• [dutch] 21
    Dutch Bible 1939
    (NLD1939)
  • Genesis Exodus Leviticus


    Exodus

    101Dit zijn de namen van de zonen van IsraŽl, die met Jakob naar Egypte waren gekomen, ieder met zijn gezin:
    102Ruben, Simeon, Levi en Juda,
    103Issakar, Zabulon en Benjamin,
    104Dan en Neftali, Gad en Aser.
    105In het geheel waren het zeventig rechtstreekse afstammelingen van Jakob; Josef was toen reeds in Egypte.
    106Nadat Josef met al zijn broers en heel dat geslacht was gestorven,
    107werden de kinderen IsraŽls vruchtbaar en vermenigvuldigden zij zich; ze werden zů talrijk en een zů grote menigte, dat het land met hen overstroomd werd.
    108Toen kwam er een nieuwe koning in Egypte aan het bewind, die Josef niet meer had gekend.
    109Hij sprak tot zijn volk: Zie, het volk van IsraŽl is talrijker dan wij en wordt ons te sterk.
    110We moeten dus met beleid tegen hen optreden, anders worden zij nog talrijker en sluiten ze zich, als wij in oorlog raken, bij onze vijanden aan, gaan ons bestrijden, en trekken dan weg uit het land.
    111Men stelde dus slavendrijvers over hen aan, om hen met dwangarbeid er onder te houden; en zo moesten zij voor Farao de opslagplaatsen Pitom en Rašmses bouwen.
    112Maar hoe meer men ze verdrukte, hoe talrijker ze werden en hoe sterker zij zich vermenigvuldigden, zodat men de IsraŽlieten begon te vrezen.
    113Zo maakten de Egyptenaren de kinderen IsraŽls met geweld tot hun slaven;
    114zij verbitterden hun leven door ze zwaar in leem en tichels te laten werken en door allerlei veldarbeid: allemaal slavenwerk, waartoe men hen met geweld dwong.
    115Nu sprak de koning van Egypte tot de vroedvrouwen Sjifra en Poea, die de hebreeuwse vrouwen hielpen:
    116Wanneer gij de hebreeuwse vrouwen bij de bevalling helpt, let dan op het geslacht van het kind. Als het een jongen is, moet ge het doden; is het een meisje, dan mag het blijven leven.
    117Maar de vroedvrouwen vreesden God; ze deden niet wat de koning van Egypte haar had bevolen en lieten ook de jongens in leven.
    118Daarom liet de koning van Egypte de vroedvrouwen roepen, en zeide tot haar: Waarom doet gij dit, en laat ge de jongens in leven?
    119De vroedvrouwen gaven Farao ten antwoord: De hebreeuwse vrouwen zijn niet als die van Egypte, maar eerder als dieren; voordat de vroedvrouw bij haar is, hebben zij het kind al gebaard.
    120En God beloonde de vroedvrouwen. En terwijl het volk zich vermenigvuldigde en hoe langer hoe talrijker werd,
    121maakte God de vroedvrouwen tot stammoeders, omdat ze Hem hadden gevreesd.
    122Toen gaf Farao aan heel zijn volk het bevel: Werpt iederen jongen, die bij de HebreŽn geboren wordt, in de Nijl, maar laat de meisjes in leven.
    201Nu was er een man uit de stam van Levi, die een levietisch meisje tot vrouw had genomen.
    202De vrouw werd zwanger, en baarde een zoon; en daar ze zag, dat het een flinke jongen was, hield ze hem drie maanden lang verborgen.
    203Maar toen ze hem niet langer kon verbergen, haalde ze voor hem een biezen mandje, bestreek dat met asfalt en pek, legde het knaapje daarin, en zette het tussen het riet aan de oever van de Nijl,
    204terwijl zijn zuster op enige afstand bleef staan, om te weten, wat er met hem zou gebeuren.
    205Toen nu de dochter van Farao de Nijl inging om te baden, terwijl haar slavinnen langs de oever van de Nijl op en neer wandelden, zag zij het mandje tussen het riet, en liet het door haar dienstmeisje halen.
    206Zij maakte het open en zag, dat er een jongetje in lag te schreien. Zij had er medelijden mee, en sprak: Dat is zeker een van de hebreeuwse jongetjes.
    207Nu zeide zijn zuster tot de dochter van Farao: Wil ik misschien bij de hebreeuwse vrouwen een min voor u roepen, om het knaapje voor u te voeden?
    208De dochter van Farao antwoordde: Doe dat! Het meisje ging toen de eigen moeder van het kind roepen,
    209en de dochter van Farao zeide haar: Neem dit kind mee, en voed het voor mij; ik zal u er voor betalen. De vrouw nam dus het kind mee, en voedde het.
    210Toen de jongen groot genoeg was, bracht ze hem naar de dochter van Farao, die hem als haar zoon behandelde. Zij noemde hem Moses; want, zeide ze, ik heb hem uit het water gehaald.
    211Toen Moses groot was geworden, ging hij eens naar zijn broeders. Terwijl hij daar naar hun dwangarbeid stond te kijken, zag hij, hoe een Egyptenaar een HebreŽr, een van zijn broeders, neersloeg.
    212Hij keek naar alle kanten uit, en toen hij niemand zag, sloeg hij den Egyptenaar dood en verborg hem in het zand.
    213Daags daarop ging hij weer, en zag twee HebreŽn met elkander vechten. Hij zei nu tot hem, die ongelijk had: Waarom slaat gij uw makker?
    214Hij antwoordde: Wie heeft u tot heer en rechter over ons aangesteld? Zijt gij soms van plan ook mij te vermoorden, zoals gij dien Egyptenaar hebt gedood? Nu werd Moses bang, want hij dacht: Het is dan toch bekend geworden.
    215Toen dan ook Farao er van hoorde, wilde hij Moses ter dood laten brengen. Maar Moses vluchtte voor Farao, en zocht een schuilplaats in het land Midjan. Terwijl hij daar neerzat bij een put,
    216kwamen de zeven dochters van den priester van Midjan om water te scheppen en de drinkbakken te vullen voor de kudde van haar vader.
    217Maar daar de herders haar kwamen verjagen, sprong Moses haar te hulp, en gaf haar kudde te drinken.
    218Toen ze bij haar vader ReoeŽl kwamen, vroeg hij: Waarom zijt ge vandaag zo vroeg terug?
    219Zij antwoordden: Een Egyptenaar heeft ons van de herders bevrijd, ook water voor ons geput, en de kudde laten drinken.
    220Toen zei hij tot zijn dochters: Waar is hij? Waarom hebt gij dien man daar laten staan? Nodigt hem uit, om mee te eten.
    221Zo besloot Moses bij dien man te blijven; en deze gaf Moses zijn dochter Sippora tot vrouw.
    222Zij baarde een zoon, dien hij Gersjom noemde; want hij zeide: Ik toef als gast in een vreemd land.
    223In die lange tussentijd was de koning van Egypte wel gestorven, maar de IsraŽlieten zuchtten en klaagden nog steeds onder de zware arbeid, en hun geschrei om verlossing uit de slavernij steeg omhoog tot God.
    224God hoorde hun kermen en was zijn Verbond met Abraham, Isašk en Jakob indachtig.
    225God zag neer op IsraŽls kinderen en bekommerde Zich om hun lot.
    301Eens dat Moses de kudde weidde van zijn schoonvader Jitro, priester van Midjan, en hij zijn kudde diep de woestijn in had gedreven, en bij de Horeb, de berg van God, was gekomen,
    302verscheen hem de engel van Jahweh in een vlammend vuur midden in een braambos. Hij zag op, en ofschoon het braambos in lichte laaie stond, werd het niet verteerd.
    303Moses dacht bij zichzelf: Ik moet dat wondere schouwspel toch eens wat nader gaan bezien en kijken, waarom het braambos niet verbrandt.
