol door, waar zij een wijnrank met een druiventros afsneden, die zij met hun tweeŽn aan een stok moesten dragen; bovendien nog wat granaatappels en vijgen.
    13Men noemt die plaats Esjkol-vallei om de druiventros, die de IsraŽlieten daar hadden afgesneden.
    13Na het land te hebben verkend, keerden zij veertig dagen later terug,
    13en gingen naar Moses en Ašron en heel de gemeenschap der IsraŽlieten in de woestijn Paran te Kadesj, waar zij hun en heel de gemeenschap verslag uitbrachten, en hun de vruchten van het land lieten zien.
    13Zij vertelden hem: Wij zijn dan in het land geweest, waar gij ons hebt heengezonden, en het druipt werkelijk van melk en honing; hier hebt ge zijn vruchten.
    13Maar het volk, dat het land bewoont, is sterk en de steden zijn ontoegankelijk en zeer groot; bovendien hebben wij daar de Anakskinderen gezien.
    13De Amalekieten wonen in de Nťgeb; de Chittieten, Jeboesieten en Amorieten in de bergen: en de Kanašnieten langs de zee en langs de oever van de Jordaan.
    13Kaleb trachtte nog het volk, dat om Moses stond, gerust te stellen, en sprak: Laat ons zo gauw mogelijk optrekken, en het veroveren; want we kunnen het gemakkelijk aan!
    13Maar de mannen, die met hem waren opgetrokken, beweerden: We kunnen niet oprukken tegen dat volk; want het is sterker dan wij.
    13En nu begonnen ze onder de IsraŽlieten allerlei praatjes te vertellen over het land, dat zij hadden verkend, en zeiden: Het land, dat we hebben doorkruist, om het te verkennen, verslindt zijn bewoners, en al het volk, dat we daar hebben gezien, is vreselijk groot.
    13We hebben daar zelfs reuzen gezien, bij wie wij wel sprinkhanen leken, zowel in onze eigen ogen als in die van hen.
    14Toen begon al het volk in die nacht te schreeuwen en te jammeren.
    14Alle IsraŽlieten morden tegen Moses en Ašron, en heel de gemeenschap zei tot hen: Ach, waren we toch in het land van Egypte gestorven, of omgekomen in deze woestijn!
    14Waarom brengt Jahweh ons naar dit land, waar wij door het zwaard zullen vallen, en onze vrouwen en kinderen een prooi zullen worden? Is het niet beter, dat we terugkeren naar Egypte?
    14En onder elkander spraken zij af: Laten we een aanvoerder kiezen; dan gaan we terug naar Egypte!
    14Toen wierpen Moses en Ašron zich voor heel de verzamelde gemeenschap van IsraŽls kinderen neer.
    14En JosuŽ, de zoon van Noen, en Kaleb, de zoon van Jefoenne, die tot de verkenners van het land hadden behoord, scheurden hun kleren,
    14en riepen tot heel de gemeenschap der IsraŽlieten: Het land, dat wij hebben doorkruist, om het te verkennen, is buitengewoon vruchtbaar.
    14Zo Jahweh ons genadig is, brengt Hij ons naar dit land, en geeft Hij ons een land, dat druipt van melk en honing.
    14Neen, weest niet weerspannig tegen Jahweh! Ge behoeft de bewoners van het land niet te vrezen; want ze zijn onze prooi. Hun schaduw is van hen weggegleden, terwijl Jahweh ons bijstaat, vreest hen dus niet.
    14Maar reeds maakte heel de gemeenschap aanstalten om hen te stenigen, toen eensklaps de Glorie van Jahweh boven de openbaringstent aan alle IsraŽlieten verscheen.
    14En Jahweh sprak tot Moses: Hoe lang zal dit volk Mij verguizen; hoe lang zal het weigeren in Mij te geloven, ondanks alle tekenen, die Ik onder hen heb verricht?
    14Ik zal hen slaan met de pest, en hen uitroeien; dan maak Ik u tot een groter en machtiger volk!
    14Maar Moses zeide tot Jahweh: De Egyptenaren hebben gehoord, dat Gij door uw kracht dit volk uit hun midden hebt weggevoerd.
    14Ook de bewoners van dit land hebben vernomen, dat Gij, Jahweh, te midden van dit volk vertoeft; dat Gij, Jahweh, voor aller ogen verschijnt, en dat uw wolk boven hen staat, dat Gij in een wolkkolom overdag en des nachts in een vuurkolom voor hen uitgaat.
    14Wanneer Gij nu dit volk tot den laatsten man doodt, zullen de volken, die uw faam hebben gehoord, zeggen:
    14Omdat Jahweh niet machtig genoeg was, dit volk naar het land te brengen, dat Hij hun onder ede beloofd had, heeft Hij ze maar in de woestijn vermoord.
    14Toon nu, Heer, de grootheid van uw kracht, zoals Gij zelf hebt gezegd:
    14Jahweh is lankmoedig en rijk aan genade. Hij vergeeft de zonden en misdaden wel maar laat ze niet ongestraft; Hij wreekt de misdaad van de vaderen op de zonen tot in het derde en vierde geslacht.
    14Ach, vergeef dan de zonde van dit volk volgens uw grote ontferming, zoals Gij dit volk vergeven hebt van Egypte tot hier toe.
    14Toen sprak Jahweh: Op uw bede schenk Ik vergiffenis.
    14Maar, zo waarachtig Ik leef, en heel de aarde van de glorie van Jahweh vervuld is,
    14geen van de mannen, die mijn Glorie hebben aanschouwd, en mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn heb gewrocht, maar Mij nu voor de tiende maal tarten en niet naar mijn stem willen luisteren:
    14geen van hen zal het land aanschouwen, dat Ik hun vaderen onder ede beloofd heb. Niemand, die Mij heeft verguisd, zal het aanschouwen,
    14maar mijn dienaar Kaleb, die van een andere geest is bezield en Mij dan ook trouw is gebleven, zal Ik als beloning in het land brengen, waar hij is binnengetreden, en zijn nakomelingschap zal het bezitten.
    14Trekt morgen weer de woestijn in, de richting uit van de Rode Zee.
    14En Jahweh vervolgde tot Moses en Ašron:
    14Hoe lang zal deze boze gemeenschap nog tegen Mij morren? Het gemor, dat de IsraŽlieten tegen Mij hebben aangeheven, heb Ik vernomen.
    14Zeg hun: Zo waar Ik leef, is de godsspraak van Jahweh! Zoals zij te mijnen aanhoren hebben gesproken, zo zal Ik met u doen.
    14In deze woestijn zullen uw lijken vallen: allen, die van u gemonsterd zijn, allen zonder uitzondering, van twintig jaar af: omdat gij tegen Mij hebt gemord.
    14Neen, gij komt het land niet binnen, dat Ik u met opgestoken hand als woonplaats beloofd heb, behalve Kaleb, de zoon van Jefoenne en JosuŽ, de zoon van Noen.
    14Maar uw kinderen, die gij al tot een prooi hebt verklaard, zal Ik er binnenleiden, en zij zullen het land waarderen, dat gij hebt versmaad.
    14Uw lijken zullen in deze woestijn blijven liggen,
    14en uw zonen zullen veertig jaar lang in de woestijn blijven zwerven en uw tuchteloos gedrag moeten boeten, totdat uw lijken in de woestijn zijn vergaan.
    14Zoals gij veertig dagen het land hebt verkend, zo zullen zij veertig jaren uw misdaden boeten, een jaar voor iedere dag. Zo zult ge beseffen wat mijn afkeer betekent,
    14Ik, Jahweh, heb het gezegd! Zo zal Ik doen met heel deze boze gemeenschap, die tegen Mij heeft samengespannen; in deze woestijn zullen zij omkomen, daar zullen zij sterven.
    14De mannen nu, die Moses had uitgezonden, om het land te verkennen, en die bij hun terugkeer heel de gemeenschap tegen Hem hadden doen morren, door praatjes over dat land te vertellen,
    14de mannen, die dergelijke lasterpraat hadden verspreid, stierven voor het aanschijn van Jahweh een plotselinge dood.
    14Van al de mannen, die het land waren gaan verkennen, bleven alleen JosuŽ, de zoon van Noen, en Kaleb, de zoon van Jefoenne, in leven.
    14Toen Moses dit alles aan de IsraŽlieten had overgebracht, werd het volk diep bedroefd.
    14Vroeg in de volgende morgen wilden zij de top van de berg beklimmen, en riepen: Zie, we trekken al op naar de plaats, waarvan Jahweh gesproken heeft; want we hebben gezondigd!
    14Maar Moses sprak: Waarom overtreedt ge Jahweh?s bevel? Het zal u niet lukken.
    14Trekt niet op; want Jahweh is niet in uw midden. Ge zult zeker door uw vijanden worden verslagen;
    14want de Amalekieten en Kanašnieten staan daar tegenover u. Door het zwaard zult ge vallen; want gij hebt u van Jahweh afgekeerd, en Jahweh staat u niet bij.
    14Maar ze waren vermetel genoeg, om toch de top van de berg te bestijgen, ofschoon de ark van Jahweh?s Verbond en Moses de legerplaats niet verlieten.
    14Doch de Amalekieten en Kanašnieten, die op de berg woonden, kwamen naar beneden, versloegen ze, en dreven ze terug tot Chorma toe. En de Amalekieten en Kanašnieten hielden het laagland bezet.
    15Jahweh sprak tot Moses:
    15Beveel de IsraŽlieten en zeg hun: Wanneer gij het land, waar gij wonen zult en dat Ik u geven zal, zijt binnengegaan,
    15en gij wilt Jahweh een vuuroffer brengen, een brand- of een slachtoffer, als vervulling van een gelofte, als een vrijwillige gave, of bij uw feesten, om zo Jahweh uit het rundvee of kleinvee een heerlijke geur te bereiden:
    15dan moet hij, die een lam aan Jahweh offert, als spijsoffer een issaron meelbloem, gemengd met een vierde hin olie,
    15als plengoffer een vierde hin wijn bij het brand- of slachtoffer voegen.
    15Bij een ram moet ge als spijsoffer twee issaron meelbloem, gemengd met een derde hin olie,
    15en als plengoffer een derde hin wijn opdragen als een heerlijke geur voor Jahweh.
    15Wanneer gij een jong rund als brand- of slachtoffer wilt brengen, als vervulling van een gelofte, of als vredeoffer voor Jahweh,
    15dan moet ge bij het rund als spijsoffer drie issaron meelbloem, gemengd met een halve hin olie,
    15en als plengoffer een halve hin wijn opdragen als een heerlijk geurend vuuroffer voor Jahweh.
    15Zo moet ge doen bij iederen stier, bij iederen ram, bij ieder lam of elke jonge geit.
    15Zoveel dieren ge offert, zoveel spijsoffers moet ge brengen.
    15Zo moet ieder landskind handelen, als hij Jahweh een heerlijk geurend vuuroffer wil brengen.
    15Wanneer een vreemdeling, die tijdelijk bij u vertoeft, of reeds geslachten lang in uw midden woont, Jahweh een heerlijk geurend vuuroffer wil brengen, dan moet hij het op dezelfde manier doen als gij.
    15Hetzelfde voorschrift geldt voor u en voor den vreemdeling, die bij u vertoeft; het is een eeuwig geldend voorschrift van geslacht tot geslacht. Gij en de vreemdeling zullen voor Jahweh gelijk zijn.
    15Dezelfde wet en dezelfde bepalingen gelden voor u en voor den vreemdeling, die bij u vertoeft.
    15Jahweh sprak tot Moses:
    15Beveel de IsraŽlieten, en zeg hun: Wanneer ge in het land zijt gekomen, waarheen Ik u breng,
    15en gij eet het brood van het land, dan moet gij een cijns aan Jahweh afstaan.
    15Als eersteling van uw meel moet ge een koek als cijns afdragen; als een cijns van de dorsvloer moet ge ze brengen.
    15Van uw eerste meel moet gij een cijns aan Jahweh brengen van geslacht tot geslacht.
    15Wanneer de gemeenschap een misstap begaat, en al deze geboden, die Jahweh aan Moses heeft gegeven, niet onderhoudt:
    15alles namelijk wat Jahweh u door Moses heeft geboden van de dag af, dat Jahweh het u bevolen heeft tot later bij uw nageslacht:
    15maar het buiten weten van de gemeenschap bij vergissing gebeurt, dan moet heel de gemeenschap een jongen stier als een heerlijk geurend brandoffer met zijn voorgeschreven spijs- en drankoffer aan Jahweh opdragen, en een bok als zondeoffer.
    15De priester zal voor heel de gemeenschap der IsraŽlieten verzoening verkrijgen, en hun zal vergiffenis worden geschonken, omdat het een vergissing was, en omdat zij voor hun vergissing hun gaven als een vuuroffer aan Jahweh en hun zondeoffer voor het aanschijn van Jahweh hebben gebracht.
    15Heel de gemeenschap der IsraŽlieten zal die vergiffenis moeten verkrijgen, met den vreemdeling, die in uw midden woont; want de vergissing drukt op heel het volk.
    15Wanneer een enkel persoon bij vergissing een zonde begaat, moet hij een eenjarig geitje als zondeoffer brengen.
    15De priester zal voor het aanschijn van Jahweh voor hem, die bij vergissing zonde heeft begaan, verzoening verkrijgen door de verzoeningsplechtigheid voor hem te verrichten; dan zal hem vergiffenis worden geschonken.
    15Dezelfde wet geldt voor u allen, die een vergissing begaat, voor den ingezetene onder de IsraŽlieten en voor den vreemdeling in uw midden.
    15Maar wanneer iemand, een ingezetene of een vreemdeling, met opzet zondigt, dan hoont hij Jahweh, en zal van zijn volk worden afgesneden.
    15Want hij heeft het woord van Jahweh veracht, en zijn gebod overtreden; hij zal onherroepelijk worden afgesneden, en zijn zonde moeten boeten.
    15Terwijl de IsraŽlieten in de woestijn vertoefden, betrapten zij een man, die op de sabbat hout aan het sprokkelen was.
    15Zij, die hem daarbij betrapten, brachten hem voor Moses en Ašron en heel de gemeenschap.
    15Men zette hem in verzekerde bewaring, omdat er nog niet duidelijk was bepaald, wat er met hem moest gebeuren.
    15Maar Jahweh sprak tot Moses: Die man moet ter dood worden gebracht; heel de gemeenschap moet hem buiten de legerplaats stenigen.
    15Heel de gemeenschap voerde hem dus buiten de legerplaats, en stenigde hem dood, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    15Jahweh sprak tot Moses:
    15Beveel de IsraŽlieten, en zeg hun, dat zij en hun nageslacht kwasten moeten maken aan de slippen van hun kleren, en aan de slipkwasten een violette draad.
    15Dit is de bedoeling der kwasten: Wanneer gij ze ziet, zult ge u alle geboden van Jahweh herinneren, en ze volbrengen, en niet uw harten en ogen volgen, en u daardoor laten verleiden.
