01
Dante Alighieri - La Divina Commedia - Inferno
Christinus Kops - De Goddelijke Komedie - De Hel

Juist midden op de reistocht van ons leven
zag ik mij in een donker woud verloren,
daar ik van 't goede pad was afgeweken. 03

Helaas, hoe 't was, dat woud, valt zwaar te zeggen:
z wild was 't en z woest, z dicht en donker,
dat de angsten nog herleven bij 't herdenken. 06

Ja, zelfs de dood kan haast niet erger wezen.
Maar om van 't heil dat ik daar vond te spreken
zal 'k ook verhalen, wat ik eerst aanschouwde. 09

Vaag heugt mij maar, hoe ik er binnendoolde:
z had de slaap mij in dat uur vermeesterd,
toen ik de ware weg de rug tockeerde. 12

Maar toen ik bij een heuvel was gekomen,
daar waar de grenzen liepen van de delling,
die mij van vrees het hart reeds had doorstoken, 15

keek ik omhoog en zag zijn kruin omgeven
door 't licht van de planeet, die met zijn stralen
ons allen veilig leidt langs alle wegen. 18

Toen werd de vrees toch wel een weinig stiller,
die eerst gewoed had op de zee mijns harten,
geheel die nacht dat ik zo veel verduurde. 21

En evenals de man die, buiten adem
vanuit de diepe zee aan land geworsteld,
zich omkeert en dan tuurt naar 't wilde water, 24

zo keerde zich mijn geest, die steeds nog vluchtte,
weer achterwaarts om naar het woud te staren,
waaruit geen mens ooit levend was ontkomen. 27

Toen, na wat rust voor 't afgematte lichaam,
ging ik weer verder langs de doodse helling,
z, dat de vaste voet steeds 't laagste toefde. 30

En zie, daar waar het steil werd op de helling,
stond toen een slanke, uiterst vlugge panter,
wiens leden een gespikkeld vel bedekte. 33

Geen ogenblik verdween hij uit mijn ogen,
maar bleef zo koppig mij de weg versperren,
dat 'k meer dan eens mij omkeerde om te vluchten. 36

Het was de tijd van 't eerste morgen-lichten;
de zon steeg op, omgeven door de sterren,
die eenmaal bij hem waren, toen Gods liefde 39

voor 't eerst die schone werelden deed wentlen.
Dus had ik hoop, de zege te behalen
op 't dier, met een gespikkeld vel omhangen, 42

zowel om 't uur als 't schone jaargetijde.
Toch voelde ik mij opnieuw door schrik bevangen,
toen aan mijn blikken zich een leeuw vertoonde, 45

die als gereed stond om mij aan te vliegen:
de kop omhoog en z van honger razend,
dat zelfs de lucht zijn woede scheen te duchten. 48

En een wolvin, die zo was uitgemergeld,
of alle vraatzucht in haar was gevaren,
en die reeds velen 't leven bitter maakte, 51

benauwde mij mer zulke zwarigheden
alleen door de angst, die reeds haar aanblik wekte,
dat ik de hoop verloor op 's heuvels hoogte. 54

Gelijk de man, die gaarne geld verzamelt,
maar als de tijd komt, dat hij 't weer moet derven,
bedroefd wordt in zijn geest en weent en weeklaagt, 57

z maakte mij dat ongedurig monster,
dat stap voor stap mij zocht terug te dringen
naar waar de zon in zwijgen ligt gedompeld. 60

En toen ik reeds terugweek naar de laagte,
verhief zich voor mijn ogen een gestalte,
door 't lange zwijgen als ontwend aan 't spreken. 63

Toen ik hem aanzag in de wijde stilte,
riep ik hem luide toe: 'Ontferm u mijner,
wat ge ook moogt zijn, of schim of menselijk wezenl' 66

'Mens ben ik niet, ik was het,' was zijn antwoord.
'Mijn ouders waren uit het Lombardijse,
en Mantua was 't vaderland van beiden. 69