    304Toen Jahweh zag, dat hij dichterbij kwam, om scherper toe te zien, riep God hem midden uit het braambos toe: Moses, Moses! Hij antwoordde: Hier ben ik!
    305Hij ging voort: Kom hier niet dichterbij, maar doe uw schoenen van uw voeten; want de plaats, waar gij staat, is heilige grond.
    306En Hij vervolgde: Ik ben de God van uw vader; de God van Abraham, de God van Isašk en de God van Jakob. Toen bedekte Moses zijn gelaat, want hij durfde niet naar God opzien.
    307En Jahweh sprak: Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien en zijn noodkreten om zijn verdrukkers gehoord. Waarachtig, zijn lijden is Mij bekend!
    308Daarom ben Ik neergedaald, om het uit de macht van Egypte te verlossen, en om het uit dit land te geleiden naar een schoon en uitgestrekt land: naar een land, dat druipt van melk en honing, de woonplaats van de Kanašnieten en Chittieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten.
    309Ja, het geschrei van IsraŽls zonen is tot Mij doorgedrongen en Ik heb de verdrukking gezien, waarmede Egypte hen kwelt.
    310Welnu dan, Ik zal u tot Farao zenden; gij moet mijn volk, de kinderen IsraŽls, uit Egypte leiden.
    311Maar Moses zeide tot God: Wie ben ik, dat ik tot Farao zou gaan, en de IsraŽlieten uit Egypte zou leiden?
    312Hij hernam: Ik ben met u! En dit zal voor u het teken zijn, dat Ik het ben, die u gezonden heb: wanneer ge het volk uit Egypte zult hebben geleid, zult ge God vereren op deze berg.
    313Toen zei Moses tot God: Wanneer ik nu tot de zonen IsraŽls ga en hun zeg: De God uwer vaderen zendt mij tot u, wat moet ik dan antwoorden, als ze vragen: Hoe is zijn Naam?
    314God sprak tot Moses: Ik ben: Ik ben! En Hij vervolgde: Dit moet ge aan de IsraŽlieten antwoorden: Ik ben zendt mij tot u!
    315En God sprak verder tot Moses: Dit moet gij aan IsraŽls kinderen zeggen: Jahweh, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Isašk en de God van Jakob zendt mij tot u! Dit is voor eeuwig mijn Naam; zo zal Ik heten van geslacht tot geslacht.
    316Ga nu en roep de oudsten van IsraŽl bijeen, en zeg hun: Jahweh, de God uwer vaderen, is mij verschenen; de God van Abraham, Isašk en Jakob heeft mij gezegd: Ik heb vol zorg op u nedergezien en gelet op wat men u in Egypte aandoet.
    317Daarom heb Ik besloten: Uit de ellende van Egypte voer Ik u weg naar het land der Kanašnieten en Chittieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten, naar een land, dat druipt van melk en honing!
    318Zij zullen aan uw oproep gehoor geven. Dan moet gij met de oudsten van IsraŽl naar den koning van Egypte gaan, en hem zeggen: Jahweh, de God der HebreŽn, is ons verschenen; wij moeten drie dagreizen ver de woestijn in, om aan Jahweh, onzen God, een offer te brengen.
    319Maar Ik weet, dat de koning van Egypte u slechts gedwongen zal laten vertrekken.
    320Daarom zal Ik mijn hand uitstrekken, om Egypte te treffen met al mijn wonderen, die Ik in dat land zal verrichten; daarna zal hij u laten gaan.
    321Ik zal de Egyptenaren inschikkelijk maken jegens dit volk, zodat ge bij uw vertrek niet met lege handen zult heengaan.
    322De vrouwen moeten van haar buren en medebewoners zilveren en gouden sieraden en klederen eisen, die ge uw zonen en dochters moet aandoen. Zo zult ge Egypte uitschudden.
    401Moses antwoordde: Zie, ze zullen mij niet geloven en niet naar mij luisteren; maar ze zullen zeggen: Jahweh is u niet verschenen.
    402Toen sprak Jahweh tot hem: Wat hebt ge daar in uw hand? Hij antwoordde: Een staf.
    403Hij sprak: Werp hem op de grond. Hij wierp hem op de grond en de staf werd een slang, waar Moses voor vluchtte.
    404Maar Jahweh sprak tot Moses: Steek uw hand uit en grijp haar bij de staart. Hij stak zijn hand uit en greep haar vast, en zij werd in zijn hand weer een staf.
    405Hierdoor zullen zij geloven, dat Jahweh, de God hunner vaderen, de God van Abraham, Isašk en Jakob, u is verschenen.
    406Opnieuw sprak Jahweh tot hem: Steek uw hand in uw boezem. Hij stak zijn hand in zijn boezem, maar toen hij ze terugtrok, was zijn hand melaats, en leek wel sneeuw.
    407Hij sprak: Steek uw hand opnieuw in uw boezem. Weer stak hij zijn hand in zijn boezem; en toen hij ze er uit trok, zie, daar was ze weer als de rest van zijn lichaam.
    408Wanneer ze u dan niet willen geloven en aan het eerste teken geen gehoor willen geven, dan zullen ze aan het tweede teken geloven.
    409Maar wanneer ze na die beide tekenen nog niet geloven en niet naar u luisteren, neem dan water uit de Nijl, en stort dat op het droge. En het water, dat ge uit de Nijl hebt genomen, zal op het droge in bloed veranderen.
    410Maar Moses sprak tot Jahweh: Ach, Heer, ik ben helemaal niet welbespraakt, ik ben het vroeger nooit geweest, en ben het ook nu nog niet, al hebt Gij tot uw dienaar gesproken; ik ben slechts een stamelaar.
    411Toen sprak Jahweh tot hem: Wie heeft den mens een mond gegeven; wie maakt hem stom of doof, ziende of blind; Ik, Jahweh, niet waar?
    412Ga dus; Ik zal u in het spreken bijstaan en u ingeven, wat ge moet zeggen.
    413Maar Moses hield aan: Ach Heer, zend toch liever een ander!
    414Toen ontstak Jahweh in toorn tegen Moses en sprak: Is uw broeder Ašron, de Leviet, er ook niet? Ik weet, dat hij gemakkelijk spreekt! Zie, hij komt u al tegemoet, en verheugt er zich op, u weer te zien.
    415Tot hem zult ge spreken, en hem de woorden in de mond leggen; Ik zal u bijstaan, u en hem, als ge moet spreken, en u beiden ingeven wat ge moet doen.
    416Hij zal voor u het woord tot het volk richten; hij zal uw tolk, en gij zult zijn God zijn.
    417Neem deze staf met u mee, om er de tekenen mee te verrichten.
    418Toen ging Moses naar zijn schoonvader Jitro terug en zei tot hem: Ik zou naar mijn broeders in Egypte terug willen keren, om te zien, of ze nog in leven zijn. En Jitro gaf Moses ten antwoord: Ga in vrede!
    419Jahweh sprak tot Moses in Midjan: Trek op, en keer terug naar Egypte; want allen, die u naar het leven stonden, zijn dood.
    420Moses nam dus zijn vrouw en zijn zonen, zette ze op ezels, en keerde naar het land van Egypte terug, Moses nam ook de staf van God met zich mee.
    421En Jahweh sprak tot Moses: Wanneer ge teruggekeerd zijt in Egypte, zorg er dan voor, alle wonderen, waartoe Ik u de macht heb gegeven, ten aanschouwen van Farao te verrichten. Maar Ik zal zijn hart verharden, zodat hij het volk niet laat gaan.
    422Dan moet gij tot Farao zeggen: Zo spreekt Jahweh! IsraŽl is mijn eerstgeboren zoon!
    423Ik heb u gezegd: Laat mijn zoon gaan, om Mij te vereren. Ge hebt geweigerd, hem te laten vertrekken; daarom dood Ik uw zoon, uw eerstgeborene!