    15Zo zult ge al mijn geboden indachtig zijn, ze volbrengen, en heilig zijn voor uw God.
    15Ik ben Jahweh, uw God, die u uit Egypte heb geleid, om uw God te zijn; Ik ben Jahweh, uw God!
    16Kore, de zoon van Jishar, zoon van Kehat, zoon van Levi, en Datan en Abiram, zonen van Eliab, zoon van Palloe, zoon van Ruben,
    16kwamen in opstand tegen Moses met twee honderd vijftig israŽlietische mannen, allemaal leiders van de gemeenschap, raadslieden en mannen van aanzien.
    16Zij schoolden samen tegen Moses en Ašron, en zeiden: Nu is het genoeg, zonen van Levi! Heel de gemeenschap en al haar leden zijn heilig, en Jahweh is in hun midden. Waarom verheft gij u dan boven de gemeente van Jahweh?
    16Toen Moses dit hoorde, viel hij op zijn aangezicht neer,
    16en sprak tot Kore en heel zijn aanhang: Morgen zal Jahweh doen weten, wie Hem behoort, wie heilig is, en tot Hem mag naderen, en wien Hij uitverkoren heeft, om tot Hem te komen.
    16Laat Kore en heel zijn aanhang dus het volgende doen: Neemt wierookvaten,
    16legt daar morgen vuur in, en doet er wierook op voor het aanschijn van Jahweh; wie Jahweh dan zal uitverkiezen, zal heilig zijn.
    16En Moses vervolgde tot Kore: Luistert, zonen van Levi!
    16Is het u niet genoeg, dat IsraŽls God u van de gemeenschap van IsraŽl heeft afgezonderd, om u tot Zich te doen naderen, de dienst in de tabernakel van Jahweh te verrichten, en voor de gemeenschap te staan, om haar te dienen?
    16Hij heeft u met al de zonen van Levi, uw broeders, tot Zich doen komen, en nu eist ge ook nog het priesterschap?
    16Dus tegen Jahweh spant gij samen met heel uw aanhang. Want wat is Ašron, dat gij mort tegen hem!
    16Moses liet nu Datan en Abiram, de zonen van Eliab, ontbieden. Maar zij antwoordden: We komen niet.
    16Is het u niet genoeg, dat gij ons hebt weggevoerd uit een land, dat van melk en honing overvloeit, om ons in de woestijn te doen sterven? Wilt ge ons ook nog tiranniseren?
    16Ge hebt ons niet eens naar een land gebracht, dat van melk en honing overvloeit, of ons akkers en wijngaarden gegeven. Wilt gij die mannen zand in de ogen strooien? Wij komen niet!
    16Toen werd Moses zeer vergramd, en hij sprak tot Jahweh: Neem hun offer niet aan; geen ezel heb ik hun ontnomen, en niemand hunner kwaad gedaan.
    16Daarna sprak Moses tot Kore: Zorg, dat gij u morgen met heel uw aanhang voor het aanschijn van Jahweh bevindt: gij, de anderen en Ašron.
    16Iedereen moet zijn wierookvat nemen, er wierook in doen, en het voor het aanschijn van Jahweh brengen; dus twee honderd vijftig wierookvaten, behalve dat van u zelf en Ašron.
    16Iedereen nam dus zijn wierookvat, legde er vuur in, deed er wierook op, en stelde zich op bij de ingang van de openbaringstent. Zo deden ook Moses en Ašron.
    16Maar Kore had heel de gemeenschap tegen hen opgeroepen bij de ingang van de openbaringstent. Toen verscheen de heerlijkheid van Jahweh aan heel de gemeenschap.
    16En Jahweh sprak tot Moses en Ašron:
    16Zondert u af van deze gemeenschap; want Ik zal ze in een oogwenk verdelgen.
    16Toen vielen zij op hun aangezicht neer, en zeiden: O God! God over het leven van alle schepselen! Een enkel man heeft gezondigd, en Gij zoudt op heel de gemeenschap vergramd zijn!
    16Jahweh gaf Moses ten antwoord:
    16Beveel de gemeenschap: Verwijdert u van de aanhang van Kore!
    16Daarop ging Moses zelf naar Datan en Abiram, en de oudsten van IsraŽl volgden hem.
    16En hij beval de gemeenschap: Verwijdert u van de tenten dezer booswichten, en raakt niets aan, wat hun toebehoort, opdat ge niet wordt meegesleept met al hun zonden.
    16En men verwijderde zich van de woningen van Kore, Datan en Abiram. Intussen waren Datan en Abiram naar buiten gekomen en met hun vrouwen, zonen en kleine kinderen aan de ingang van hun tenten gaan staan.
    16Nu sprak Moses: Hieraan zult ge erkennen, dat Jahweh mij heeft gezonden, om dit alles te doen, en dat het geen eigen verzinsel is!
    16Zo die daar sterven als alle mensen, en het lot aller mensen hen treft, dan heeft Jahweh mij niet gezonden.
    16Maar zo Jahweh iets ongehoords wrocht, zo de grond zijn muil openspert en hen met al het hunne verslindt, zodat ze levend in het dodenrijk dalen, dan zult ge erkennen, dat die mannen Jahweh hebben gehoond.
    16Nauwelijks had hij dit alles gezegd, of de grond onder hen scheurde open.
    16De aarde opende haar muil, en verslond hen met hun huisgezinnen, met alle mensen, die bij Kore hoorden en heel hun bezit.
    16Met al de hunnen, daalden ze levend in het dodenrijk af; de aarde bedekte hen, en ze werden verdelgd uit de gemeente.
    16Heel IsraŽl, dat hen omringde, vluchtte weg bij hun gillen, want ze dachten: Anders verslindt de aarde ook ons!
    16Toen ging een vuur uit van Jahweh, en verteerde de twee honderd vijftig mannen, die wierook stonden te offeren.
    16Daarna sprak Jahweh tot Moses:
    16Beveel Elazar, den zoon van den priester Ašron, de wierookvaten uit de brand te redden, en het vuur op enige afstand te verstrooien;
    16want de wierookvaten dezer boosdoeners, die hun leven verbeurd hebben, zijn aan het heiligdom vervallen. Slaat ze tot dunne platen, om het altaar te bekleden; want men heeft ze Jahweh aangeboden, en daardoor zijn ze aan het heiligdom vervallen. Zo zullen ze voor de IsraŽlieten een waarschuwing zijn.
    16De priester Elazar nam dus de koperen wierookvaten, die zij, die verbrand waren, hadden aangeboden, en plette ze tot een bekleding van het altaar;
    16als een herinnering voor de IsraŽlieten, dat geen onbevoegde, iemand, die niet tot het geslacht van Ašron behoort, naderbij mag komen, om Jahweh een reukoffer te brengen, opdat het hem niet zal gaan als Kore en zijn aanhang, zoals Jahweh het hem door Moses gezegd had.
    16Maar nu sloeg heel de gemeenschap der IsraŽlieten de volgende dag tegen Moses en Ašron aan het morren, en zeide: Gij hebt het volk van Jahweh gedood!
    16En daar de gemeenschap tegen Moses en Ašron te hoop liep, begaven zij zich naar de openbaringstent: en zie de wolk overdekte haar, en de heerlijkheid van Jahweh verscheen.
    16Toen Moses en Ašron voor de openbaringstent waren getreden,
    16sprak Jahweh tot Moses:
    16Verwijder u van deze gemeenschap; want in een oogwenk zal Ik ze verdelgen! Maar zij vielen op hun aangezicht neer,
    16en Moses sprak tot Ašron: Neem het wierookvat, leg er vuur in van het altaar, doe er wierook op, en loop er gauw mee naar de gemeenschap, om verzoening voor hen te verkrijgen; want de toorn is van Jahweh?s aanschijn uitgegaan, en de straf is al begonnen.
    16Ašron nam zijn wierookvat, zoals Moses bevolen had, en snelde midden tussen de gemeente in. En zie, de straf was onder het volk al begonnen. Hij deed er wierook op, voltrok de verzoeningsplechtigheid over het volk,
    16en stelde zich tussen de doden en de levenden, zodat de plaag werd gestuit.
    16Er waren er veertien duizend zevenhonderd door de plaag gestorven, behalve nog de anderen, die door het gebeurde met Kore waren omgekomen.
    16Toen keerde Ašron naar Moses bij de openbaringstent terug. De plaag had opgehouden.
    17Jahweh sprak tot Moses:
    17Beveel de IsraŽlieten de staf van al hun stamvorsten te brengen, van elke stam ťťn, dus twaalf staven. Schrijf ieders naam op zijn staf.
    17Maar op de staf van Levi moet ge de naam van Ašron schrijven; want ook voor hun stamhoofd moet er een staf zijn.
    17Leg ze dan in de openbaringstent voor de verbondstafelen neer, waar Ik Mij aan u openbaar.
    17De staf van den man, dien Ik uitkies, zal gaan bloeien. Zo zal Ik het gemor van de IsraŽlieten tegen u tot zwijgen brengen.
    17Moses bracht het aan de IsraŽlieten over, en al hun stamhoofden gaven hem ieder een staf; dus twaalf staven, voor iedere stam ťťn; ook de staf van Ašron bevond zich daarbij.
    17Moses legde die staven voor het aanschijn van Jahweh in de openbaringstent neer.
    17Toen Moses de volgende dag in de verbondstent kwam: waarachtig, daar was de staf van Ašron, die aan de stam van Levi behoorde, gaan bloeien; hij had knoppen en bloesem en droeg rijpe amandelen.
    17Moses nam al de staven voor het aanschijn van Jahweh weg, en bracht ze naar alle IsraŽlieten; deze zagen het ook, en iedereen nam zijn eigen staf terug.
    17Toen sprak Jahweh tot Moses: Leg de staf van Ašron weer voor de verbondstafelen neer, om hem te bewaren als een waarschuwing voor de weerspannigen, en maak daarmee een eind aan hun morren, opdat zij niet sterven.
    17En Moses deed, wat Jahweh hem bevolen had.
    17Maar nu zeiden de IsraŽlieten tot Moses: Ach, wij sterven, wij gaan te gronde, wij komen allemaal om!
    17Want iedereen sterft, die tot de tabernakel van Jahweh nadert! Moeten wij dan allen sterven?
    18Jahweh sprak tot Ašron: Gij, uw zonen en het huis van uw vader zult de verantwoording voor het heiligdom dragen; gij en uw zonen zult de verantwoording voor uw priesterschap dragen.
    18Maar ook uw broeders, de stam van Levi, de stam van uw vader, moet ge met u doen naderen tot de verbondstent, om zich bij u aan te sluiten, en u en uw zonen te dienen.
    18Zij moeten verrichten wat voor uw ambt en de hele dienst van de Tent nodig is; maar zij mogen de heilige zaken en het altaar niet aanraken; anders sterven zij en ook gijzelf.
    18Zij mogen zich dus bij u aansluiten om de dienst bij de openbaringstent uit te oefenen, bij alles wat er voor de Tent valt te doen; maar geen onbevoegde mag u naderen.
    18Gij moet de dienst van het heiligdom en de dienst van het altaar uitoefenen, opdat de Toorn niet opnieuw tegen de IsraŽlieten losbarst.
    18Zie, Ik heb uw broeders, de levieten, onder de IsraŽlieten uitgekozen, als een geschenk voor u; zij zijn ter beschikking van Jahweh gesteld, om de dienst bij de openbaringstent te verrichten.
    18Maar gij met uw zonen zult het priesterschap uitoefenen, bij alles wat aan het altaar en achter het voorhangsel moet worden verricht; als een geschenk geef Ik u het priesterschap; die onbevoegd durft naderen, moet worden gedood.
    18Jahweh sprak tot Ašron: Zie, wat van mijn offers overblijft, sta Ik u af; Ik geef het u en uw zonen als uw aandeel van alle gewijde gaven der IsraŽlieten, als een eeuwig recht.
    18Van de hoogheilige offers, voor zover ze niet worden verbrand, zullen al hun gaven aan spijs-, zonde- en schuldoffers, die zij Mij brengen, voor u zijn; dit hoogheilige zal voor u en uw zonen zijn.
    18Op een hoogheilige plaats moet gij het eten; alle mannelijke personen mogen ervan eten. Gij moet het als iets heiligs beschouwen.
    18Van de geschenken, die men brengt, is het volgende voor u bestemd: Alle strekoffers der IsraŽlieten geef Ik u en uw zonen en dochters als een eeuwig recht; iedereen van uw gezin, die rein is, mag ervan eten.
    18Ook al het beste van de olie, van de most en het koren, die zij als eerstelingen aan Jahweh brengen, geef Ik u.
    18Ook de eerste vruchten, die zij Jahweh brengen, van alles, wat op hun akkers groeit, zijn voor u; iedereen van uw gezin, die rein is, mag ze eten.
    18Ook al wat in IsraŽl met de ban is geslagen, is voor u.
    18Eveneens al wat de moederschoot opent van mens en dier, dat men Jahweh moet offeren, is voor u. Maar het eerstgeborene van de mensen moet ge laten vrijkopen, evenals het eerstgeborene van de onreine dieren.
    18Ge moet een kind laten loskopen, als het een maand oud is, en zijn losgeld zal de vastgestelde prijs bedragen, vijf sikkels volgens het heilig gewicht, dus twintig gera.
    18Maar het eerstgeborene van runderen, schapen en geiten, moogt gij niet laten vrijkopen, want zij zijn heilig; hun bloed moet ge tegen het altaar sprenkelen, en hun vet in rook doen opgaan als een heerlijk geurend vuuroffer voor Jahweh.
    18Hun vlees is voor u, evenals de borst van het strekoffer en de rechterschenkel.
    18Al deze heilige gaven, die de IsraŽlieten aan Jahweh schenken, geef Ik u en uw zonen en dochters als een eeuwig recht; het is voor u en uw geslacht een eeuwig verbond door zout bekrachtigd voor het aanschijn van Jahweh.
    18Maar tot Ašron zei Jahweh: Gij zult in hun land geen erfbezit ontvangen, en geen aandeel onder hen krijgen. Ik ben uw aandeel en erfbezit te midden van IsraŽls kinderen.
    18Aan de levieten geef Ik alle tienden in IsraŽl tot erfdeel als vergoeding voor hun dienst, die zij bij de openbaringstent verrichten.
    18De IsraŽlieten mogen dus niet langer tot de openbaringstent naderen; zij zouden daardoor een dodelijke schuld op zich laden.
    18Maar de levieten zullen de dienst bij de openbaringstent verrichten, en daarvoor verantwoordelijk zijn; dit is een eeuwige wet van geslacht tot geslacht. Zij zullen onder de IsraŽlieten geen erfdeel ontvangen;
    18want de tienden der IsraŽlieten, die zij als cijns aan Jahweh moeten opbrengen, geef Ik aan de levieten tot erfdeel. Daarom heb Ik aangaande hen bepaald: Zij zullen geen erfdeel verkrijgen onder IsraŽls kinderen.