Ik kwam sub Julio, schoon laat, ter wereld
en leefde in 't Rome van de goede Augustus
ten tijde van de valse leugengoden. 72

'k Was dichter en bezong in mijne verzen
Anchises' vrome zoon, die Troje ontvluchtte,
toen 't pralend Ilion verzonk in vlammen. 75

Maar gij? Waarom terug naar zoveel onheil?
Waarom beklimt gij niet de blijde heuvel,
die aanvang is en oorzaak aller vreugde?' 78

'Gij zijt dus die Vergilius, die bronar,
waaruit zo'n brede vloed van verzen stroomde?'
antwoordde ik hem, het voorhoofd rood van schaamte. 81

'Vergeld me, o roem en licht der andre dichters,
de stage studie en de grote liefde,
waarmee ik mij verdiepte in uw gedichten. 84

Gij zijt mijn meester en bezielend voorbeeld.
Gij zijt 't alleen, van wie ik heb gekregen
de schone stijl, die mij tot aanzien voerde. 87

Zie 't wilde dier, waarvoor ik om moest keren!
Bescherm mij toch, o gij vermaarde wijze,
want aderen en polsen doet 't mij beven!' 90

'Een andre weg behoort gij af te lopen,'
was 't antwoord van de schim, die mij zag schreien,
'als ge uit dit gruwzaam oord wenst weg te komen. 93

Het wilde dier, waarom gij klaagt en jammert,
laat langs zijn weg geen sterveling passeren,
maar houdt hem vast en brengt hem z om 't leven. 96

Het is van aard zo slecht en zo verdorven,
dat 't in zijn vraatzucht nimmer wordt verzadigd
en iedre maaltijd het nog meer doet hongren. 99

De dieren waar 't mee paart zijn groot in aantal
en 't worden er nog meer, tot zal verschijnen
de Windhond, die 't in pijnen zal doen sterven. 102

Niet mesten zal die zich met geld en goedren,
maar wijsheid, deugd en liefde zal zijn spijs zijn
en wonen zal hij tussen beide Feltro's. 105

Hij zal het heil zijn van 't vernerd Itaalje,
waarvoor Euryalus, de maagd Camilla,
Nisus en Turnus bloed en leven gaven. 108

Najagen zal hij 't dier door alle steden,
tot hij 't opnieuw in de afgrond heeft gedreven.
vanwaar het de eerste nijd had losgelaten. 111

Ik acht het voor uw welzijn dan ook nodig,
dat gij mij volgt; ik wil uw leidsman wezen
en u door 't land der eeuwigheid geleiden, 114

waar gij 't wanhopig weegeklaag zult horen
der ongelukkigen uit vroeger tijden,
die allen om de tweede dood daar roepen. 117

Dan zult ge zien die met geduld verduren
het vuur, omdat hun hoop is, eens te komen,
wanneer 't ook zij, bij 's hemels uitverkoornen. 120

Indien gij ook tot dezen op wilt stijgen,
zal iemand, waardiger dan ik, u helpen,
aan wie 'k u toevertrouw, wanneer wij scheiden. 123

Want Hij, de Keizer, die regeert daar boven,
wil niet, omdat ik eens zijn wet weerstreefde,
dat gij door mij zijn stad zult binnentreden. 126

Heerst Hij alom, daar toont Hij zich eerst keizer,
daar is zijn stad, daar is zijn hoge zetel.
O zalig die Hij daartoe heeft verkoren!' 129

En ik tot hem: 'O bij die God, mijn dichter,
die onbekend u bleef, durf ik u vragen,
mij aan dit kwaad en erger nog te ontrukken; 132

leid mij naar 't oord, waarvan gij hebt gesproken,
zodat mijn oog Sint Pieters poort aanschouwe
en hen wier lot gij mij zo somber schildert.' 135

Toen ging hij voor en ik trad in zijn schreden. 136

list operone