    424Terwijl hij onderweg in een nachtverblijf toefde, zocht Jahweh hem op, en wilde hem doden.
    425Maar Sippora nam een scherpe steen, en sneed de voorhuid van haar zoon af; zij raakte Moses? voeten daarmee aan, en sprak: Een bloedige bruidegom zijt ge mij.
    426Toen liet Jahweh hem met rust. Zij had immers bedoeld: een bloedige bruidegom door de besnijdenis.
    427Intussen had Jahweh tot Ašron gesproken: Ga Moses in de woestijn tegemoet. Hij ging dus op weg, ontmoette hem bij de berg van God en kuste hem.
    428En Moses deelde Ašron de hele opdracht van Jahweh mee en alle tekenen, die Hij hem bevolen had te verrichten.
    429Daarop gingen Moses en Ašron verder en riepen al de oudsten van de IsraŽlieten bijeen.
    430Ašron verkondigde alles wat Jahweh tot Moses gesproken had, en Moses verrichtte de tekenen voor de ogen van het volk.
    431Het volk geloofde; en toen zij hoorden, dat Jahweh de kinderen IsraŽls had bedacht, en hun ellende had aanschouwd, wierpen zij zich op de knieŽn en bogen zich ter aarde.
    501Nu gingen Moses en Ašron naar Farao en zeiden: Zo spreekt Jahweh, IsraŽls God! Laat mijn volk gaan, om Mij ter ere in de woestijn een feest te vieren.
    502Maar Farao antwoordde: Wie is Jahweh wel, dat ik Hem zou gehoorzamen en IsraŽl zou laten vertrekken? Ik ken geen Jahweh, en IsraŽl laat ik niet gaan.
    503Zij zeiden: De God der HebreŽn is ons verschenen! Wij moeten drie dagreizen ver de woestijn in, om Jahweh, onzen God, een offer te brengen; anders slaat Hij ons met de pest of het zwaard.
    504Maar de koning van Egypte sprak tot Moses en Ašron: Waarom houdt gij het volk van zijn werk af? Gaat zelf aan de arbeid.
    505En Farao ging voort: Er is toch al te veel van dat volk, en nu zoudt ge nog willen, dat ze het werk neerlegden.
    506En nog diezelfde dag gaf Farao aan de slavendrijvers en onderbazen het bevel:
    507Geeft in het vervolg aan het volk geen stro meer, om tichels te maken, zoals tot nu toe; ze moeten het zelf maar bij elkaar gaan zoeken.
    508Toch moet ge evenveel tichels van hen blijven eisen, als zij tot nu toe hebben gemaakt, en er niets van laten schieten. Want ze zijn lui; en daarom schreeuwen ze: We willen onzen God een offer brengen.
    509Voor die mannen moet het werk worden verzwaard; dan zullen ze daarop blijven letten, en niet op leugens.
    510De slavendrijvers en onderbazen brachten het over aan het volk en zeiden: Zo spreekt Farao! Ik geef u geen stro meer;
    511ge moet het zelf maar gaan halen, waar ge het vindt, maar we laten niets schieten van wat ge moet leveren.
    512Dus moest het volk heel Egypte afzoeken, om strostoppels te verzamelen.
    513Maar de slavendrijvers hielden er aan vast: Ge moet iedere dag evenveel blijven leveren, als toen er nog stro werd gegeven.
    514De slavendrijvers van Farao ranselden de israŽlietische onderbazen af, die ze er voor aansprakelijk hadden gesteld en zeiden: Waarom levert ge nu niet evenveel tichels als vroeger?
    515De israŽlietische onderbazen gingen zich bij Farao beklagen, en zeiden: Waarom laat ge uw dienaars zo behandelen?
    516Uw dienaars wordt geen stro meer gegeven, en toch beveelt men ons evenveel tichels te maken. Uw dienaars worden geranseld, maar het is de schuld van uw eigen volk.
    517Maar hij antwoordde: Lui zijt ge, lui! Daarom zegt ge: We moeten aan Jahweh een offer gaan brengen.
    518Vooruit aan het werk! Ge krijgt geen stro, maar hetzelfde aantal stenen zult ge leveren.
    519Zo raakten de israŽlietische onderbazen in moeilijkheid door het bevel, dat zij het aantal tichels per dag niet mochten verminderen.
    520Toen zij dan ook van Farao weggingen, en Moses en Ašron ontmoetten, die op hen stonden te wachten,
    521zeiden ze hun: Jahweh moge het u vergelden en u straffen; want gij hebt ons gehaat gemaakt bij Farao en zijn dienaars, en hun het zwaard in de hand gedrukt, om ons te vermoorden.
    522Toen wendde Moses zich tot Jahweh en zeide: Heer, waarom hebt Gij dit volk kwaad berokkend; waarom hebt Gij mij eigenlijk gezonden?
    523Want van het ogenblik af, dat ik naar Farao ben gegaan, om in uw Naam te spreken, is dit volk er nog slechter aan toe, en Gij hebt uw volk in het geheel niet gered.
    601Toen sprak Jahweh tot Moses: Nu zult ge zien, wat Ik Farao zal doen. Door sterke hand gedwongen zal hij hen laten gaan; door sterke hand gedwongen zal hij hen zelfs uit zijn land verdrijven.
    602En God sprak tot Moses: Ik ben Jahweh!
    603Als de almachtige God ben Ik aan Abraham, Isašk en Jakob verschenen; maar mijn naam Jahweh heb ik hun niet bekend gemaakt.
    604Ik heb met hen mijn Verbond gesloten, om hun het land Kanašn te geven, het land waar zij als vreemdelingen hebben vertoefd;
    605en thans heb Ik het kermen gehoord van IsraŽls zonen, die door de Egyptenaren als slaven worden behandeld. Ik zal dus mijn Verbond gedenken!
    606Zeg daarom tot de IsraŽlieten: Ik ben Jahweh! Ik zal u bevrijden van het juk van Egypte, u uit de slavernij verlossen en u met gespierde arm en onder zware straffen redden.
    607Ik heb u tot mijn volk gekozen. Ik zal uw God zijn, en gij zult weten, dat Ik Jahweh, uw God, ben, die u red uit de slavernij van Egypte.
    608Ik zal u brengen naar het land, dat Ik met opgestoken hand aan Abraham, Isašk en Jakob beloofd heb. Ik zal het u in eigendom geven, zo waarachtig als Ik Jahweh ben.
    609Moses bracht die boodschap over; maar de IsraŽlieten luisterden niet meer naar Moses, omdat zij de moed hadden verloren en onder de zware arbeid gingen gebukt.
    610Toen sprak Jahweh tot Moses:
    611Ga Farao, den koning van Egypte, bevelen, de zonen IsraŽls uit zijn land te laten vertrekken.
    612Maar Moses zeide tot Jahweh: Zie, als zelfs de zonen IsraŽls niet naar mij willen luisteren, hoe zal Farao dan naar mij luisteren: naar mij, die onbesneden van lippen ben?
    613En Jahweh sprak tot Moses en Ašron, en zond hen naar de kinderen IsraŽls en naar Farao, den koning van Egypte, met de opdracht, om de IsraŽlieten uit het land van Egypte te leiden.
    614Dit zijn de hoofden hunner geslachten. De zonen van Ruben, den eerstgeborene van IsraŽl, waren Chanok en Palloe, Chesron en Karmi. Dit zijn de geslachten van Ruben.
    615De zonen van Simeon waren JemoeŽl, Jamin, Ohad, Jakin, Sůchar en Sjaoel, de zoon van een kanašnietische vrouw. Dit zijn de geslachten van Simeon.
    616Dit zijn de namen van de zonen van Levi naar hun geslachten: Gersjon, Kehat en Merari; Levi leefde honderd zeven en dertig jaar.
    617De zonen van Gersjon waren Libni en Sjimi naar hun families.