    18Jahweh sprak tot Moses:
    18Beveel de levieten, en zeg hun: Wanneer gij van de IsraŽlieten de tienden ontvangt, die Ik u als uw erfdeel heb gegeven, dan moet gij daarvan een cijns aan Jahweh afdragen, de tienden namelijk van die tienden;
    18dit zal worden beschouwd als uw cijns van het koren op de dorsvloer, en van de wijn uit de perskuip.
    18Dus ook gij moet uw cijns aan Jahweh afdragen, en wel van al uw tienden, die gij van de IsraŽlieten ontvangt; deze cijns aan Jahweh moet gij aan den priester Ašron afstaan.
    18Van al wat gij ontvangt moet gij de volle cijns aan Jahweh brengen, en de heilige gaven moeten het beste deel daarvan zijn.
    18Ge moet hun dus zeggen: Slechts wanneer gij het beste deel daarvan afdraagt, zal dit de levieten worden aangerekend als de opbrengst van dorsvloer en perskuip.
    18De rest moogt ge met uw gezinnen op alle plaatsen eten; want het is het loon voor uw dienst bij de openbaringstent.
    18Wanneer gij maar het beste deel afdraagt, zult ge geen schuld op u laden, de heilige gaven der IsraŽlieten niet ontwijden, en niet sterven.
    19Jahweh sprak tot Moses en Ašron:
    19Dit is het voorschrift van de wet, die Jahweh geeft: Beveel de IsraŽlieten, dat zij u een rode koe brengen, gaaf en zonder gebrek, die nog geen juk heeft gedragen.
    19Ge moet haar aan den priester Elazar geven, die haar buiten de legerplaats moet brengen, en daar in zijn tegenwoordigheid laten slachten.
    19Dan moet de priester Elazar met zijn vinger wat van haar bloed nemen, en het zeven maal voor de openbaringstent sprenkelen.
    19Daarna moet men de koe in zijn tegenwoordigheid verbranden; haar huid, vlees, en bloed moet men met de darmen verbranden.
    19Vervolgens moet de priester cederhout, hysop en karmozijn nemen, en dat midden op de brandende koe werpen.
    19Dan moet de priester zijn kleren wassen en een bad nemen, waarna hij in de legerplaats mag komen; maar de priester blijft tot de avond onrein.
    19Ook de man, die de koe heeft verbrand, moet zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein.
    19Nu moet iemand, die rein is, de as van de koe verzamelen, en die buiten de legerplaats op een reine plaats leggen; ze moet voor de gemeenschap der IsraŽlieten worden bewaard, om er het reinigingswater mee te bereiden; die koe is een zondeoffer.
    19Ook de man, die de as van de koe heeft verzameld, moet zijn kleren wassen, en is tot de avond onrein. Voor de IsraŽlieten zowel als voor den vreemdeling, die in uw midden woont, geldt voor eeuwig de volgende wet.
    19Wie een lijk van een mens aanraakt, is zeven dagen onrein.
    19Hij moet op de derde en op de zevende dag zich met dit water laten reinigen; dan is hij weer rein. Zo hij zich op de derde en zevende dag niet heeft laten reinigen, is hij niet rein.
    19Iedereen, die het lijk van een mens aanraakt, en zich niet laat reinigen, bezoedelt de tabernakel van Jahweh, en zal van IsraŽl worden afgesneden. Zolang het reinigingswater niet op hem is gesprenkeld, is hij onrein, en blijft hij onrein.
    19Ook dit is wet: Wanneer een mens in een tent sterft, zal iedereen, die de tent binnentreedt, en alles wat in de tent is, zeven dagen lang onrein zijn;
    19ook elk open vat, dat niet met een doek is afgedekt, zal onrein zijn.
    19Zo ook is iedereen, die in het open veld iemand aanraakt, die door het zwaard is vermoord, of een natuurlijke dood is gestorven, de beenderen van een mens, of een graf, zeven dagen onrein.
    19Voor zulk een onreine moet men wat as van het verbrande zondeoffer nemen, en daarop in een vat levend water doen.
    19Dan moet een rein man hysop nemen, die in het water dompelen, en de tent besprenkelen, alle voorwerpen en alle personen, die er in waren, en hem die de beenderen, den vermoorde, den gestorvene, of het graf heeft aangeraakt.
    19Zo moet de reine den onreine op de derde en op de zevende dag besprenkelen. Als hij op de zevende dag is gereinigd, moet hij nog zijn kleren wassen, en een bad nemen; dan is hij des avonds weer rein.
    19Maar wanneer zulk een onreine zich niet laat reinigen, zal hij van de gemeente worden afgesneden, omdat hij het heiligdom van Jahweh bezoedelt. Zolang er geen reinigingswater op hem is gesprenkeld, blijft hij onrein.
    19Dit is voor u een eeuwige wet. Ook hij, die het reinigingswater sprenkelt, moet zijn kleren wassen; en die aan het reinigingswater komt, is tot de avond onrein.
    19Ook wordt alles wat de onreine aanraakt, onrein; en de persoon, die hem aanraakt, is tot de avond onrein.
    20Toen in de eerste maand heel de gemeenschap der IsraŽlieten in de woestijn Sin was gekomen, vestigde het volk zich te Kadesj. Daar stierf Mirjam, en werd zij begraven.
    20Eens toen de gemeenschap geen water had, liep men tegen Moses en Ašron te hoop.
    20Het volk zocht twist met Moses, en zei: Ach, waren we maar gestorven, toen onze broeders omkwamen voor het aanschijn van Jahweh!
    20Waarom hebt gij de gemeente van Jahweh naar deze woestijn gevoerd, om ons hier met ons vee te doen omkomen!
    20Waarom hebt gij ons uit Egypte geleid, om ons naar deze dorre streek te brengen, waar geen plek is, om te zaaien, waar geen vijg is, geen wijnstok of granaat, zelfs geen water om te drinken!
    20Toen liepen Moses en Ašron van de gemeente weg naar de ingang van de openbaringstent, en vielen op hun aangezicht neer. De heerlijkheid van Jahweh verscheen hun,
    20en Jahweh sprak tot Moses:
    20Neem de staf, en roep met uw broeder Ašron de gemeenschap bijeen, en gebied in hun bijzijn de rots, water te geven. Gij moet voor hen water uit de rots doen vloeien, en de gemeente en haar vee te drinken geven.
    20Moses nam dus de staf voor het aanschijn van Jahweh weg, zoals Hij hem bevolen had,
    20riep met Ašron de gemeente bijeen voor de rots en sprak tot haar: Luistert, rebellen! Kunnen wij wel uit deze rots voor u water doen vloeien!
    20Daarbij hief Moses zijn hand op, en sloeg twee maal met zijn staf op de rots; toen vloeide er water in overvloed uit, zodat de gemeenschap met haar vee kon drinken.
    20Maar Jahweh sprak tot Moses en Ašron: Omdat gij Mij niet hebt geloofd, en Mij voor de ogen van de IsraŽlieten niet als heilig behandeld hebt, zult gij deze gemeente niet binnenleiden in het land, dat Ik hun heb geschonken.
    20Dit is het water van Meriba, waar de IsraŽlieten met Jahweh hebben getwist, en Hij Zich aan hen als heilig toonde.
    20Van Kadesj uit zond Moses gezanten naar den koning van Edom met de boodschap: Zo spreekt uw broeder IsraŽl! Gij kent alle wederwaardigheden, die wij hebben ondervonden.
    20Onze vaderen zijn naar Egypte getrokken, en wij hebben lange tijd in Egypte gewoond. Maar de Egyptenaren hebben ons evenals onze vaderen mishandeld.
    20Wij hebben tot Jahweh geroepen, en Hij heeft ons gehoord, en zijn engel gezonden, om ons uit Egypte te leiden. Nu zijn wij in Kadesj, een stad aan de grens van uw gebied,
    20en wij zouden graag door uw land trekken. Wij zullen niet door uw velden en wijngaarden gaan, en geen water drinken uit uw putten, maar de koninklijke weg blijven houden, zonder rechts of links af te wijken, zolang wij door uw gebied trekken.
    20Maar Edom gaf hem ten antwoord: Gij moogt er bij mij niet door; anders trek ik u met het zwaard tegemoet.
    20De IsraŽlieten drongen bij hem aan: Wij zullen de gebaande wegen houden, en mocht ik of mijn vee van uw water drinken, dan zal ik daarvoor betalen. Het heeft toch niets te betekenen, dat ik te voet er doorheen trek.
    20Hij antwoordde: Ge komt er niet door! En Edom trok hem met veel volk en sterk gewapend tegemoet.
    20Daar Edom dus aan IsraŽl de doortocht weigerde door zijn gebied, moest IsraŽl om hem heen trekken.
    20Toen heel de gemeenschap der IsraŽlieten van Kadesj was opgetrokken, bereikten zij de berg Hor.
    20En op de berg Hor, aan de grens van het land van Edom, sprak Jahweh tot Moses en Ašron:
    20Ašron zal bij zijn volk worden verzameld; want hij zal het land, dat Ik de IsraŽlieten heb gegeven, niet binnengaan, omdat gij beiden u bij het water van Meriba tegen mijn bevel hebt verzet.
    20Neem Ašron en zijn zoon Elazar met u mee, en laat ze de berg Hor bestijgen.
    20Ontdoe Ašron van zijn gewaden, en bekleed er zijn zoon Elazar mee. Dan zal Ašron daar bij zijn volk worden verzameld en daar sterven.
    20Moses deed, wat Jahweh hem had bevolen, en ten aanschouwen van heel de gemeenschap bestegen zij de berg Hor.
    20Moses ontdeed Ašron van zijn gewaden, en bekleedde er zijn zoon Elazar mee. En Ašron stierf daar op de top van de berg. Toen Moses en Elazar van de berg afdaalden,
    20en heel de gemeenschap zag, dat Ašron gestorven was, beweende heel het huis van IsraŽl Ašron dertig dagen lang.
    21Toen de kanašnietische koning van Arad, die in de Nťgeb woonde, hoorde, dat IsraŽl de weg naar Atarim had ingeslagen, viel hij IsraŽl aan, en nam enigen hunner gevangen.
    21Toen deed IsraŽl aan Jahweh deze gelofte: Zo Gij dit volk in mijn hand levert, zal ik hun steden met de ban slaan!
    21Toen Jahweh IsraŽl had verhoord, en de Kanašnieten had overgeleverd, sloeg men dan ook hun steden met de ban, en noemde die stad Chorma.
    21Van de berg Hor braken zij op in de richting van de Rode Zee, om rond het land van Edom te trekken. Maar door die tocht werd het volk ongeduldig,
    21en sprak tegen God en Moses: Waarom hebt ge ons uit Egypte geleid, om te sterven in de woestijn? Want we hebben geen brood en geen water, en we walgen van die armzalige kost!
    21Daarom zond Jahweh vergiftige slangen onder het volk, die het beten, zodat er velen van IsraŽl stierven.
    21Toen liep het volk naar Moses, en sprak: Wij hebben gezondigd; want we zijn onbeschaamd geweest tegen Jahweh en tegen u! Bid Jahweh toch, dat Hij de slangen van ons wegneemt. En Moses bad voor het volk.
    21Toen sprak Jahweh tot Moses: Maak een slang, en bevestig die aan een paal; dan zal iedereen, die gebeten is en er naar opziet, in leven blijven.
    21Moses maakte een koperen slang, en bevestigde die aan een paal. En wanneer iemand door een slang werd gebeten, en hij zag op naar de koperen slang, dan bleef hij in leven.
    21Toen trokken de IsraŽlieten verder, en legerden zich te Obot.
    21Van Obot trokken zij verder, en legerden zich te Ijje-Hašbarim in de woestijn, ten oosten van Moab.
    21Van daar trokken zij verder, en legerden zich in het dal Zťred.
    21Van daar trokken zij verder, en legerden zich aan de overkant van de Arnon, waar hij nog in de woestijn ligt en uit het land der Amorieten komt; want de Arnon is de grens van Moab tussen Moab en de Amorieten.
    21Daarom heet het in het boek van de oorlogen van Jahweh: Waheb in Soefa, En de kloven van de Arnon:
    21De steilste der kloven, Die zich uitstrekt tot de omgeving van Ar En aanleunt tegen de grenzen van Moab.
    21Van daar trokken zij verder naar BeŽr; dit is de welput, waar Jahweh tot Moses heeft gesproken: ?Roep het volk bijeen, en Ik zal hun water geven,
    21en waar IsraŽl toen dit lied heeft gezongen: Wel op, gij put! Zingt hem ter eer,
    21De put, die koningen hebben gegraven, Vorsten van het volk hebben gedolven Met hun schepter, met hun staven. Van BeŽr trok men verder naar Mattana,
    21van Mattana naar NachaliŽl, van NachaliŽl naar Bamot,
    21van Bamot naar het dal in de vlakte van Moab, en naar de top van de Pisga, die oprijst ten oosten van de woestenij.
    21Nu zond IsraŽl gezanten naar Sichon, den koning der Amorieten, met de boodschap:
    21Ik zou graag door uw land trekken. Wij zullen niet door uw velden en wijngaarden gaan, en geen water drinken uit uw putten, maar de koninklijke weg blijven houden, zolang we door uw gebied trekken.
    21Maar Sichon stond IsraŽl niet toe, door zijn gebied te trekken. Sichon verzamelde al zijn volk, trok IsraŽl in de woestijn tegemoet, rukte op naar JŠhas en greep IsraŽl aan.
    21IsraŽl joeg hem over de kling, en nam zijn land in bezit van de Arnon af tot de Jabbok, dus tot aan de Ammonieten toe; want Jazer was de grens der Ammonieten.
    21IsraŽl veroverde al de steden der Amorieten, en vestigde zich in die steden, tot zelfs in Chesjbon en al haar onderhorige plaatsen.
    21Want Chesjbon was de stad van Sichon, den koning der Amorieten, die vroeger tegen den koning van Moab had gestreden, en hem toen al zijn land had ontrukt tot de Arnon toe.
    21Daarom zeggen de zangers: Komt, om Chesjbon te herbouwen, De stad van Sichon te versterken!
    21Want een vuur ging uit van Chesjbon, Een vlam uit Sichons stad: Het verteerde de steden van Moab, Verslond de hoogten van de Arnon.
    21Wee u, Moab; Gij zijt verloren. volk van Kemosj! Zijn zonen heeft hij tot vluchtelingen gemaakt, Zijn dochters gevangenen van Sichon, den Amorietenkoning;
    21Hun spruiten kwamen om, van Chesjbon tot Dibon: Hun vrouwen tot Nůfach, dat bij Medeba ligt.
    21Toen IsraŽl in het land der Amorieten vaste voet had gekregen,
    21liet Moses Jazer verspieden, nam het met haar onderhorige plaatsen in, en verdreef de Amorieten, die daar woonden.
    21Daarna veranderden zij van richting, en sloegen de weg in naar Basjan. Maar Og, de koning van Basjan, rukte hen met al zijn volk bij Edrťi tegemoet, om hen te bestrijden.