    618De zonen van Kehat waren Amram, Jishar, Chebron en OezziŽl; Kehat werd honderd drie en dertig jaar oud.
    619De zonen van Merari waren Machli en Moesji. Dit zijn de geslachten van Levi naar hun families.
    620Amram nam Jokťbed, zijn tante, tot vrouw, en zij baarde hem Moses en Ašron; Amram leefde honderd zeven en dertig jaar.
    621De zonen van Jishar waren Kore, Nťfeg en Zikri.
    622De zonen van OezziŽl waren MisjaŽl, Elsafan en Sitri.
    623Ašron nam Elisjťba, de dochter van Amminadab en zuster van Našsson tot vrouw; zij baarde hem Nadab, Abihoe, Elazar en Itamar.
    624De zonen van Kore waren Assir, Elkana en Abiasaf. Dit zijn de families der Korieten.
    625Elazar, de zoon van Ašron, nam een van de dochters van PoetiŽl tot vrouw, en zij baarde hem Pinechas. Dit zijn de stamhoofden der Levieten naar hun geslachten.
    626Het waren deze Ašron en Moses, tot wie God had gezegd: Voert de legerscharen van IsraŽls kinderen uit het land van Egypte.
    627Het waren dezelfde Moses en Ašron, die tot Farao, den koning van Egypte, hebben gesproken, om de IsraŽlieten uit het land van Egypte te leiden.
    628In die tijd, dat Jahweh tot Moses sprak in het land van Egypte,
    629had Jahweh tot Moses gezegd: Ik ben Jahweh! Zeg aan Farao, den koning van Egypte, al wat Ik tot u spreken ga.
    630Maar Moses had Jahweh ten antwoord gegeven: Ik ben onbesneden van lippen; hoe zal Farao naar mij luisteren!
    701En Jahweh sprak tot Moses: Zie, Ik heb u tot God over Farao gesteld, en Ašron uw broeder zal uw profeet zijn.
    702Ge moet dus aan uw broeder Ašron alles zeggen, wat Ik u gebieden zal; en deze moet Farao gelasten, de kinderen IsraŽls uit zijn land te laten vertrekken.
    703Maar Ik zal het hart van Farao verharden, om grote tekenen en wonderen in Egypte te wrochten.
    704Want Ik zal Egypte mijn hand laten voelen, wanneer Farao niet naar u luistert, en onder zware straffen mijn legerscharen, mijn volk, de kinderen IsraŽls uit Egypte wegleiden.
    705Wanneer Ik mijn hand over Egypte uitstrek en de kinderen IsraŽls uit hun midden wegleid, zullen de Egyptenaren beseffen, dat Ik Jahweh ben!
    706Moses en Ašron gehoorzaamden en deden alles, wat Jahweh hun geboden had.
    707Moses was tachtig en Ašron drie en tachtig jaar oud, toen zij tegen Farao optraden.
    708Nu sprak Jahweh tot Moses en Ašron:
    709Wanneer Farao tot u zegt: Doet een wonder voor mij; dan moet ge Ašron gelasten: Neem uw staf en werp hem Farao voor de voeten; en de staf zal een slang worden.
    710Toen gingen Moses en Ašron naar Farao, en deden wat Jahweh hun bevolen had. Ašron wierp zijn staf voor Farao en zijn hovelingen neer, en de staf werd een slang.
    711Maar Farao riep zijn wijzen en tovenaars, en de egyptische tovenaars deden door hun toverkunsten hetzelfde.
    712Iedereen wierp zijn staf op de grond, en ze veranderden in slangen; doch de staf van Ašron verslond die van hen.
    713Farao echter bleef hardnekkig en wilde niet naar hen luisteren, zoals Jahweh voorspeld had.
    714Toen sprak Jahweh tot Moses: Het hart van Farao is verhard; hij wil het volk niet laten vertrekken.
    715Ga dus morgenvroeg, als Farao zich naar het water begeeft, naar hem toe; treed hem aan de oever van de Nijl tegemoet, neem de staf, die in een slang werd veranderd, met u mee,
    716en zeg hem: Jahweh, de God der HebreŽn, heeft mij tot u gezonden met het bevel: Laat mijn volk vertrekken, om Mij in de woestijn te vereren. Tot nu toe hebt gij niet willen luisteren.
    717Maar nu spreekt Jahweh: Hieraan zult ge weten, dat Ik Jahweh ben: Zie, ik sla met mijn staf, die ik hier in mijn hand heb, op het water van de Nijl, en het zal in bloed veranderen.
    718De vissen in de Nijl zullen sterven, en het water van de Nijl zal zo stinken, dat de Egyptenaren het niet kunnen drinken.
    719En Jahweh sprak tot Moses: Zeg aan Ašron: Neem uw staf, en strek uw hand uit over het water van Egypte; over de beken, kanalen, over de plassen, en over alle plaatsen, waar water staat, en het zal in bloed veranderen. Zo zal het hele land van Egypte vol bloed zijn, tot in de houten en stenen vaten toe.
    720Moses en Ašron deden, wat Jahweh hun bevolen had. Hij hief zijn staf op, sloeg ten aanschouwen van Farao en zijn hof op het water van de Nijl, en al het water van de Nijl werd in bloed veranderd.
    721De vissen in de Nijl gingen dood, en de Nijl begon zo te stinken, dat de Egyptenaren het Nijlwater niet konden drinken. Maar ook heel het land van Egypte stond vol bloed.
    722Daar de egyptische tovenaars hetzelfde deden door hun kunsten, bleef Farao hardnekkig, en wilde hij niet naar hen luisteren, zoals Jahweh voorspeld had.
    723Farao keerde om, en ging naar huis, zonder er verder acht op te slaan.
    724Maar in de omtrek van de Nijl moesten alle Egyptenaren naar drinkwater graven; want het Nijlwater was voor hen niet te drinken.
    725Nadat er zeven volle dagen waren verlopen, sinds Jahweh op de Nijl had doen slaan,
    801sprak Jahweh tot Moses: Ga naar Farao en zeg hem: Laat mijn volk vertrekken, om Mij te vereren.
    802Zo ge weigert, het te laten vertrekken, teister Ik heel uw gebied met een kikvorsenplaag.
    803De Nijl zal wemelen van kikkers; zij zullen uw paleis binnenspringen, uw slaapvertrek en uw legerstede, de huizen van uw hovelingen en uw volk, tot in uw ovens en deegtroggen toe.
    804Maar ook u zelf, uw volk en heel uw hof zullen de kikkers bespringen.
    805Jahweh sprak dus tot Moses: Zeg aan Ašron: Strek uw hand met uw staf uit over de beken, kanalen en plassen, en laat er kikkers uit springen over het land Egypte.
    806En Ašron strekte zijn hand uit over het water van Egypte, en er sprongen kikvorsen uit op, die het land van Egypte overdekten.
    807Maar de tovenaars deden door hun kunsten hetzelfde; ook zij lieten kikvorsen springen over Egypte.
    808Toen riep Farao Moses en Ašron en zeide: Bidt Jahweh, dat Hij mij en mijn volk van de kikkers verlost; dan zal ik het volk laten gaan, om een offer aan Jahweh te brengen.
    809Moses gaf Farao ten antwoord: Ge moogt zelf bepalen, wanneer ik voor u, uw hof en uw volk zal bidden, om u en uw huis van de kikvorsen te bevrijden, zodat er alleen nog in de Nijl overblijven.
    810Hij zei: Morgen! En Moses antwoordde: Het zal gebeuren, zoals ge zegt, opdat ge moogt weten, dat Jahweh, onze God, zijns gelijke niet heeft.
    811Gij en uw huis, uw hovelingen en uw volk zullen van de kikkers worden verlost, zodat er alleen nog in de Nijl zullen overblijven.
    812Toen gingen Moses en Ašron van Farao weg, en Moses bad Jahweh de kikvorsen weg te nemen, waarmee Hij Farao had bezocht.
    813Jahweh verhoorde het gebed van Moses: de kikvorsen stierven, en verdwenen uit de huizen, hoven en velden.
    814Men veegde ze op hopen, zodat het land er van stonk.
    815Maar toen Farao zag, dat het gevaar was geweken, bleef hij hardnekkig en wilde niet naar hen luisteren, zoals Jahweh voorspeld had.
    816Toen sprak Jahweh tot Moses: Zeg aan Ašron: Hef uw staf omhoog en sla op het stof van de grond, en in heel het land van Egypte zal het in muggen veranderen.
    817Ze deden het: Ašron hief zijn hand met zijn staf omhoog, en sloeg op het stof van de grond; de muggen kwamen af op mensen en vee, over heel Egypte werd het stof op de grond in muggen veranderd.
    818De tovenaars deden door hun kunsten hetzelfde; maar de muggen laten verdwijnen konden ze niet. De muggen bleven op mensen en vee.
    819Nu zeiden de tovenaars tot Farao: Dat is de vinger Gods! Maar Farao bleef hardnekkig, en wilde niet naar hen luisteren, zoals Jahweh voorspeld had.
    820Toen sprak Jahweh tot Moses: Treed morgenvroeg Farao weer tegemoet, wanneer hij naar het water gaat, en zeg hem: Zů spreekt Jahweh! Laat mijn volk vertrekken, om Mij te vereren.
    821Zo ge mijn volk niet laat vertrekken, zend Ik horzels op u af, op uw hof, uw volk en uw huis. De huizen der Egyptenaren en zelfs de grond, waarop zij staan, zullen vol zitten van horzels.
    822Maar Ik zal op die dag een uitzondering maken voor het land Gůsjen, waar mijn volk is gevestigd; daar zullen geen horzels zijn, opdat gij moogt weten, dat Ik, Jahweh, in dat land vertoef.
    823Ik zal dus onderscheid maken tussen mijn volk en het uwe. Morgen wordt dit teken gewrocht.
    824En Jahweh deed het. Dichte zwermen horzels drongen het paleis van Farao en van zijn hovelingen binnen, en over heel Egypte werd het land door de horzels verpest.
    825Nu riep Farao Moses en Ašron en zeide: Gaat heen, en brengt uw God een offer hier in het land.
    826Maar Moses antwoordde: Dat kunnen we onmogelijk! Want wat wij aan Jahweh, onzen God, als offer brengen, is een gruwel in de ogen der Egyptenaren. Wanneer we dus een offer brengen, dat een gruwel is in de ogen der Egyptenaren, zouden ze ons dan niet stenigen?
    827We moeten drie dagreizen ver de woestijn in, om Jahweh, onzen God, een offer te brengen, zoals Hij ons heeft bevolen.
    828Toen zeide Farao: Ik zal u laten vertrekken, om Jahweh, uw God, in de woestijn een offer te brengen; maar ge moogt u niet te ver verwijderen. Bidt dus voor mij.
    829Moses antwoordde: Zie, ik ga van u weg, en zal bidden tot Jahweh; morgen zullen Farao, zijn hof en zijn volk van de horzels zijn verlost. Maar laat Farao niet opnieuw ons bedriegen, door het volk toch niet te laten gaan, om Jahweh offers te brengen.
    830Moses ging dus van Farao heen, en bad Jahweh voor hem.
    831En Jahweh verhoorde het gebed van Moses: Farao, zijn hof en zijn volk werden van de horzels verlost; geen een bleef er over.
    832Maar Farao bleef ook nu nog hardnekkig, en liet het volk niet vertrekken.
    901Toen sprak Jahweh tot Moses: Ga naar Farao en zeg hem: Zo spreekt Jahweh, de God der HebreŽn! Laat mijn volk vertrekken, om Mij te vereren.
    902Want zo gij weigert, het te laten vertrekken, en het nog langer weerhoudt,
    903zal de hand van Jahweh uw vee in het veld met een verschrikkelijke pest slaan: paarden, ezels, kamelen, runderen en schapen.
    904Maar Jahweh zal onderscheid maken tussen het vee van IsraŽl en dat van Egypte; geen enkel beest van de IsraŽlieten zal verloren gaan.
    905Jahweh heeft ook de tijd bepaald: morgen zal Jahweh dit in het land voltrekken.
    906En de volgende morgen voltrok Jahweh het ook: al het vee der Egyptenaren kwam om, maar van de kudden der IsraŽlieten ging niets verloren.
    907Farao stelde een onderzoek in; en werkelijk, geen enkel beest van de IsraŽlieten was omgekomen Maar Farao bleef hardnekkig, en liet het volk niet vertrekken.
    908Toen sprak Jahweh tot Moses en Ašron: Neemt uw handen vol roet uit de oven, en laat Moses het in de lucht strooien voor de ogen van Farao.
    909Het zal over heel Egypte stuiven, en bij mens en dier in heel Egypte builen verwekken, die in etterende wonden zullen openbreken.
    910Zij namen dus roet uit de oven, en terwijl zij voor Farao stonden, wierp Moses het in de lucht; en het verwekte builen bij mens en dier, die openbraken in etterende wonden.
    911Zelfs de tovenaars konden het door de builen bij Moses niet uithouden; want ook zij kregen builen, zoals de rest van Egypte.
    912Maar Jahweh verhardde het hart van Farao; hij wilde niet naar hen luisteren, zoals Jahweh Moses voorspeld had.
    913Jahweh sprak tot Moses: Ga morgen vroeg Farao weer tegemoet, en zeg hem: Zo spreekt Jahweh, de God der HebreŽn! Laat mijn volk vertrekken, om Mij te vereren.
    914Want deze keer zal Ik u, uw hof en uw volk met al mijn plagen meedogenloos treffen, opdat ge moogt weten, dat niemand op de hele aarde gelijk is aan Mij.
    915Zeker, thans zou Ik mijn hand kunnen uitsteken, en u en uw volk met de pest kunnen slaan, zodat gij van de aarde werdt weggevaagd.
    916Maar Ik laat u in leven, om u mijn almacht te tonen, en mijn Naam te verkonden over de hele aarde.
    917Zo ge u dus opnieuw tegen mijn volk durft verzetten, en het niet laat vertrekken,
    918zal Ik het morgen op deze tijd zo vreselijk doen hagelen, als nog nooit in Egypte is voorgekomen, zolang het bestaat tot de dag van vandaag.
    919Laat dus uw kudde en alles, wat ge op het veld hebt staan, in veiligheid brengen; alle mensen en dieren, die zich buiten bevinden en niet onderdak zijn gebracht, zullen door de hagel worden getroffen en sterven.
    920Wie van Farao?s hovelingen het woord van Jahweh vreesde, bracht zijn slaven en vee naar binnen;
    921maar wie niet aan het woord van Jahweh geloofde, liet zijn slaven en vee buiten.
    922Toen sprak Jahweh tot Moses: Strek uw hand uit naar de hemel, om het over heel Egypte te laten hagelen op mens en dier en op het veldgewas van heel Egypte.
    923Moses hief zijn staf naar de hemel, en Jahweh liet het donderen en hagelen; de bliksem schoot op de aarde, en Jahweh liet een zware hagel neerkletteren op Egypte.
    924De hagelbui werd doorschoten van bliksemflitsen; zo vreselijk was de hagelslag, als men, sinds er in Egypte mensen wonen, nog nooit had beleefd.
    925De hagel teisterde over heel Egypte mens en dier, die zich buitenshuis bevonden: al het gewas op het veld werd door de hagel verpletterd, al de bomen op het land braken middendoor.
    926Alleen in het land Gůsjen, waar de IsraŽlieten woonden, hagelde het niet.
    927Nu liet Farao Moses en Ašron ontbieden en zei hun: Thans moet ik wel mijn schuld bekennen; Jahweh is in zijn recht, en ik en mijn volk hebben ongelijk.