    21Doch Jahweh sprak tot Moses: Vrees hem niet; want Ik heb hem met heel zijn volk en heel zijn land in uw hand geleverd: ge moet met hem doen, wat ge met Sichon, den koning der Amorieten, hebt gedaan, die in Chesjbon woonde.
    21Zij versloegen hem dus met zijn zonen en heel zijn volk, tot er geen vluchteling meer overbleef, en zij namen zijn land in bezit.
    22Daarna trokken de IsraŽlieten verder, en legerden zich in de velden van Moab, aan de overkant van de Jordaan bij Jericho.
    22Maar Balak, de zoon van Sippor, had alles gezien, wat IsraŽl de Amorieten had berokkend.
    22En Moab werd zeer bevreesd voor het volk, omdat het heel talrijk was; en vol angst voor de IsraŽlieten
    22sprak Moab tot de oudsten van Midjan: Die zwerm zal nog heel de omtrek kaal vreten, zoals het rund de velden afgraast. Daarom zond Balak, de zoon van Sippor, die toen koning van Moab was,
    22gezanten naar Balašm, den zoon van Beor, te Petor aan de Rivier in het land van zijn volksgenoten, om hem te ontbieden. Ze moesten zeggen: Daar is een volk uit Egypte getogen, dat het land overdekt, en zich vlak naast mij heeft genesteld.
    22Kom dus, en vervloek mij dat volk; want het is mij te machtig. Misschien kan ik het dan verslaan, en het uit het land verdrijven; want ik weet: Wien gij zegent, is gezegend, en wien gij vervloekt, is vervloekt.
    22De oudsten van Moab en Midjan gingen dus op weg, en namen het waarzeggersloon met zich mee. Ze kwamen bij Balašm aan, en brachten hem het verzoek van Balak over.
    22Hij gaf hun ten antwoord: Blijft vannacht hier; dan deel ik u de beslissing mee, die Jahweh mij ingeeft. De vorsten van Moab bleven dus bij Balašm overnachten.
    22Nu verscheen God aan Balašm, en sprak: Wie zijn deze mannen, die bij u overnachten?
    22Balašm zeide tot God: Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab, heeft mij laten berichten:
    22Daar is een volk uit Egypte getogen, dat het land overdekt. Kom dus, en vervloek het voor mij; misschien kan ik het dan overwinnen en verdrijven.
    22Maar God sprak tot Balašm: Gij moogt niet met hen meegaan, en dat volk niet vervloeken; want het is gezegend.
    22Daarom zei Balašm de volgende morgen tot de vorsten van Balak: Gaat terug naar uw land; want Jahweh wil mij niet toestaan, met u mee te gaan.
    22De vorsten van Moab vertrokken dus, kwamen bij Balak aan, en zeiden: Balašm heeft geweigerd, met ons mee te gaan.
    22Toen zond Balak opnieuw vorsten, talrijker en aanzienlijker nog dan de eersten.
    22Ook dezen kwamen bij Balašm aan, en zeiden tot hem: Zo spreekt Balak, de zoon van Sippor! Laat u toch niet weerhouden, tot mij te komen;
    22want ik zal u vorstelijk belonen, en al wat gij mij zegt, zal ik doen. Kom slechts, en vervloek mij dat volk.
    22Maar Balašm antwoordde de dienaren van Balak: Al gaf Balak mij zijn huis vol zilver en goud, ik kan het bevel van Jahweh, mijn God, niet overtreden, in het kleine noch in het grote.
    22Maar blijft ook gij vannacht hier; dan zal ik weten, wat Jahweh mij verder beveelt.
    22En God verscheen Balašm des nachts, en sprak tot hem: Zo die mannen gekomen zijn, om u te ontbieden, ga dan met hen mee; maar doe slechts, wat Ik u zeg!
    22Balašm maakte zich dus in de morgen gereed, zadelde zijn ezelin, en ging met de vorsten van Moab mee.
    22Toch was God vergramd dat hij ging. Daarom plaatste een engel van Jahweh zich op de weg, om hem tegen te houden, terwijl hij vergezeld van twee dienaren op zijn ezelin kwam aangereden.
    22Toen de ezelin den engel van Jahweh met het getrokken zwaard in de hand op de weg zag staan, week de ezelin van de weg af, en ging het veld in. Balašm sloeg de ezelin, om haar weer op de weg terug te brengen.
    22Nu plaatste de engel zich op een smal pad, dat tussen de wijngaarden liep, en aan weerskanten een muur had.
    22Toen de ezelin den engel van Jahweh zag, drong zij zich tegen de muur, en knelde de voet van Balašm tegen de muur; hij sloeg haar opnieuw.
    22Daarna ging de engel van Jahweh verder, en plaatste zich op een nauw punt, waar geen gelegenheid was, om naar rechts of links uit te wijken.
    22Toen de ezelin den engel van Jahweh zag, ging ze onder Balašm liggen. Balašm werd kwaad, en ranselde de ezelin met een stok.
    22Maar nu opende Jahweh de bek van de ezelin, en ze zei tegen Balšam: Wat heb ik u toch gedaan, dat ge me nu voor de derde maal slaat?
    22Balašm antwoordde de ezelin: Omdat ge mij voor de gek houdt; had ik een zwaard in mijn hand, dan sloeg ik je dood.
    22De ezelin vervolgde tot Balašm: Ben ik niet uw ezelin, waarop ge van jongsaf rijdt tot de dag van vandaag; ben ik gewoon, mij zo tegenover u te gedragen? Hij antwoordde: Neen.
    22Toen opende Jahweh de ogen van Balašm, zodat hij den engel van Jahweh op de weg zag staan met het getrokken zwaard in zijn hand; hij wierp zich neer, en boog zich met zijn aangezicht ter aarde.
    22De engel van Jahweh sprak tot hem: Waarom slaat gij uw ezelin nu al voor de derde maal? Zie, ik ben uitgetrokken, om u tegen te houden; want uw tocht is tegen mijn wil.
    22De ezelin heeft mij bespeurd, en is drie maal voor mij uitgeweken; had ze het niet gedaan, dan had ik u gedood, maar haar in leven gelaten.
    22Toen zei Balašm tot den engel van Jahweh: Ik heb gezondigd; ik wist immers niet, dat gij op de weg voor mij stondt. Als het u dus niet behaagt, keer ik terug.
    22Maar de engel van Jahweh zei tot Balašm: Ga met die mannen mee, doch spreek slechts, wat Ik u zeg. Toen ging Balašm met de vorsten van Balak mee.
    22Zodra Balak hoorde, dat Balašm in aantocht was, trok hij hem tegemoet tot Ar-Moab, dat aan de Arnon ligt, aan de uiterste grens van het land.
    22En Balak zei tot Balašm: Heb ik u niet dringend laten ontbieden? Waarom kwaamt ge dan niet naar mij toe? Gij dacht zeker, dat ik u niet genoeg kon belonen.
    22Maar Balašm antwoordde Balak: Zie, ik ben tot u gekomen, maar ik zal geen ander woord kunnen spreken, dan Jahweh mij in de mond legt!
    22Balašm ging met Balak verder, en zij kwamen te Kirjat-Choesot.
    22Daar offerde Balak runderen en schapen, en liet er van aan Balašm brengen en aan de vorsten, die hem vergezelden.
    22De volgende morgen nam Balak Balašm met zich mee, en deed hem Bamot-BŠal bestijgen, vanwaar hij het volk tot de uiterste rijen kon overzien.
    23Toen sprak Balašm tot Balak: Bouw hier voor mij zeven altaren, en maak zeven stieren en zeven rammen voor mij gereed.
    23Balak deed zoals Balašm gezegd had, en offerde een stier en een ram op ieder altaar.
    23Nu sprak Balašm tot Balak: Blijf hier bij uw offer, terwijl ik heenga. Misschien dat Jahweh mij verschijnt; dan zal ik u verkondigen, wat Hij mij openbaart. Toen ging hij naar een kale heuvel,
    23waar God hem verscheen. Balašm zeide tot Hem: Ik heb zeven altaren gebouwd, en op ieder altaar een stier en een ram laten offeren.
    23Nu legde Jahweh Balašm een woord in de mond, en sprak: Keer terug naar Balak, en zeg dit.
    23Hij keerde dan naar hem terug, terwijl hij nog bij zijn offer stond met al de vorsten van Moab.
    23Hij hief zijn orakel aan en sprak: Uit Aram heeft mij Balak ontboden, Moabs koning uit de bergen ten oosten: Kom, vloek voor mij Jakob, Kom, verwens IsraŽl!
    23Maar hoe zal ik vervloeken, Dien God niet vervloekt; Hoe zal ik verwensen Dien Jahweh niet verwenst!
    23Waarachtig, ik zie het van de top van de rotsen, Ik aanschouw het van de heuvelen af: Zie, een volk dat in afzondering woont, En zich niet onder de volken rekent.
    23Maar wie zal het stof van Jakob tellen, Wie IsraŽls drommen berekenen? Mocht ik de dood der rechtvaardigen sterven, Mocht mijn einde zijn als het hunne!
    23Maar Balak zeide tot Balašm: Wat doet ge me nu! Ik heb u ontboden om mijn vijanden te vervloeken; en zie, ge spreekt een zegening uit!
    23Hij gaf hem ten antwoord: Moet ik dan niet eerlijk spreken, wat Jahweh mij in de mond heeft gelegd?
    23Toen zei Balak tot hem: Kom met mij naar een andere plaats, vanwaar gij slechts zijn uiterste rijen kunt zien, en niet het geheel; vandaar zult ge het voor mij vervloeken.
    23Hij nam hem dus mee naar het Spiedersveld op de top van de Pisga, waar hij zeven altaren bouwde, en op ieder altaar een stier en een ram offerde.
    23En Balašm sprak tot Balak: Blijf hier bij uw offer staan: terwijl ik heenga, om een nieuwe verschijning te hebben.
    23En Jahweh verscheen aan Balašm, legde een woord in zijn mond en sprak: Keer terug naar Balak, en zeg dit.
    23Hij ging naar hem toe, terwijl deze nog bij zijn offer stond met de vorsten van Moab. Balak vroeg hem: Wat heeft Jahweh gezegd?
    23Toen hief hij zijn orakel aan en sprak: Sta op, Balak, en hoor: Luister naar mij, zoon van Sippor:
    23God is geen mens, die zijn woord breekt, Geen mensenkind, wien iets berouwt. Zou Hij iets zeggen, dat Hij niet uitvoert; Iets spreken, dat Hij niet houdt?
    23Zie, ik heb opdracht te zegenen, Ik zegen, en trek het niet terug:
    23Ik aanschouw geen onheil in Jakob, Zie geen rampen in IsraŽl! Jahweh, zijn God, is met hem, Koningsjubel klinkt onder hem op.
    23God heeft hem uit Egypte geleid, Het heeft hoornen als die van een buffel.
    23Neen, tegen Jakob helpt geen waarzeggerij, Geen wichelarij tegen IsraŽl: Thans wordt over Jakob gezegd, En over IsraŽl, wat God zal doen.
    23Ziedaar een volk, dat zich opricht als een leeuwin, En als een leeuw zich verheft; Dat niet neerligt, eer het zijn buit heeft verslonden, En het bloed der gesneuvelden heeft gedronken.
    23Nu zei Balak tot Balašm: Kunt ge het niet vervloeken, zegen het tenminste niet.
    23Maar Balašm antwoordde Balak: Heb ik u niet gezegd: ?Al wat Jahweh mij zegt, zal ik doen?
    23Toen zei Balak tot Balašm: Kom, ik zal u naar een andere plaats brengen: misschien behaagt het God, dat gij het van daaruit vervloekt.
    23Balak nam Balašm dus mee naar de top van de Peor, die oprijst ten oosten van de woestenij.
    23Daar sprak Balašm tot Balak: Bouw hier voor mij zeven altaren, en maak zeven stieren en zeven rammen voor mij gereed.
    23Balak deed, wat Balašm gezegd had, en offerde een stier en een ram op ieder altaar.
    24Maar daar Balašm inzag, dat het Jahweh behaagde IsraŽl te zegenen, ging hij niet heen als de vorige keren, om waarzeggende tekens te vinden, doch liep de woestijn in.
    24Toen Balašm echter zijn ogen opsloeg en IsraŽl volgens zijn stammen gelegerd zag, kwam de geest van God op hem.
    24Hij hief zijn orakel aan, en sprak: Godsspraak van Balašm, zoon van Beor, Godsspraak van den man, met het open oog;
    24Godsspraak van een, die Gods woorden hoort, En de gedachte van den Allerhoogste kent; Die gezichten van den Almachtige schouwt. En neerzinkt met ontsluierde blik.
    24Hoe schoon zijn uw tenten, o Jakob, Uw woningen, o IsraŽl:
    24Als dalen strekken zij zich uit, Als tuinen langs een rivier, Als eiken, door Jahweh geplant, Als ceders langs waterstromen.
    24Het water vloeit over zijn emmers, Zijn zaad wordt volop gedrenkt. Boven Agag verheft zich zijn koning, En is zijn koningschap verheven.
    24God heeft hem uit Egypte geleid; Het heeft hoornen als die van een buffel. Hij verslindt de volken, die zijn vijanden zijn, Vermorzelt hun beenderen, verbrijzelt hun lenden,
    24Hij kromt zich, vlijt zich neer als een leeuw, En als een leeuwin; wie durft hem wekken? Die u zegenen, zijn gezegend, Die u vervloeken, vervloekt!
    24Maar nu werd Balak woedend op Balašm; hij sloeg zijn handen ineen, en zei tegen hem: Ik heb u ontboden, om mijn vijanden te vervloeken; en zie, tot driemaal toe spreekt ge zegening uit.
    24Maak dat ge wegkomt naar huis. Ik heb beloofd, u vorstelijk te belonen, maar Jahweh heeft u het loon niet gegund.
    24Balašm gaf Balak ten antwoord: Heb ik uw boden, die gij naar mij toezondt, niet gezegd:
    24Al geeft Balak mij zijn huis vol zilver en goud, ik kan het bevel van Jahweh niet overtreden, en uit mijzelf iets doen, goed of kwaad; ik spreek slechts, wat Jahweh beveelt.
    24Nu keer ik terug naar mijn volk; maar ik wil u eerst nog verkonden, wat dit volk aan het uwe zal doen op het einde der tijden.
    24Toen hief hij zijn orakel aan, en sprak: Godsspraak van Balašm, zoon van Beor, Godsspraak van den man, met het open oog;
    24Godsspraak van een, die Gods woorden hoort, En de gedachte van den Allerhoogste kent; Die gezichten van den Almachtige schouwt, En neerzinkt met ontsluierde blik!
    24Ik zie Hem, maar niet in het heden, Ik aanschouw Hem, maar niet van nabij: Een ster rijst omhoog uit Jakob, Een schepter komt uit IsraŽl op; Hij verbrijzelt de slapen van Moab, De schedel van al die verwatenen.
    24Edom wordt een wingewest, Een wingewist SeÔr. IsraŽl zal dappere daden verrichten,
    24En heersen uit Jakob; Zijn vijanden zal Hij verdelgen, De resten van SeÔr.