    928Weest dus mijn voorspraak bij Jahweh. Het donderen en hagelen heeft lang genoeg geduurd. Ik zal u laten vertrekken; gij behoeft niet langer hier te blijven.
    929Moses antwoordde: Zodra ik buiten de stad ben, zal ik mijn handen tot Jahweh uitstrekken; het onweer zal ophouden, en er zal geen hagel meer vallen, opdat gij moogt weten, dat de aarde aan Jahweh behoort.
    930Maar ik ben er zeker van, dat gij met uw hof ook nu nog den God Jahweh niet vreest.
    931Het vlas en de gerst waren intussen vernield: want de gerst rijpte al in de aren, en het vlas stond in bloei.
    932Tarwe en spelt werden niet neergeslagen, omdat die later in de tijd zijn.
    933Toen Moses van Farao was heengegaan, en buiten de stad was gekomen, strekte hij zijn handen tot Jahweh uit. Het onweer en de hagel hielden op, en er stroomde geen regen meer op de aarde.
    934Toen Farao zag, dat regen, hagel en onweer hadden opgehouden, bleef hij met zijn hof verstokt in de zonde volharden.
    935Farao bleef hardnekkig, en liet de IsraŽlieten niet vertrekken, zoals Jahweh door Moses voorspeld had.
    1001Toen sprak Jahweh tot Moses: Ga naar Farao. Waarachtig, Ik heb zijn hart en dat van zijn dienaars verhard, opdat ik mijn tekenen onder hen zou kunnen verrichten,
    1002opdat gij uw zonen en kleinzonen zoudt kunnen verhalen, hoe Ik tegen de Egyptenaren ben opgetreden, en welke wonderen Ik onder hen heb gewrocht, en opdat gij zoudt weten, dat Ik Jahweh ben.
    1003Moses en Ašron gingen dus naar Farao en zeiden tot hem: Zo spreekt Jahweh, de God der HebreŽn! Hoelang weigert gij nog, u aan Mij te onderwerpen? Laat mijn volk vertrekken, om Mij te vereren.
    1004Want zo ge weigert, mijn volk te laten vertrekken, zal Ik morgen met sprinkhanen uw gebied overstromen.
    1005Zij zullen de bodem van het land bedekken, zodat men geen grond meer kan zien; zij zullen het overschot, dat u door de hagel gespaard bleef, tot het laatste toe verslinden, en alle bomen, die op uw velden groeien, kaal vreten.
    1006Uw huizen en de huizen uwer hovelingen en van alle Egyptenaren zullen er zo vol van zijn, als uw vaders en voorvaders nooit hebben beleefd al de tijd, dat zij in dit land wonen tot de dag van vandaag. Toen keerde hij Farao de rug toe, en ging van hem heen.
    1007Maar de hovelingen van Farao zeiden tot hem: Hoelang zal die man ons nog schade moeten berokkenen? Laat die mensen toch vertrekken, om Jahweh, hun God, te vereren. Beseft ge nu nog niet, dat Egypte zo te gronde gaat?
    1008Nu werden Moses en Ašron opnieuw bij Farao ontboden, en hij zeide tot hen: Ge kunt vertrekken, om Jahweh, uw God, te vereren. Maar wie moeten er allemaal mee?
    1009Moses antwoordde: Jong en oud moet mee; we willen gaan met onze zonen en dochters, met onze schapen en runderen; want we willen feest vieren ter ere van Jahweh.
    1010Hij zeide tot hen: Even zeker mag Jahweh u bijstaan, als ik u met uw kinderen laat vertrekken. Het is duidelijk, dat gij kwaad in uw schild voert.
    1011Maar het zal niet gebeuren! De mannen kunnen gaan, om Jahweh te vereren; want dat hebt gij gevraagd. Zo joeg men hen van Farao weg.
    1012Toen sprak Jahweh tot Moses: Strek uw hand uit over Egypte, om de sprinkhanen te laten komen. Zij zullen neerstrijken op het land van Egypte, en al het veldgewas wegvreten, dat de hagel gespaard heeft.
    1013En Moses strekte zijn staf uit over Egypte. De hele dag en de hele nacht liet Jahweh een oostenwind waaien over het land van Egypte, en in de morgen bracht de oostenwind de sprinkhanen mee.
    1014De sprinkhanen verspreidden zich over heel Egypte en streken neer op heel het grondgebied van Egypte, in zulke geweldige zwermen, als er tevoren nooit waren geweest, en ook later nooit meer zullen zijn.
    1015Heel de oppervlakte van het land was er mee bedekt, en de grond zag er zwart van. Zij verslonden al het veldgewas en vraten alle vruchtbomen kaal, die door de hagel waren gespaard, zodat er in heel Egypte geen groen aan de bomen bleef en geen gewas op het veld.
    1016Nu liet Farao in allerijl Moses en Ašron ontbieden en zeide: Ik heb gezondigd tegen Jahweh, uw God, en tegen u.
    1017Vergeef mij deze keer nog mijn zonden, en bidt tot Jahweh, uw God, dat Hij ten minste deze dodelijke ramp van mij wegneemt.
    1018En Moses ging van Farao heen, en bad tot Jahweh.
    1019En Jahweh keerde de wind, en liet een krachtige westenwind waaien, die de sprinkhanen meevoerde en in de Rode Zee dreef: op het hele grondgebied van Egypte bleef geen enkele sprinkhaan meer over.
    1020Maar Jahweh verhardde het hart van Farao, zodat hij de IsraŽlieten niet liet vertrekken.
    1021Toen sprak Jahweh tot Moses: Strek uw hand uit naar de hemel, en er zal een duisternis over Egypte vallen zo dicht, dat men ze tasten kan.
    1022En Moses strekte zijn hand naar de hemel uit, en er viel een dikke duisternis over heel Egypte, drie dagen lang,
    1023zodat men elkaar niet kon zien, en drie dagen lang niemand van zijn plaats kon; maar voor de IsraŽlieten bleef het licht overal, waar zij woonden.
    1024Nu liet Farao Moses en Ašron ontbieden, en zeide: Gaat heen, om Jahweh te vereren. Uw kinderen kunnen met u meegaan, maar uw schapen en runderen blijven hier.
    1025Moses antwoordde: Onmogelijk; ge moet ons toch slacht(-) en brandoffers mee laten nemen, die wij aan Jahweh, onzen God, zullen brengen.
    1026Daarom moet ook onze kudde met ons mee: geen hoef zal achterblijven. Want daaruit hebben we een keuze te doen, om Jahweh, onzen God, te vereren; anders zouden we niet weten, wat we Jahweh, onzen God, moesten offeren, als we ter plaatse zijn aangekomen.
    1027Maar Jahweh verhardde het hart van Farao, zodat hij weigerde, hen te laten vertrekken.
    1028Farao zeide hem: Pak u weg, en waag het niet, mij nog onder de ogen te komen: want wanneer ge me nog eens onder de ogen komt, zult ge sterven.
    1029Moses antwoordde: Zoals ge zegt; ik zal u niet meer onder de ogen komen.
    1101Jahweh had tot Moses gezegd: Nog ťťn plaag zal Ik over Farao en over Egypte brengen; dan zal hij u van hier laten gaan. En wanneer hij u eindelijk laat vertrekken, zal hij u zelfs met geweld verdrijven.
    1102Zeg dus aan het volk, dat ze allen, mannen en vrouwen, van hun kennissen gouden en zilveren sieraden eisen.
    1103Want reeds had Jahweh de Egyptenaren murw geslagen; bovendien was Moses een man van hoog aanzien in Egypte, zowel bij het hof van Farao als bij het volk.
    1104En Moses vervolgde: Zo spreekt Jahweh! Te middernacht zal Ik door Egypte trekken.
    1105Dan zullen alle eerstgeborenen in het land van Egypte sterven, van den eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon is gezeten, tot den eerstgeborene van de slavin, die achter de handmolen zit; en al het eerstgeborene van het vee bovendien.
    1106Er zal een zo luid geschrei over heel Egypte weerklinken, als er nog nooit is geweest, en ook nooit meer zal zijn.
    1107Maar geen hond zal er tegen een van IsraŽls kinderen blaffen, tegen mens noch dier; opdat gij moogt weten, dat Jahweh onderscheid maakt tussen Egypte en IsraŽl.
    1108Dan zal heel dit hof hier naar mij toe komen, zich voor mij ter aarde werpen en zeggen: Ga heen met al het volk, dat u volgen wil. En dan zal ik gaan! Toen liep hij, ziedend van toorn, van Farao weg.
    1109Want Jahweh had Moses en Ašron voorspeld: Farao zal niet naar u luisteren, opdat mijn wonderen in Egypte nog groter worden.
    1110Moses en Ašron hadden al deze wonderen voor Farao verricht; maar Jahweh had het hart van Farao verhard, zodat hij de IsraŽlieten niet uit zijn land liet vertrekken.
    1201Toen sprak Jahweh tot Moses en Ašron in Egypte:
    1202Deze maand zal voor u de beginmaand zijn, de eerste der maanden van het jaar.
    1203Beveelt heel de gemeenschap van IsraŽl: Op de tiende van deze maand moet ieder voor zijn familie een lam nemen, ťťn voor elk gezin.
    1204Indien het gezin voor een lam niet talrijk genoeg is, moet hij er zijn naasten buurman bij uitnodigen; ge moet betreffende het lam het aantal personen berekenen naar wat ieder gewoon is te eten.
    1205Het lam moet zonder gebrek zijn, een mannelijk dier en ťťn jaar oud; ge moogt het uit de schapen of geiten kiezen.
    1206Gij moet het bewaren tot de veertiende dag van deze maand, waarop heel de gemeenschap van IsraŽl het in de avondschemering moet slachten.
    1207Vervolgens moeten zij het bloed ervan nemen, en er de beide deurposten en de bovendorpel mee bestrijken van de huizen, waar zij het zullen eten.
    1208In diezelfde nacht moeten zij het vlees eten, dat in het vuur gebraden moet zijn, met ongedesemde broden en bittere kruiden er bij.
    1209Niets ervan moogt ge rauw eten of in water gekookt, maar het moet in het vuur zijn gebraden, kop, poten en romp aan ťťn stuk.
    1210Ook moogt ge niets tot de morgen bewaren, maar wat er van over is, moet ge tegen de morgen verbranden.
    1211Zů moet ge het eten: uw lenden omgord, schoenen aan de voeten, uw stok in de hand; en gij moet het eten met grote haast, want het is het Pascha van Jahweh.
    1212Want in deze nacht zal Ik door Egypte trekken, in Egypte alle eerstgeborenen slaan van mensen en dieren, en aan alle goden van Egypte mijn straffen voltrekken: Ik Jahweh!
    1213Maar het bloed aan de huizen zal het teken zijn, dat gij daar woont; en wanneer Ik dat bloed zal zien, zal Ik genadig aan u voorbijgaan, zodat u geen dodelijke slag zal treffen, als Ik Egypte teister.
    1214Deze dag moet voor u een gedenkdag zijn, die ge als een feest ter ere van Jahweh moet vieren. Gij zult hem vieren van geslacht tot geslacht: een eeuwige wet.
    1215Dan moet ge zeven dagen lang ongedesemde broden eten. Reeds op de eerste dag moet ge het zuurdesem uit uw huizen verwijderen; en iedereen die van de eerste tot de zevende dag gedesemd brood durft eten, zal van IsraŽl worden afgesneden.
    1216Op de eerste dag zult ge een godsdienstige bijeenkomst houden, en evenzo op de zevende dag; op die dagen mag geen enkele arbeid worden verricht; ge moogt alleen bereiden, wat iedereen voor zijn voedsel nodig heeft.
    1217Onderhoudt dit gebod; want op deze dag heb Ik uw legerscharen uit Egypte geleid. Ge moet deze dag houden van geslacht tot geslacht als een eeuwige wet.
    1218In de eerste maand, van de avond van de veertiende dag af, zult ge dus ongedesemd brood eten tot aan de avond van de een en twintigste van de maand.
    1219Zeven dagen lang mag in uw huizen geen zuurdesem worden gevonden; en iedereen, vreemde zowel als landgenoot, die gedesemd brood durft eten, zal van de gemeenschap van IsraŽl worden afgesneden.
    1220Geen gedesemd brood moogt ge eten, waar ge ook woont, maar enkel ongedesemd brood.
    1221Nu ontbood Moses al de oudsten van IsraŽl, en sprak tot hen: Gaat heen, haalt de schapen voor uw gezinnen en slacht het paasoffer.
    1222Dan moet ge een bosje hysop nemen, dit in het bloed dopen, dat in een schaal is opgevangen, en wat bloed uit de schaal aan de bovendorpel en de beide zijposten strijken; daarna mag niemand van u tot de morgen buiten de deur van zijn huis komen.
    1223Want Jahweh zal rondgaan, om Egypte te slaan; maar als Hij het bloed op de bovendorpel en op de beide zijposten ziet, zal Hij die deur genadig voorbijgaan en den verderver beletten, uw huizen binnen te gaan, om u te treffen.
    1224Gij moet dit onderhouden als een eeuwige wet voor u en uw kinderen.
    1225Wanneer gij dus in het land zijt gekomen, dat Jahweh u zal geven, zoals Hij beloofd heeft, onderhoudt dan dit voorschrift.
    1226En wanneer uw kinderen u vragen, wat dat betekent,
    1227moet ge hun zeggen: Dit is het paasoffer van Jahweh, die de huizen van IsraŽls kinderen in Egypte genadig voorbijging en onze gezinnen heeft gespaard, toen Hij de Egyptenaren trof. Toen wierp het volk zich op de knieŽn en boog zich ter aarde.
    1228Daarna gingen de kinderen IsraŽls heen, en volbrachtten nauwkeurig, wat Jahweh aan Moses en Ašron bevolen had.
    1229In het holst van de nacht sloeg Jahweh al de eerstgeborenen in het land van Egypte, van den eerstgeborene van Farao af, die op de troon was gezeten, tot den eerstgeborene van wie in de gevangenis zat; en eveneens al het eerstgeborene van het vee.
    1230En Farao met heel zijn hof en heel Egypte vlogen die nacht overeind, en er weerklonk een vreselijk geschrei in Egypte; want er was geen huis, waar geen dode was.
    1231Nog in de nacht ontbood hij Moses en Ašron en sprak: Maakt u gereed, trekt weg van mijn volk; gaat heen met de zonen IsraŽls, om Jahweh te vereren, zoals gij gezegd hebt.
    1232Neemt ook uw schapen en runderen mee, zoals ge gevraagd hebt, als ge maar heen gaat; en bidt ook voor mij om genade.
    1233Ook de Egyptenaren drongen aan, dat het volk toch zo vlug mogelijk uit het land zou vertrekken; want ze zeiden: Anders zullen we allen sterven!
    1234En voordat het deeg gedesemd was, moest het volk het meenemen: hun baktroggen droegen zij in hun mantels gewikkeld op hun schouders.
    1235Maar de IsraŽlieten deden, wat Moses bevolen had, en eisten van de Egyptenaren zilveren en gouden sieraden en kleren.
    1236En daar Jahweh de Egyptenaren murw had gemaakt, gaven zij het volk, al wat het maar eiste. Zo schudden zij de Egyptenaren uit.
    1237Nu braken de IsraŽlieten van Rašmses op, in de richting van Soekkot; ongeveer zeshonderd duizend man te voet, de kinderen niet meegerekend;
    1238maar ook een menigte vreemden trok met hen mee, behalve nog de talloze kudden schapen en runderen.