    24Maar toen hij Amalek zag, hief hij zijn orakel aan, en sprak: De keur der volken is Amalek, Maar zijn nageslacht is ten ondergang gedoemd!
    24Toen hij den Keniet zag, hief hij zijn orakel aan, en sprak: Uw woning is stevig, En uw nest is gebouwd op de rots,
    24Toch zal KaÔn worden verwoest: Wanneer voert Assjoer u weg?
    24Hij vervolgde zijn orakel en sprak: Wee, wie zal leven, als God het voltrekt?
    24Van de kust der KittiŽrs komen schepen. Die Assjoer met Eber vernederen; Ook deze is ten ondergang gedoemd!
    24Toen stond Balašm op, en keerde naar zijn woonplaats terug; en ook Balak ging zijns weegs.
    25Toen IsraŽl in Sjittim vertoefde, begon het volk ontucht te plegen met de dochters van Moab,
    25en deze nodigden het volk uit tot de offers van haar goden. Het volk nam aan die offermaaltijden deel, aanbad haar goden,
    25en IsraŽl diende BŠal-Peor. Daarom ontbrandde de toorn van Jahweh tegen IsraŽl.
    25En Jahweh sprak tot Moses:Neem alle schuldigen onder het volk, en hang ze voor Jahweh op in de volle zon, opdat Jahweh?s gloeiende toorn van IsraŽl moge wijken.
    25Moses beval dus de rechters van IsraŽl: Ieder moet zijn mannen doden, die BŠal-Peor hebben vereerd.
    25Maar terwijl Moses en heel de gemeenschap der IsraŽlieten bij de ingang van de openbaringstent weenden, kwam er nog een IsraŽliet voor hun ogen een midjanietische vrouw naar de zijnen brengen.
    25Toen Pinechas, de zoon van Elazar, den zoon van den priester Ašron, dit zag, stond hij op uit de kring der gemeenschap, greep een speer,
    25ging den IsraŽliet tot in het slaapvertrek achterna, en doorstak hen beiden, den IsraŽliet en de vrouw in het slaapvertrek. Toen hield die ramp onder de IsraŽlieten op.
    25Maar door die ramp waren er intussen vier en twintig duizend gestorven.
    25Nu sprak Jahweh tot Moses:
    25Pinechas, de zoon van Elazar, den zoon van den priester Ašron, heeft door zijn ijveren onder hen voor mijn zaak, mijn toorn van de IsraŽlieten afgewend, zodat Ik de IsraŽlieten in mijn ijverzucht niet hoef te verdelgen.
    25Zeg daarom: Zie, Ik sluit met hem mijn vredesverbond.
    25Het zal een verbond van een eeuwig priesterschap zijn voor hem en zijn geslacht, omdat hij voor zijn God heeft geijverd en voor de IsraŽlieten verzoening heeft verkregen.
    25De gedode IsraŽliet, die met de Midjanietische doorstoken was, heette Zimri; hij was de zoon van Saloe, en een familiehoofd der Simeonieten.
    25De gedode midjanietische vrouw heette Kozbi; ze was de dochter van Soer, die stam- en familiehoofd was in Midjan.
    25Jahweh sprak tot Moses:
    25Behandel de Midjanieten als vijanden en dood ze.
    25Want ze hebben u als vijand behandeld met hun listige streken, die zij tegen u hebben bedacht in de geschiedenis met Peor en met hun zuster Kozbi, de dochter van het midjanietisch stamhoofd, die doorstoken werd op de dag van de ramp om Peor.
    26Na de ramp sprak God tot Moses en tot Elazar, den zoon van den priester Ašron:
    26Neemt het getal op van heel de gemeenschap der IsraŽlieten van twintig jaar af, alle strijdbare mannen in IsraŽl naar hun families.
    26Moses en de priester Elazar monsterden ze dus in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho,
    26van twintig jaar af, zoals Jahweh het Moses bevolen had. Dit waren de IsraŽlieten die uit Egypte waren getrokken:
    26Ruben, IsraŽls eerstgeborene. De geslachten der Rubenieten waren: Het geslacht der Chanokieten van Chanok; het geslacht der PalloeÔeten van Palloe;
    26het geslacht der Chesronieten van Chesron; het geslacht der Karmieten van Karmi.
    26Dit waren de geslachten der Rubenieten; hun gemonsterden telden drie en veertig duizend zevenhonderd dertig man.
    26De zoon van Palloe was Eliab.
    26De zonen van Eliab waren: NemoeŽl, Datan, en Abiram. Deze Datan en Abiram waren de voormannen geweest, die met de aanhang van Kore tegen Moses en Ašron in verzet waren gekomen bij de opstand tegen Jahweh.
    26De aarde had haar muil geopend en hen met Kore verslonden, toen de bende omkwam, en het vuur de twee honderd vijftig mannen verteerde, zodat zij een waarschuwend teken werden.
    26De zonen van Kore waren echter niet omgekomen.
    26De geslachten der Simeonieten waren: Het geslacht der NemoeŽlieten van NemoeŽl; het geslacht der Jaminieten van Jamin; het geslacht der Jakinieten van Jakin;
    26het geslacht der Zarchieten van Zťrach; het geslacht der Sjaoelieten van Sjaoel.
    26Dit waren de geslachten der Simeonieten; hun gemonsterden telden twee en twintig duizend tweehonderd man.
    26De geslachten der Gadieten waren: het geslacht der Sefonieten van Sefon; het geslacht der Chaggieten van Chaggi; het geslacht der Sjoenieten van Sjoeni;
    26het geslacht der Oznieten van Ozni; het geslacht der Erieten van Eri;
    26het geslacht der Arodieten van Arod, het geslacht der Arelieten van Areli.
    26Dit waren de geslachten van de Gadieten; hun gemonsterden telden veertig duizend vijfhonderd man.
    26De zonen van Juda waren: Er en Onan. Er en Onan waren in het land Kanašn gestorven.
    26De geslachten van de JudeŽrs waren: het geslacht der Sjelanieten van Sjela; het geslacht der Farsieten van Fares; het geslacht der Zarieten van Zara.
    26De zonen van Fares waren: het geslacht der Esronieten van Esron; het geslacht der Chamoelieten van Chamoel.
    26Dit waren de geslachten van Juda; hun gemonsterden telden zes en zeventig duizend vijfhonderd man.
    26De geslachten der Issakarieten waren: Het geslacht der TolaÔeten van Tola; het geslacht der Poewwieten van Poewwa;
    26het geslacht der Jasjoebieten van Jasjoeb; het geslacht der Sjimronieten van Sjimron.
    26Dit waren de geslachten van Issakar; hun gemonsterden telden vier en zestig duizend driehonderd man.
    26De geslachten der Zabulonieten waren: Het geslacht der Sardieten van Sťred; het geslacht der Elonieten van Elon; het geslacht der JachleŽlieten van JachleŽl.
    26Dit waren de geslachten der Zabulonieten; hun gemonsterden telden zestig duizend vijfhonderd man.
    26De zonen van Josef waren Manasse en EfraÔm.
    26De geslachten der Manassieten waren: het geslacht der Makirieten van Makir. Makir bracht Gilad voort; het geslacht der Giladieten van Gilad.
    26Dit waren de zonen van Gilad: het geslacht der IŽzerieten van Iťzer; het geslacht der Chelkieten van Chťlek;
    26het geslacht der AsriŽlieten van AsriŽl; het geslacht der Sjikmieten van Sjťkem;
    26het geslacht der SjemidaÔeten van Sjemida; het geslacht der Chefrieten van Chťfer.
    26Selofchad, de zoon van Chťfer, had geen zonen, maar alleen dochters; de dochters van Selofchad heetten Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa.
    26Dit waren de geslachten van Manasse; hun gemonsterden telden twee en vijftig duizend zevenhonderd man.
    26De geslachten der EfraÔmieten waren: het geslacht der Sjoetalchieten van Sjoetťlach; het geslacht der Bakrieten van Bťker; het geslacht der Tachanieten van TŠchan.
    26En dit waren de zonen van Sjoetťlach: het geslacht der Eranieten van Eran.
    26Dit waren de geslachten der EfraÔmieten; hun gemonsterden telden twee en dertig duizend vijfhonderd man. Dit waren de zonen van Josef volgens hun geslachten.
    26De geslachten der Benjamieten waren: het geslacht der Balieten van Bťla; het geslacht der Asjbelieten van Asjbel; het geslacht der Achiramieten van Achiram;
    26het geslacht der Sjoefamieten van Sjoefam; het geslacht der Choefamieten van Choefam.
    26De zonen van Bela waren Ard en Našman: het geslacht der Ardieten van Ard; het geslacht der Našmieten van Našman.
    26Dit waren de geslachten der Benjamieten; hun gemonsterden telden vijf en veertig duizend zeshonderd man.
    26Dit waren de geslachten der Danieten: het geslacht der Sjoechamieten van Sjoecham. Dit waren de geslachten van Dan volgens hun geslachten.
    26Dit waren alle geslachten der Sjoechamieten; hun gemonsterden telden vier en zestig duizend vierhonderd man.
    26De geslachten der Aserieten waren: het geslacht der JimnaÔeten van Jimna; het geslacht der Jisjwieten van Jisjwi; het geslacht der BeriÔeten van Beria.
    26Van de zonen van Beria: het geslacht der Chebrieten van Chťber; het geslacht der MalkiŽlieten van MalkiŽl.
    26De dochter van Aser heette Sťrach.
    26Dit waren de geslachten der Aserieten; hun gemonsterden telden drie en vijftig duizend vierhonderd man.
    26De geslachten der Neftalieten waren: het geslacht der JachseŽlieten van JachseŽl; het geslacht der Goenieten van Goeni;
    26het geslacht der Jisrieten van Jťser; het geslacht der Sjillemieten van Sjillem.
    26Dit waren de geslachten van Neftali volgens hun geslachten; hun gemonsterden telden vijf en veertig duizend vierhonderd man.
    26De gemonsterde IsraŽlieten telden dus zes honderd een duizend zevenhonderd dertig man.
    26Jahweh sprak tot Moses:
    26Onder dezen moet naar het aantal personen het land in eigendom worden verdeeld.
    26Aan een grote stam moet ge een groot, aan een kleine een klein erfdeel toewijzen; aan iedereen moet naar het aantal van zijn gemonsterden een erfdeel worden geschonken.
    26Maar het land moet door het lot worden verdeeld, hoewel de voorvaderlijke stammen hun erfdeel zullen ontvangen naar het aantal personen;
    26dus door het lot moet het erfdeel tussen groot en klein worden verdeeld.
    26Dit waren de Levieten, die naar hun geslachten werden ingeschreven: het geslacht der Gersjonieten van Gersjon; het geslacht der Kehatieten van Kehat; het geslacht der Merarieten van Merari.
    26Dit waren de geslachten van Levi: het geslacht der Libnieten, het geslacht der Chebronieten, het geslacht der Machlieten, het geslacht der Moesjieten, het geslacht der Korieten. Kehat verwekte Amram.
    26De vrouw van Amram heette Jokťbed; ze was een dochter van Levi, die hem in Egypte werd geboren. Zij schonk aan Amram Ašron, Moses en hun zuster Mirjam.
    26Aan Ašron werden Nadab en Abihoe, Elazar en Itamar geboren.
    26Nadab en Abihoe stierven, toen zij onwettig vuur voor Jahweh offerden.
    26Alle ingeschreven mannelijke personen van ťťn maand af waren drie en twintig duizend. Zij waren niet met de andere IsraŽlieten gemonsterd, omdat hun geen erfdeel onder de IsraŽlieten was toebedeeld.
    26Dit waren degenen, die door Moses en den priester Elazar werden geteld, toen zij de IsraŽlieten monsterden in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
    26Onder dezen bevond zich niemand van hen, die door Moses en den priester Ašron waren geteld, toen zij de IsraŽlieten in de woestijn van de SinaÔ hadden gemonsterd.
    26Want Jahweh had hun gezegd: Ze zullen in de woestijn sterven, en er zal niemand van hen overblijven, behalve Kaleb, de zoon van Jefoenne, en JosuŽ, de zoon van Noen.
    27Maar nu traden de dochters van Selofchad, den zoon van Chťfer, den zoon van Gilad, den zoon van Makir, den zoon van Manasse, den zoon van Josef naar voren; de namen van zijn dochters waren: Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa.
    27Zij plaatsten zich voor Moses en den priester Elazar, en voor de aanvoerders en heel de gemeenschap bij de ingang van de openbaringstent en zeiden:
    27Onze vader is in de woestijn gestorven. Maar hij behoorde niet tot de aanhang van Kore, die opstand maakte tegen Jahweh; maar hij is om zijn eigen zonde gestorven, zonder zonen na te laten.
    27Waarom moet nu de naam van onzen vader uit zijn geslacht verdwijnen, omdat hij geen zoon heeft gehad? Geef ons dus eigendom onder de broeders van onzen vader.
    27Moses bracht haar rechtsvraag voor Jahweh.
    27En Jahweh sprak tot Moses:
    27De dochters van Selofchad hebben gelijk. Ge moet haar onder de broeders van haar vader een erfelijk grondbezit geven, en het erfdeel van haar vader op haar doen overgaan.
    27En aan de IsraŽlieten moet ge zeggen: Wanneer iemand sterft, zonder een zoon na te laten, moet ge zijn erfdeel op zijn dochters doen overgaan.
    27Zo hij ook geen dochters heeft, moet gij zijn erfdeel aan zijn broers geven.
    27Heeft hij geen broers, dan moet gij het aan de broers van zijn vader geven.
    27Had ook zijn vader geen broers, dan moet gij zijn erfdeel geven aan die hem in zijn geslacht het naast verwant is; die zal het dan erven. Dit is voor de IsraŽlieten een wettelijk voorschrift geworden, zoals Jahweh het Moses bevolen heeft.
    27Jahweh sprak tot Moses: Bestijg dit Abarimgebergte, en werp een blik op het land, dat Ik de IsraŽlieten zal geven.
    27Wanneer ge het gezien hebt, zult ook gij bij uw volk worden verzameld, evenals uw broeder Ašron,
    27omdat gij u in de woestijn Sin bij de opstand van de gemeenschap tegen mijn bevel hebt verzet, en Mij door het water voor hun ogen niet als heilig hebt behandeld. Dit is het water van Meribat-Kadesj in de woestijn van Sin geweest.
    27Moses zei tot Jahweh:
    27Jahweh, de God over het leven van alle schepselen, stelle dan iemand over de gemeenschap aan,
    27die voor hen uitgaat en ingaat, die hen uitleidt en terugvoert, opdat de gemeenschap van Jahweh niet worde als schapen zonder herder.
    27Toen sprak Jahweh tot Moses: Neem JosuŽ, den zoon van Noen, een man, die met mijn geest is vervuld, en leg hem uw hand op;
    27plaats hem voor den priester Elazar en voor de hele gemeenschap der IsraŽlieten, en draag hem in hun tegenwoordigheid de leiding over.
    27Deel hem iets van uw waardigheid mee, zodat heel de gemeenschap der IsraŽlieten hem gehoorzaamt;
    27maar toch zal hij voor den priester Elazar moeten verschijnen, en deze zal voor hem voor het aanschijn van Jahweh de uitspraak der Oerim moeten vragen. En op diens uitspraak zal hij met al de IsraŽlieten en heel de gemeenschap moeten uittrekken en terugkeren.
    27Moses deed, wat Jahweh hem bevolen had. Hij nam JosuŽ, plaatste hem voor den priester Elazar en heel de gemeenschap,
    27legde hem de handen op, en droeg hem de leiding over; zoals Jahweh het door Moses bevolen had.
    28Jahweh sprak tot Moses:
    28Geef de IsraŽlieten het volgende bevel: Gij moet er voor zorgen, Mij mijn offergaven, mijn spijs, mijn heerlijk geurende vuuroffers, op de vastgestelde tijden te brengen.
    28Gij moet hun zeggen: Dit is het vuuroffer, dat gij dagelijks als een regelmatig brandoffer aan Jahweh moet brengen: twee gave lammeren van een jaar oud.
    28Het ene lam moet gij des morgens offeren, het andere lam tegen de avond.
    28Verder als spijsoffer een tiende efa meelbloem met een vierde hin gestoten olie gemengd.
    28Dit is het dagelijkse brandoffer, dat op de berg SinaÔ is ingesteld, als een heerlijk geurend vuuroffer voor Jahweh.
    28Verder als plengoffer, dat bij ieder lam hoort, een vierde hin wijn; in het heiligdom moogt gij slechts gegiste drank voor Jahweh plengen.
    28Als ge tegen de avond het tweede lam offert, moet gij het evenals des morgens met een spijsoffer en met het daarbij horend plengoffer als een heerlijk geurend vuuroffer aan Jahweh opdragen.
    28Op de sabbat bovendien nog twee gave lammeren van een jaar oud met twee issaron meelbloem, met olie gemengd, als spijsoffer, en het daarbij horend plengoffer.
    28Dit is het brandoffer, dat iedere sabbat, behalve het dagelijkse brand- en plengoffer, moet worden opgedragen.
    28Op de eerste van iedere maand moet gij als brandoffer twee jonge stieren, een ram en zeven gave lammeren van een jaar oud aan Jahweh brengen.
    28Als spijsoffer bij iederen jongen stier drie issaron meelbloem, met olie gemengd; als spijsoffer bij iederen ram twee issaron meelbloem, met olie gemengd;
    28en bij ieder lam telkens een issaron meelbloem, met olie gemengd, als spijsoffer. Dit is een brandoffer, een heerlijk geurend vuuroffer voor Jahweh.
    28Vervolgens de plengoffers, die er bij horen; een halve hin wijn bij den jongen stier, een derde hin bij den ram, en een vierde hin bij ieder lam. Dit is dus het brandoffer bij iedere nieuwe maan van alle maanden van het jaar.
    28Bovendien moet buiten het dagelijkse brandoffer nog een geitebok als zondeoffer aan Jahweh worden opgedragen met het daarbij horend plengoffer.
    28Op de veertiende dag van de eerste maand moet het Pascha van Jahweh worden gehouden,
    28en op de vijftiende dag van die maand is het feest; zeven dagen lang moeten ongedesemde broden worden gegeten.
    28Op de eerste dag moet een godsdienstige bijeenkomst worden gehouden, en mag geen slafelijke arbeid worden verricht.
    28Dan moet ge als vuuroffer aan Jahweh een brandoffer opdragen, dat uit twee jonge stieren, een ram en zeven eenjarige lammeren moet bestaan; gave dieren moet ge nemen.
    28Verder moet ge als het daarbij horend spijsoffer bij iederen jongen stier drie issaron meelbloem, met olie gemengd, opdragen, bij den ram twee issaron,
    28en bij ieder van de zeven lammeren telkens een issaron.
    28Bovendien nog een bok als zondeoffer, om verzoening voor u te verkrijgen.
    28Dit alles moet ge opdragen buiten het dagelijkse brandoffer van iedere morgen.
    28Op elk van de zeven dagen moet ge dus buiten het dagelijkse brandoffer, als spijs een heerlijk geurend vuuroffer aan Jahweh opdragen, met het plengoffer dat er bij hoort.
    28Op de zevende dag moet ge een godsdienstige bijeenkomst houden en moogt ge geen slafelijke arbeid verrichten.
    28Op de dag der eerstelingen, op uw feest der weken, wanneer ge een nieuw spijsoffer aan Jahweh brengt, moet ge een godsdienstige bijeenkomst houden, en moogt ge geen slafelijke arbeid verrichten.
    28Dan moet ge een heerlijk geurend brandoffer aan Jahweh opdragen van twee jonge stieren, een ram, en zeven eenjarige lammeren; gave dieren moet ge nemen.
    28Verder als het daarbij horende spijsoffer bij iederen stier drie issaron meelbloem, met olie gemengd, twee issaron bij iederen ram,
    28en telkens een issaron bij ieder van de zeven lammeren.
    28Bovendien nog een geitebok, als zondeoffer om verzoening voor u te verkrijgen.
    28Ge moet dat met de daarbij horende plengoffers opdragen buiten het dagelijkse brand- en spijsoffer.
    29Op de eerste dag van de zevende maand moet ge een godsdienstige bijeenkomst houden, en moogt ge geen slafelijke arbeid verrichten; het zal de dag van bazuingeschal voor u zijn.
    29Dan moet ge een heerlijk geurend brandoffer aan Jahweh opdragen, van een jongen stier, een ram en zeven eenjarige lammeren, gave dieren.
    29Verder als het daarbij horende spijsoffer, bij den stier drie issaron meelbloem, met olie gemengd, twee issaron bij den ram,
    29en een issaron bij ieder van de zeven lammeren.
    29Bovendien nog een geitebok als zondeoffer om verzoening voor u te verkrijgen.
    29Dit alles buiten het maandelijkse brandoffer met het daarbij horende spijsoffer, en buiten het dagelijkse brandoffer en de daarbij voorgeschreven plengoffers, als een heerlijk geurend vuuroffer voor Jahweh.
    29Op de tiende van deze zevende maand moet ge een godsdienstige bijeenkomst houden, vasten en moogt ge generlei arbeid verrichten.
    29Dan moet ge een heerlijk geurend brandoffer aan Jahweh opdragen van een jongen stier, een ram, zeven eenjarige lammeren; gave dieren moet ge nemen.
    29Verder als het daarbij horende spijsoffer, bij den stier drie issaron meelbloem, met olie gemengd, twee issaron bij den ram,
    29telkens een issaron bij ieder van de zeven lammeren.
    29Bovendien nog een geitebok als zondeoffer, buiten het zondeoffer voor de verzoening, en het dagelijkse brandoffer met het daarbij horende spijsoffer en de plengoffers.
    29Op de vijftiende dag van de zevende maand moet ge een godsdienstige bijeenkomst houden, en moogt ge geen slafelijke arbeid verrichten; zeven dagen lang moet ge feest vieren ter ere van Jahweh.
    29Dan moet ge als een heerlijk geurend vuuroffer aan Jahweh een brandoffer opdragen van dertien jonge stieren, twee rammen, veertien eenjarige lammeren; gave dieren moeten het zijn.
    29Verder als het daarbij horende spijsoffer, bij ieder van de dertien stieren drie issaron meelbloem met olie gemengd, twee issaron bij ieder van de twee rammen,
    29en telkens een issaron bij ieder van de veertien lammeren.
    29Bovendien nog een geitebok als zondeoffer, behalve nog het dagelijkse brandoffer met het daarbij horende spijs- en plengoffer.
    29Op de tweede dag twaalf jonge stieren, twee rammen, veertien eenjarige lammeren, gave dieren;
    29verder het spijsoffer en de plengoffers, die volgens voorschrift bij ieder van de stieren, rammen en lammeren horen;
    29bovendien een geitebok als zondeoffer, behalve nog het dagelijkse brandoffer met het daarbij horende spijsoffer en de plengoffers.
    29Op de derde dag elf stieren, twee rammen, veertien gave, eenjarige lammeren;
    29verder het spijsoffer en de plengoffers, die volgens voorschrift bij ieder van de stieren, rammen en lammeren horen;
    29bovendien een bok als zondeoffer, behalve nog het dagelijkse brandoffer met het daarbij horende spijs- en plengoffer.
    29Op de vierde dag tien stieren, twee rammen, veertien gave, eenjarige lammeren;
    29verder het spijsoffer en de plengoffers, die volgens voorschrift bij ieder van de stieren, rammen en lammeren horen;
    29bovendien een geitebok als zondeoffer, behalve nog het dagelijkse brandoffer met het daarbij horende spijs- en plengoffer.
    29Op de vijfde dag negen stieren, twee rammen, veertien gave, eenjarige lammeren;
    29verder het spijsoffer en de plengoffers, die volgens voorschrift bij ieder van de stieren, rammen en lammeren horen;
    29bovendien een bok als zondeoffer, behalve nog het dagelijkse brandoffer met het daarbij horende spijs- en plengoffer.
    29Op de zesde dag acht stieren, twee rammen, veertien gave, eenjarige lammeren;
    29verder het spijsoffer en de plengoffers, die volgens voorschrift bij ieder van de stieren, rammen en lammeren horen;
    29bovendien een bok als zondeoffer, behalve nog het dagelijkse brandoffer met het daarbij horende spijs- en plengoffer.
    29Op de zevende dag zeven stieren, twee rammen, veertien gave, eenjarige lammeren;
    29verder het spijsoffer en de plengoffers, die volgens voorschrift bij ieder van de stieren, rammen en lammeren horen;
    29bovendien een bok als zondeoffer, behalve nog het dagelijkse brandoffer met het daarbij horende spijs- en plengoffer.
    29Op de achtste dag moet ge een feestvergadering houden, en moogt ge geen slafelijke arbeid verrichten.
    29Dan moet ge als heerlijk geurend vuuroffer aan Jahweh een brandoffer opdragen van een stier, een ram, en zeven eenjarige lammeren, gave dieren;
    29verder het spijsoffer en de plengoffers, die volgens voorschrift bij den stier, den ram en ieder van de lammeren horen;
    29bovendien een bok als zondeoffer, behalve nog het dagelijkse brandoffer en het daarbij horende spijs- en plengoffer.
    29Dit moet ge Jahweh op uw feestdagen offeren, behalve uw brand-, spijs-, pleng- en vredeoffers, die uw gelofteoffers of vrijwillige gaven vormen.
    29En Moses bracht de IsraŽlieten alles nauwkeurig over, wat Jahweh hem bevolen had.
    30Moses sprak tot de stamhoofden der IsraŽlieten: Jahweh heeft het volgende bevolen:
    30Wanneer men een gelofte aan Jahweh doet, of zich onder ede verplicht, zich van iets te onthouden, dan mag men zijn woord niet breken, maar moet alles volbrengen wat men beloofd heeft.
    30Wanneer een vrouw die als jong meisje nog in het huis van haar vader woont, een gelofte aan Jahweh doet, of een verplichting op zich neemt, zich van iets te onthouden,
    30en haar vader hoort haar gelofte of dergelijke verplichting, die zij op zich neemt, en hij doet er het zwijgen toe, dan zijn al haar geloften en al zulke verplichtingen, die zij op zich heeft genomen, van kracht.
    30Maar wanneer haar vader, als hij het hoort, er zich tegen verzet, dan is geen van haar geloften en geen van zulke verplichtingen, die zij op zich heeft genomen, van kracht, en Jahweh scheldt ze haar kwijt, omdat haar vader er zich tegen verzet heeft.
    30Wanneer zij trouwt, terwijl zij door haar gelofte is gebonden, of door een ondoordacht woord een verplichting op zich heeft genomen, om zich van iets te onthouden,
    30en haar man hoort het, maar doet er het zwijgen toe, als hij het hoort, dan blijven haar geloften en dergelijke verplichtingen, die zij op zich genomen heeft, van kracht.
    30Maar wanneer haar man, als hij het hoort, er zich tegen verzet, dan maakt hij haar gelofte, die op haar rust, en die onbezonnen verplichting, die ze heeft aangegaan, ongeldig, en Jahweh scheldt ze haar kwijt.
    30De gelofte van een weduwe of van een verstoten vrouw, en iedere verplichting, die zij op zich nemen, om zich van iets te onthouden, blijven voor haar van kracht.
    30Wanneer zij in het huis van haar man een gelofte doet of onder ede een verplichting op zich heeft genomen om zich van iets te onthouden,
    30en haar man hoort het, maar doet er het zwijgen toe en verzet er zich niet tegen, dan zijn al haar geloften en al zulke verplichtingen, die zij op zich heeft genomen, van kracht.
    30Maar verklaart haar man, als hij het hoort, ze voor ongeldig, dan is niets, wat zij als gelofte of als dergelijke verplichting heeft aangegaan, van kracht; haar man heeft ze ongeldig gemaakt, en ook Jahweh scheldt ze haar kwijt.
    30Elke gelofte dus en elke eed, waardoor ze zich verplicht, zich van iets te onthouden, kan haar man geldig of ongeldig maken.
    30Zo haar man tegenover haar van de ene dag tot de andere blijft zwijgen, dan erkent hij al haar geloften en al dergelijke verplichtingen, die zij op zich heeft genomen, als geldig; hij heeft ze bekrachtigd, door te blijven zwijgen, toen hij ze vernam.
    30Verklaart hij ze echter eerst ongeldig, lang nadat hij er van heeft gehoord, dan maakt hij zich aan zonde schuldig.
    30Dit zijn de voorschriften, die Jahweh Moses gegeven heeft over de verhouding van den man tot zijn vrouw, en van den vader tot zijn dochter, die als jong meisje nog in het huis van haar vader woont.
    31Jahweh sprak tot Moses:
    31Nog moet ge voor de kinderen IsraŽls wraak nemen op de Midjanieten; daarna zult ge bij uw volk worden verzameld.
    31Moses zei dus tot het volk: Laat een deel van uw mannen zich wapenen, om tegen Midjan op te rukken, en de wraak van Jahweh aan Midjan te voltrekken.
    31Van iedere stam van IsraŽl, moet ge duizend man in het veld brengen.
    31Zo werden uit iedere stam van IsraŽl duizend krijgers aangemonsterd, dus twaalf duizend in het geheel.
    31En Moses zond die duizend uit iedere stam ten strijde met Pinechas, den zoon van den priester Elazar, wien hij de heilige vaten en de krijgstrompetten meegaf.
    31Zij bonden dus de strijd aan tegen de Midjanieten, zoals Jahweh het Moses bevolen had, en doodden alle mannen.
    31Behalve de anderen, die zij neersabelden, doodden zij ook de koningen van Midjan, Ewi, Rťkem, Soer, Choer en Rťba, vijf midjanietische koningen; ook Balašm, den zoon van Beor, doodden zij met het zwaard.
    31De IsraŽlieten maakten de vrouwen en kinderen der Midjanieten krijgsgevangen; al hun vee met al hun have en goed maakten zij buit;
    31al de steden, die zij bewoonden, met al hun kampementen staken ze in brand.
    31Al die roof en buit aan mensen en vee namen zij mee,
    31en brachten de gevangenen met roof en buit naar Moses, en den priester Elazar, en naar de gemeenschap der IsraŽlieten in de legerplaats in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
    31Moses, de priester Elazar en al de leiders van de gemeenschap trokken hen buiten de legerplaats tegemoet.
    31Maar Moses werd vertoornd op de aanvoerders van het leger, de hoofdmannen over duizend en honderd, die van de strijd terugkeerden,
    31en zei tot hen: Hoe hebt ge al die vrouwen in leven kunnen laten?
    31Zij zijn toch juist op raad van Balašm de oorzaak geweest, dat IsraŽl om Peor van Jahweh afviel, zodat er onder de gemeenschap van Jahweh een ramp ontstond.
    31Ge moet dus alle jongens doden, en alle vrouwen, die gemeenschap met een man hebben gehad.
    31Maar alle meisjes, die nog geen gemeenschap met een man hebben gehad, moogt ge in leven laten en voor u behouden.
    31Bovendien moet ge zeven dagen lang buiten de legerplaats blijven, en iedereen die een ander heeft gedood of een gesneuvelde heeft aangeraakt, moet zich op de derde en zevende dag reinigen, gij zowel als uw krijgsgevangenen.
    31Ook alle kleren, alle leren voorwerpen, al wat uit geitenhaar is vervaardigd, en al wat van hout is, moet gij reinigen.
    31En de priester Elazar zeide tot de krijgslieden, die ten strijde waren getrokken: Dit is het voorschrift van de wet, die Jahweh Moses heeft gegeven!
    31Goud, zilver, brons, ijzer, tin en lood,
    31al wat tegen vuur bestand is, moet ge door het vuur halen; dan zal het rein zijn, en behoeft alleen nog met reinigingswater te worden ontsmet. Maar al wat niet tegen vuur is bestand, moet ge door het water halen.
    31Op de zevende dag moet gij uw kleren wassen; dan zijt gij weer rein, en kunt in de legerplaats terugkeren.
    31Daarna sprak Jahweh tot Moses:
    31Tel met den priester Elazar en de familiehoofden van de gemeenschap mensen en dieren, die aan buit zijn meegebracht,
    31en verdeel de buit tussen de krijgers, die ten strijde zijn getrokken, en heel de gemeenschap.
    31Van de krijgers, die ten strijde zijn getrokken, moet ge als gave voor Jahweh ťťn op de vijfhonderd heffen van mensen, runderen, ezels en kleinvee;
    31ge moet het van hun helft nemen en het den priester Elazar geven als een cijns voor Jahweh.
    31Maar van de helft voor de IsraŽlieten bestemd moet ge ťťn op de vijftig nemen, van wat voor de hand komt, van mensen, runderen, ezels en kleinvee, en alle andere beesten, en het aan de levieten geven, die dienst doen bij de tabernakel van Jahweh.
    31Moses en de priester Elazar deden, wat Jahweh Moses bevolen had.
    31Het overschot van de buit, die het krijgsvolk gemaakt en meegebracht had, bedroeg zes honderd vijf en zeventig duizend schapen,
    31twee en zeventig duizend runderen,
    31een en zestig duizend ezels,
    31en aan mensen, twee en dertig duizend vrouwen, die geen gemeenschap met een man hadden gehad.
    31De helft, die toekwam aan hen, die ten strijde waren getrokken, bedroeg: aan schapen drie honderd zeven en dertig duizend vijfhonderd,
    31en de gave voor Jahweh daarvan zeshonderd vijf en zeventig;
    31aan runderen, zes en dertig duizend, en de gave voor Jahweh daarvan twee en zeventig;
    31aan ezels, dertig duizend vijfhonderd, en de gave voor Jahweh daarvan een en zestig;
    31aan mensen zestien duizend, en de gave voor Jahweh twee en dertig.
    31Moses stelde die gave als cijns voor Jahweh, aan den priester Elazar ter hand, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    31De helft, die voor de IsraŽlieten was bestemd, en die Moses van het krijgsvolk, dat was uitgetrokken, had geheven,
    31deze helft voor de gemeenschap bedroeg: aan schapen, drie honderd zeven en dertig duizend vijfhonderd,
    31aan runderen, zes en dertig duizend;
    31aan ezels dertig duizend vijfhonderd;
    31en aan mensen, zestien duizend.
    31Van deze helft, voor de IsraŽlieten bestemd, nam Moses ťťn op de vijftig van mensen en vee, zoals het voor de hand kwam, en gaf het aan de levieten, die dienst deden bij de tabernakel, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    31Toen traden de aanvoerders van de troepen, de hoofdmannen over duizend en honderd, op Moses toe,
    31en zeiden tot hem: Uw dienaren hebben de strijders, die onder ons stonden, geteld en er ontbreekt er niet ťťn.
    31Daarom brengt ieder van ons de gouden sieraden, die hij heeft buitgemaakt, gespen, armbanden, zegelringen, oorringen en kralen, als gave aan Jahweh, om voor ons verzoening te verkrijgen voor het aanschijn van Jahweh.
    31Moses en de priester Elazar namen al die gouden sieraden van hen aan.
    31Al het goud, dat zij als cijns aan Jahweh brachten, bedroeg zestien duizend zeven honderd vijftig sikkels. Dit was van de hoofdmannen over duizend en honderd;
    31ook de krijgslieden hadden ieder voor zich nog buit behaald.
    31Moses en de priester Elazar namen het goud van de hoofdmannen over duizend en honderd in ontvangst en brachten het naar de openbaringstent, om de IsraŽlieten bij Jahweh in gedachtenis te houden.
    32De zonen van Ruben en Gad bezaten zeer talrijke kudden. En daar de Rubenieten en Gadieten zagen, dat het land Jazer en het land Gilad een zeer geschikte streek voor vee was,
    32gingen ze naar Moses, den priester Elazar en de aanvoerders van de gemeenschap en zeiden:
    32Atarot, Dibon, Jazer, Nimra, Chesjbon, Elale, Sibma, Nebo en BŠal-Meon,
    32het land, dat Jahweh aan de gemeenschap van IsraŽl heeft onderworpen, is een land van veeteelt, en uw dienaren oefenen veeteelt uit.
    32En zij vervolgden: Zo wij genade hebben gevonden in uw ogen, laat dan dit land aan uw dienaren als bezitting worden gegeven, en voer ons niet over de Jordaan.
    32Maar Moses gaf de zonen van Gad en Ruben ten antwoord: Wilt gij dan hier blijven wonen, terwijl uw broeders ten strijde trekken?
    32Waarom wilt ge de IsraŽlieten de moed benemen, om naar de overkant te trekken, naar het land, dat Jahweh hun heeft gegeven?
    32Zo hebben uw vaders gedaan, toen ik hen uitzond van Kadesj-Barnťa, om het land te verkennen.
    32Zij trokken op tot de Esjkol-vallei, en zij verkenden het land; maar toen ontnamen zij de kinderen IsraŽls de moed, om het land binnen te trekken, dat Jahweh hun had gegeven.
    32Maar toen ook ontbrandde de gramschap van Jahweh, en zwoer Hij:
    32De mannen van twintig jaar oud en daarboven, die uit Egypte zijn opgetrokken, zullen het land niet aanschouwen, dat Ik aan Abraham, Isašk en Jakob onder ede beloofd heb, omdat zij Mij niet trouw zijn gebleven!
    32Uitgezonderd werden Kaleb, de Kenizziet, de zoon van Jefoenne, en JosuŽ, de zoon van Noen; want zij bleven Jahweh getrouw.
    32Zo ontstak de toorn van Jahweh tegen IsraŽl en liet Hij ze veertig jaar lang in de woestijn zwerven, tot heel het geslacht, dat kwaad had gedaan in de ogen van Jahweh, was gestorven.
    32En nu neemt gij de plaats van uw vaderen in, zondig gebroed, en roept gij de grimmige toorn van Jahweh over IsraŽl weer af.
    32Zo ge u van Hem afwendt, zal Hij het nog langer in de woestijn laten zwerven, en stort gij heel dit volk in het verderf.
    32Maar zij traden op hem toe, en zeiden: Wij willen hier enkel schaapskooien bouwen voor onze kudden en steden voor onze kinderen;
    32maar wij zelf zullen strijdvaardig aan de spits van de IsraŽlieten optrekken, totdat wij ze naar hun bestemming hebben gebracht; intussen zullen onze kinderen dan in versterkte steden kunnen blijven, om tegen de bewoners van het land beveiligd te zijn.
    32Wij keren niet naar huis terug, eer ieder van IsraŽls kinderen zijn aandeel heeft bekomen.
    32Ook zullen we geen erfbezit bij hen krijgen aan de overkant van de Jordaan, zo wij ons erfdeel hebben gekregen aan deze zijde, ten oosten van de Jordaan.
    32Toen sprak Moses tot hen: Wanneer gij dit woord gestand doet, en u voor Jahweh ten strijde gordt,
    32en gij allen welbewapend de Jordaan overtrekt voor het aanschijn van Jahweh, totdat Hij zijn vijanden voor Zich heeft uitgedreven,
    32en eerst terugkeert als het land aan Jahweh is onderworpen, dan gaat ge vrij uit voor Jahweh en IsraŽl, en zal dit land voor het aanschijn van Jahweh uw eigendom zijn.
    32Maar doet ge het niet, dan zondigt ge tegen Jahweh, en zult ge de gevolgen van uw zonde ondervinden.
    32Bouwt dus steden voor uw kinderen en kooien voor uw schapen, maar doet, wat ge beloofd hebt.
    32Toen zeiden de zonen van Gad en Ruben tot Moses: Uw dienaren zullen doen, zoals mijn heer heeft bevolen.
    32Onze kinderen en vrouwen, ons vee, en al onze runderen zullen in de steden van Gilad blijven,
    32maar uw dienaren zullen allen, welbewapend, naar de overkant trekken, om voor Jahweh te strijden, zoals mijn heer heeft gezegd.
    32Nu gaf Moses den priester Elazar en JosuŽ, den zoon van Noen, met de familiehoofden van IsraŽls stammen zijn bevelen betreffende hen.
    32Moses zeide: Wanneer de zonen van Gad en van Ruben, allen welbewapend, met u de Jordaan overtrekken, om voor Jahweh te strijden, en het land aan u onderworpen is, dan moet ge hun het land Gilad in eigendom geven;
    32maar zo ze niet welbewapend met u naar de overkant trekken, dan moeten zij worden gedwongen zich onder u in het land Kanašn te vestigen.
    32De zonen van Gad en Ruben verzekerden: Wat Jahweh uw dienaars bevolen heeft, zullen ze doen.
    32Voor Jahweh?s aanschijn zullen wij welbewapend naar het land Kanašn trekken, en eerst dan zullen we aan deze zijde van de Jordaan vaste bezittingen verkrijgen.
    32Zo gaf Moses aan de zonen van Gad en Ruben en aan de helft van de stam van Manasse, den zoon van Josef, het rijk van Sichon, den koning der Amorieten, en het rijk van Og, den koning van Basjan, zowel de steden van het land als het grondgebied rondom de steden.
    32De zonen van Gad herbouwden de vestingsteden Dibon, Atarot en AroŽr,
    32Atrot-Sjofan, Jazer en Jogbeha,
    32Bet-Nimra, Bet-Haran met haar schaapskooien.
    32De zonen van Ruben herbouwden Chesjbon, Elale en KirjatŠim,
    32Nebo, BŠal-Meon (onder een andere naam) en Sibma, en gaven aan de steden, die ze bouwden, andere namen.
    32De zonen van Makir, den zoon van Manasse, trokken naar Gilad, veroverden het en verdreven de Amorieten, die daar woonden.
    32Moses gaf Gilad aan Makir, den zoon van Manasse, die zich daar vestigde.
    32Ook JaÔr, de zoon van Manasse, trok op, veroverde hun kampementen en noemde ze kampementen van JaÔr.
    32Ook Nůbach trok op, veroverde Kenat met zijn onderhorige plaatsen, en noemde het Nůbach naar zijn eigen naam.
    33Dit zijn de halten van de IsraŽlieten, nadat zij onder leiding van Moses en Ašron met hun legerscharen uit Egypte waren opgetrokken.
    33Op bevel van Jahweh schreef Moses hun zwerftochten op volgens de halten, die zij hadden gemaakt. En dit waren hun verschillende halten, die zij op hun zwerftochten hadden gemaakt.
    33Op de vijftiende dag van de eerste maand, braken zij op van Rašmses, daags na Pasen trokken de IsraŽlieten onder machtige schutse ten aanschouwen van heel Egypte weg,
    33terwijl de Egyptenaren al de eerstgeborenen begroeven, die Jahweh onder hen had getroffen, en Jahweh aan hun goden de strafgerichten voltrok.
    33Nadat de IsraŽlieten van Rašmses waren opgetrokken, legerden zij zich te Soekkot.
    33Van Soekkot trokken zij verder en legerden zich te Etam, dat op de grens van de woestijn ligt.
    33Van Etam trokken zij verder, maar sloegen de richting in naar Pi-Hachirot, dat ten oosten van BŠal-Sefon ligt, en legerden zich voor Migdol.
    33Van Pi-Hachirot trokken zij verder, gingen midden door de zee naar de woestijn, trokken drie dagreizen ver de woestijn Etam in, en legerden zich te Mara.
    33Van Mara trokken zij verder, en kwamen te Elim; te Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich daar.
    33Van Elim trokken zij verder, en legerden zich aan de Rode Zee.
    33Van de Rode Zee trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn Sin.
    33Van de woestijn Sin trokken zij verder, en legerden zich te Dofka.
    33Van Dofka trokken zij verder, en legerden zich te Aloesj.
    33Van Aloesj trokken zij verder, en legerden zich te Refidim; daar was geen water voor het volk, om te drinken.
    33Van Refidim trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn van de SinaÔ.
    33Van de woestijn SinaÔ trokken zij verder, en legerden zich te Kibrot-Hattašwa.
    33Van Kibrot-Hattašwa trokken zij verder, en legerden zich te Chaserot.
    33Van Chaserot trokken zij verder, en legerden zich te Ritma.
    33Van Ritma trokken zij verder, en legerden zich te Rimmon-Pťres.
    33Van Rimmon-Pťres trokken zij verder, en legerden zich te Libna.
    33Van Libna trokken zij verder, en legerden zich te Rissa.
    33Van Rissa trokken zij verder, en legerden zich te KehelŠta.
    33Van KehelŠta trokken zij verder, en legerden zich bij de berg Sjťfer.
    33Van de berg Sjťfer trokken zij verder, en legerden zich te Charada.
    33Van Charada trokken zij verder, en legerden zich te Makhelot.
    33Van Makhelot trokken zij verder, en legerden zich te TŠchat.
    33Van TŠchat trokken zij verder, en legerden zich te Tťrach.
    33Van Tťrach trokken zij verder, en legerden zich te Mitka.
    33Van Mitka trokken zij verder, en legerden zich te Chasjmona.
    33Van Chasjmona trokken zij verder, en legerden zich te Moserot.
    33Van Moserot trokken zij verder, en legerden zich te Bene-Jaškan.
    33Van Bene-Jaškan trokken zij verder, en legerden zich te Chor-Haggidgad.
    33Van Chor-Haggidgad trokken zij verder, en legerden zich te JotbŠta.
    33Van JotbŠta trokken zij verder, en legerden zich te Abrona.
    33Van Abrona trokken zij verder, en legerden zich te Es-jon-Gťber.
    33Van Es-jon-Gťber trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn Sin, dat is Kadesj.
    33Van Kadesj trokken zij verder, en legerden zich bij de berg Hor aan de grens van het land Edom.
    33De priester Ašron besteeg op bevel van Jahweh de berg Hor, en stierf daar in het veertigste jaar na de uittocht van de IsraŽlieten uit Egypte, op de eerste van de vijfde maand.
    33Ašron was honderd drie en twintig jaar oud, toen hij op de berg Hor stierf.
    33Daar de kanašnietische koning van Arad, die in de Nťgeb van het land Kanašn woonde, vernomen had, dat de IsraŽlieten in aantocht waren,
    33trokken zij van de berg Hor verder, en legerden zich te Salmona.
    33Van Salmona trokken zij verder, en legerden zich te Poenon.
    33Van Poenon trokken zij verder, en legerden zich te Obot.
    33Van Obot trokken zij verder, en legerden zich te Ijje-Hašbarim, in het gebied van Moab.
    33Van Ijje-Hašbarim trokken zij verder, en legerden zich te Dibon-Gad.
    33Van Dibon-Gad trokken zij verder, en legerden zich te Almon-DiblatŠim.
    33Van Almon-DiblatŠim trokken zij verder, en legerden zich bij het gebergte Abarim tegenover Nebo.
    33Van het gebergte Abarim trokken zij verder, en legerden zich in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
    33Hun legerplaatsen bij de Jordaan strekten zich uit van Bet-Hajjesjimot af tot aan Abel-Hassjittim in de velden van Moab.
    33In de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho sprak Jahweh tot Moses:
    33Beveel de IsraŽlieten, en zeg hun: Wanneer gij de Jordaan zijt overgetrokken naar het land Kanašn,
    33dan moet gij al de bewoners van het land verjagen, en al hun gehouwen beelden stukslaan, al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten verwoesten.
    33Dan zult gij het land in bezit nemen en er u vestigen; want aan u heb Ik het land in eigendom gegeven.
    33Gij moet het land door loting onder uw geslachten verdelen; aan een talrijk geslacht moet gij een groot stuk geven, aan een minder talrijk een klein. Ge moet het dus onder de voorvaderlijke stammen zo verdelen, dat iedereen krijgt, wat hem door het lot wordt toegewezen.
    33Maar wanneer gij de bewoners van het land niet verjaagt, dan zullen zij, die gij ervan overlaat, als doornen in uw ogen zijn en als prikkels in uw zijden; zij zullen u in uw eigen land verdrukken.
    33En zoals Ik besloten had, hen te behandelen, zo zal Ik het u doen.
    34Jahweh sprak tot Moses:
    34Beveel de IsraŽlieten, en zeg hun: Wanneer ge in het land Kanašn komt, dan zullen dit de grenzen zijn van het land Kanašn, dat uw erfdeel is.
    34De zuidgrens zal lopen van de woestijn Sin langs Edom, en in het oosten beginnen bij het einde van de Zoutzee.
    34Dan zal de grens zich ten zuiden bij de pas van Akrabbim ombuigen, doorlopen tot Sin, en Kadesj-Barnťa zal haar meest zuidelijke punt vormen. Vandaar zal zij zich uitstrekken tot Chasar-Addar en doorlopen tot Asmon.
    34Van Asmon zal de grens ombuigen naar de beek van Egypte, en haar eindpunt zal de zee zijn.
    34Wat nu de westgrens betreft, zo dient de Grote Zee tegelijk als grens; die vormt uw westgrens.
    34Dit zal voor u de noordelijke grens zijn: Van de Grote Zee af moet ge de grenslijn trekken naar de berg Hor,
    34en van de berg Hor ze doortrekken tot bij Chamat, met Sedad als haar uiterste punt.
    34Vandaar zal de grens doorlopen naar Zifron met Chasar-Enan als eindpunt. Dit zal uw noordgrens zijn.
    34Uw oostgrens zult ge trekken van Chasar-Enan naar Sjefam.
    34Van Sjefam zal de grens afdalen naar Ribla, ten oosten van Ain, en verder uitlopen op de bergrug ten oosten van het meer van Gennezaret.
    34Dan daalt de grens af naar de Jordaan, en loopt uit op de Zoutzee. Dit zal uw land zijn met zijn grenzen rondom.
    34Moses beval de IsraŽlieten, en zeide: Dit is het land, dat gij door loting moet verdelen, daar Jahweh bevolen heeft, het aan de negen en halve stam te geven.
    34Want de families van de stam der Rubenieten en Gadieten en die van de halve stam van Manasse hebben hun erfdeel al ontvangen.
    34De twee en een halve stam hebben hun aandeel ontvangen aan de overzijde van de Jordaan bij Jericho, dus aan de oostkant.
    34En Jahweh sprak tot Moses:
    34De volgende mannen moeten het land onder u verdelen: De priester Elazar en JosuŽ, de zoon van Noen;
    34verder moet gij uit iedere stam ťťn stamhoofd nemen, om het land te verdelen.
    34Dit zijn de namen van die mannen: Van de stam Juda Kaleb, de zoon van Jefoenne;
    34van de stam der Simeonieten SjemoeŽl, de zoon van Ammihoed;
    34van de stam Benjamin Elidad, de zoon van Kislon;
    34van de stam der Danieten het stamhoofd Boekki, de zoon van Jogli;
    34van de zonen van Josef, van de stam der Manassieten het stamhoofd ChanniŽl, de zoon van Efod,
    34en van de stam der EfraÔmieten het stamhoofd KemoeŽl, de zoon van Sjiftan;
    34van de stam der Zabulonieten het stamhoofd Elisafan, de zoon van Parnak;
    34van de stam der Issakarieten het stamhoofd PaltiŽl, de zoon van Azzan;
    34van de stam der Aserieten het stamhoofd Achihoed, de zoon van Sjelomi;
    34van de stam der Neftalieten het stamhoofd PedaŽl, de zoon van Ammihoed.
    34Aan hen gaf Jahweh bevel het land Kanašn onder de kinderen IsraŽls te verdelen.
    35Nog sprak Jahweh tot Moses in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho:
    35Beveel de IsraŽlieten, dat zij van hun erfbezit steden aan de Levieten geven, om daar te wonen, en dat zij ook de weidegronden rond die steden aan de Levieten afstaan.
    35Die steden zullen hun tot woonplaats dienen en de weidegronden zullen voor hun kudde, hun lastdieren en al hun vee zijn bestemd.
    35De weidegronden van de steden, die gij aan de Levieten zult geven, moeten aan alle kanten van de stadsmuur af tot de buitenste rand duizend el breed zijn.
    35Gij moet buiten de stad de oostgrens op twee duizend ellen uitmeten, de zuidgrens op twee duizend ellen, de westgrens op twee duizend ellen en de noordgrens op twee duizend ellen met de stad als middelpunt; dit zullen hun weidegronden zijn, die bij de steden horen.
    35De steden, die gij aan de Levieten moet afstaan, zullen vooreerst de zes vrijsteden zijn, die gij als vluchtplaats moet aanwijzen voor hem, die iemand heeft gedood; en daarenboven moet ge hun nog twee en veertig andere steden afstaan.
    35In het geheel moet ge dus acht en veertig steden met hun weidegronden aan de Levieten afstaan.
    35Deze steden, die ge van het bezit der IsraŽlieten zult afnemen, moeten in een grote stam talrijker en in een kleine stam minder talrijk zijn; ieder moet naar verhouding van zijn bezit, dat hij kreeg, enige steden aan de Levieten afstaan.
    35Jahweh sprak tot Moses:
    35Beveel de IsraŽlieten, en zeg hun: Wanneer gij over de Jordaan het land Kanašn zijt binnengetrokken,
    35dan moet gij enige steden aanwijzen, die u als vrijsteden zullen dienen, waarheen iemand vluchten kan, die een ander zonder opzet heeft gedood.
    35Naar die steden zult ge de wijk kunnen nemen voor den bloedwreker, zodat hij, die een ander gedood heeft, niet zal sterven, eer hij voor de gemeenschap terecht heeft gestaan.
    35Gij moet zes van zulke steden, die tot vrijsteden voor u zijn bestemd, aanwijzen:
    35drie steden in het Overjordaanse, en drie steden in het land Kanašn: dat zullen de vrijsteden zijn.
    35Zowel voor de IsraŽlieten als voor den vreemdeling en den inboorling in uw midden, zullen die zes steden als wijkplaats dienen, zodat ieder, die zonder opzet een mens heeft gedood, daarheen kan vluchten.
    35Wanneer iemand een ander met een ijzeren voorwerp zo slaat, dat hij sterft, dan is hij een moordenaar; de moordenaar moet ter dood worden gebracht.
    35Heeft hij een steen in zijn hand, waarmee men iemand dodelijk kan treffen, en slaat hij hem zo dat hij sterft, dan is hij een moordenaar; de moordenaar moet ter dood worden gebracht.
    35Of heeft hij een houten voorwerp in zijn hand, waarmee men iemand dodelijk kan treffen, en slaat hij hem zo, dat hij sterft, dan is hij een moordenaar; de moordenaar moet ter dood worden gebracht.
    35Dan mag de bloedwreker den moordenaar doden, waar hij hem aantreft.
    35Wanneer iemand een ander uit haat een stoot toebrengt, of uit moordzucht naar hem gooit, zodat hij sterft,
    35of uit vijandschap hem zo met de vuist slaat, dat hij sterft, dan is hij ook een moordenaar, en moet ter dood worden gebracht; de bloedwreker mag den moordenaar doden, waar hij hem aantreft.
    35Maar wanneer hij hem zonder voorbedachte rade en zonder vijandschap een stoot toebrengt, of zonder opzet om te doden een of ander ding naar hem gooit,
    35of uit onoplettendheid een steen, waarmee men iemand dodelijk kan treffen, op hem laat vallen, zodat hij sterft; dus zonder hem vijandig gezind te zijn en zonder hem kwaad te willen,
    35dan zal de gemeenschap tussen hem, die de dood heeft toegebracht en den bloedwreker recht spreken naar de volgende bepalingen.
    35De gemeenschap moet hem, die de dood heeft veroorzaakt, tegen den bloedwreker beschermen, en hem doen terugkeren naar de vrijstad, waarheen hij gevlucht was, en waar hij moet blijven wonen tot aan de dood van den hogepriester, dien men met de heilige olie heeft gezalfd.
    35Zo hij buiten de grens van de vrijstad komt, waarheen hij gevlucht is,
    35en de bloedwreker vindt hem buiten de grens van zijn vrijstad en doodt hem, dan treft den bloedwreker geen bloedschuld;
    35want de ander had tot aan de dood van den hogepriester in zijn vrijstad moeten blijven. Eerst na de dood van den hogepriester kan hij, die gedood heeft, naar zijn grondbezit terugkeren.
    35Deze rechtsbepalingen zullen voor u blijven gelden van geslacht tot geslacht, overal waar gij woont.
    35Wanneer iemand een mens heeft vermoord, dan zal men den moordenaar op het woord van getuigen ter dood brengen; maar ťťn getuige zal niet voldoende zijn, om een mens te doen sterven.
    35Gij moogt voor het leven van een moordenaar, die des doods schuldig is, geen losgeld aannemen; want hij moet ter dood worden gebracht.
    35Evenmin moogt gij voor iemand, die naar een vrijstad gevlucht is, losgeld aannemen, om vůůr de dood van den hogepriester terug te keren en zijn land te bewonen.
    35Neen, gij moogt het land, waar gij woont, niet ontwijden! Want bloed ontwijdt het land; en voor het land, waarop bloed is vergoten, kan geen verzoening worden verkregen, dan door het bloed van hem, die het vergoten heeft.
    35Bezoedelt dus het land niet, waar gij woont, en waarin ook Ik woon; want Ik, Jahweh, woon te midden van IsraŽls kinderen.
    36Eens traden de familiehoofden van het geslacht der zonen van Gilad, den zoon van Makir, den zoon van Manasse, uit de geslachten van de zonen van Josef, voor Moses en de aanvoerders, de stamhoofden der IsraŽlieten,
    36en zeiden: Jahweh heeft mijn heer bevolen, het land volgens het lot onder de IsraŽlieten tot erfdeel te geven, en mijn heer heeft uit naam van Jahweh gelast, het erfdeel van Selofchad, onzen broeder, aan zijn dochters te schenken.
    36Maar wanneer zij nu eens met iemand van de andere stammen der IsraŽlieten huwen, dan zou haar erfdeel aan dat onzer vaderen worden onttrokken, bij het erfdeel van de stam worden gevoegd, waartoe zij zullen behoren, en dus ons erfbezit, door het lot ons toegewezen, worden ontvreemd.
    36En breekt voor de IsraŽlieten het jubeljaar aan, dan zal haar erfdeel voorgoed bij de bezitting van de stam worden gevoegd, waartoe zij behoren, en zal haar erfdeel van dat onzer vaderen worden ontvreemd.
    36Toen gaf Moses in opdracht van Jahweh aan de IsraŽlieten het volgende bevel: De stam van de zonen van Josef heeft gelijk.
    36Daarom beveelt Jahweh met betrekking tot de dochters van Selofchad als volgt: Zij kunnen trouwen met wie ze willen, mits in een familie van de stam van haar vader.
    36Want een erfdeel mag bij de IsraŽlieten niet van de ene stam op de andere overgaan, maar iedere IsraŽliet moet aan het erfdeel van de stam van zijn vaderen vasthouden.
    36Daarom moet ieder meisje, dat onder de stammen der IsraŽlieten een erfdeel ontvangt, in de familie van de stam van haar vader huwen, zodat alle IsraŽlieten hun vaderlijk erfdeel behouden.
    36Een erfdeel mag dus niet van de ene stam op de andere overgaan, maar alle stammen der IsraŽlieten moeten aan hun eigen erfdeel vasthouden.
    36De dochters van Selofchad deden, wat Jahweh Moses bevolen had.
    36Machla, Tirsa, Chogla, Milka en Noa, de dochters van Selofchad, huwden met de zonen van haar ooms.
    36Zij huwden dus in de families van de zonen van Manasse, den zoon van Josef, zodat haar erfdeel aan de stam bleef, waartoe de familie van haar vader behoorde.
    36Dit zijn de bevelen en voorschriften, die Jahweh door Moses aan de IsraŽlieten in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho gaf.