    1239Van het deeg, dat zij uit Egypte hadden meegenomen, moesten zij ongedesemde broden bakken; want ze hadden geen gedesemd deeg, daar de Egyptenaren hen hadden verjaagd, zonder hun de tijd te laten, om voedsel voor de reis te bereiden.
    1240Het verblijf van de IsraŽlieten in Egypte had vier honderd dertig jaren geduurd.
    1241Er waren op de dag af vierhonderd dertig jaren verlopen, toen al de legerscharen van Jahweh uit het land van Egypte trokken.
    1242Het was een nacht van waken voor Jahweh, toen Hij hen uit Egypte deed trekken; dit is de nacht van Jahweh, de nacht van waken voor alle kinderen IsraŽls van geslacht tot geslacht.
    1243Jahweh sprak tot Moses en Ašron: Dit is het voorschrift voor het Pascha. Geen buitenlander mag er van eten.
    1244Iedere slaaf, die ge voor geld hebt gekocht, en te voren besneden hebt, mag ervan eten;
    1245maar een inboorling en dagloner mogen er niet van eten.
    1246In een en hetzelfde huis moet het worden opgegeten, en van het vlees moogt ge niets buitenshuis brengen; ook moogt ge de beenderen niet breken.
    1247Heel de gemeenschap van IsraŽl moet het toebereiden.
    1248En wanneer een vreemdeling bij u woont en hij wil ter ere van Jahweh het Pascha vieren, dan moeten eerst al de mannelijke leden van zijn gezin worden besneden, voor hij mag aanzitten, om het te vieren; hij staat dan gelijk met een ingezetene. Geen onbesnedene mag ervan eten;
    1249dit geldt zowel voor den ingezetene, als voor den vreemdeling, die in uw midden woont.
    1250Alle IsraŽlieten volbrachten nauwkeurig, wat Jahweh aan Moses en Ašron bevolen had.
    1251Nog op diezelfde dag, dat Jahweh de IsraŽlieten met hun legerscharen uit het land van Egypte leidde,
    1301En Jahweh sprak tot Moses:
    1302Wijd Mij alle eerstgeborenen toe. Wat bij de kinderen IsraŽls de moederschoot opent, bij mens of dier, behoort Mij!
    1303sprak Moses tot het volk: Gedenk deze dag, waarop gij uit Egypte, uit het slavenhuis, zijt getrokken, omdat Jahweh u met sterke hand van hier heeft weggevoerd. Er mag geen gedesemd brood worden gegeten
    1304op de dag van de maand Abib, waarop gij zijt weggetrokken.
    1305En wanneer Jahweh u in het land van de Kanašnieten, Chittieten, Amorieten, Chiwwieten en Jeboesieten heeft gebracht: het land, dat Jahweh u geven zal, zoals Hij uw vaderen heeft gezworen, het land, dat druipt van melk en honing: volbrengt dan in deze maand, het volgende gebod:
    1306Eet zeven dagen ongedesemde broden, en op de zevende dag moet het feest zijn ter ere van Jahweh.
    1307Gedurende zeven dagen moeten ongedesemde broden worden gegeten: er mag geen gedesemd brood worden gegeten: zelfs mag dan in heel uw gebied geen zuurdesem worden gevonden.
    1308En op die dag moet gij uw zoon vertellen: Dit geschiedt, om wat Jahweh voor mij heeft gedaan, toen ik uit Egypte trok.
    1309Prent het u in als een merk op uw hand en als een teken op uw voorhoofd, opdat de wet van Jahweh op uw lippen moge blijven; want met sterke hand heeft Jahweh u uit Egypte geleid.
    1310Onderhoudt dit gebod jaar in jaar uit, op de tijd, die daarvoor is bepaald.
    1311Wanneer Jahweh u dus naar het land der Kanašnieten heeft gebracht, zoals Hij u en uw vaderen heeft gezworen, en het u heeft gegeven,
    1312dan moet ge al wat de moederschoot opent, aan Jahweh afstaan. Elk eerste jong, dat ge krijgt van het vee, zal voor Jahweh zijn, als het een mannelijk dier is.
    1313Maar elk eerste jong van een ezelin, moet ge loskopen met een schaap; indien ge het niet wilt lossen, moet ge het de nek breken. Alle eerstgeborenen van de mensen moet ge loskopen, als het jongens zijn.
    1314En wanneer uw zoon u later vraagt, wat dat betekent, zeg hem dan: Met sterke hand heeft Jahweh ons uit Egypte geleid, uit het slavenhuis.
    1315Want toen Farao zich hardnekkig tegen ons vertrek bleef verzetten, heeft Jahweh alle eerstgeborenen in Egypte gedood, zowel de eerstgeborenen van de mensen, als van het vee. Daarom breng ik Jahweh ieder mannelijk dier ten offer, dat de moederschoot opent, en koop ik iederen eerstgeboren zoon los.
    1316Prent het u in als een merk op uw hand en als een teken op uw voorhoofd; want met sterke hand heeft Jahweh ons uit Egypte geleid.
    1317Nadat Farao het volk had laten gaan, leidde God hen niet langs de weg, die naar het land der Filistijnen voerde, hoewel die de kortste was. Want God dacht, dat het volk wel eens spijt kon krijgen, wanneer het tegenstand zou ontmoeten, en dan naar Egypte zou willen terugkeren.
    1318Daarom liet God het volk een omweg maken door de woestijn naar de Rode Zee. In volmaakte orde trokken de IsraŽlieten op uit het land van Egypte.
    1319Moses nam het gebeente van Josef met zich mee; want Josef had de kinderen IsraŽls bezworen: Wanneer God op u heeft neergezien, voert dan mijn gebeente van hier met u mee.
    1320Zo braken zij van Soekkot op en sloegen hun legerplaats op te Etam aan de rand van de woestijn.
    1321En Jahweh ging voor hen uit, overdag in een wolkkolom, om hun de weg te wijzen, en des nachts in een vuurzuil, om hen voor te lichten, zodat zij dag en nacht konden trekken.
    1322Overdag week de wolkkolom niet van de spits van het volk, en de vuurzuil niet in de nacht.
    1401Nu sprak Jahweh tot Moses:
    1402Zeg de kinderen IsraŽls, dat zij van richting veranderen en zich moeten legeren bij Pi-Hachirot, tussen Migdol en de zee; bij de zee recht tegenover Baal-Sefon moet ge uw legerplaats opslaan.
    1403Dan zal Farao denken, dat de IsraŽlieten in het land zijn verdwaald en in de woestijn zijn blijven steken.
    1404En Ik zal het hart van Farao verharden, zodat hij hen achterna zal zetten. Dan zal Ik mijn heerlijkheid tonen aan Farao en heel zijn legermacht, en de Egyptenaren zullen weten, dat Ik Jahweh ben. Zo deden ze dan.
    1405Toen dan ook aan den koning van Egypte werd bericht, dat het volk was gevlucht, sloeg de stemming van Farao en zijn hovelingen jegens het volk om, en ze dachten: Wat hebben we toch gedaan, dat we IsraŽl uit onze dienst hebben laten wegtrekken?
    1406Hij liet zijn wagen inspannen, riep zijn krijgsvolk op,
    1407en nam zes honderd van de beste strijdwagens, behalve de overige wagens van Egypte, alle met de dapperste strijders bezet.
    1408Want Jahweh had het hart van Farao, den koning van Egypte, verhard, zodat hij de IsraŽlieten achtervolgde, ofschoon de kinderen IsraŽls waren vertrokken onder de schutse van een machtige hand.
    1409De Egyptenaren joegen hen na met al de paarden en wagens van Farao, met zijn ruiters en leger, en bereikten hen, terwijl ze nog aan de zee waren gelegerd bij Pi-Hachirot, tegenover Baal-Sefon.
    1410Toen Farao zo dicht was genaderd, en de IsraŽlieten hun ogen opsloegen, zagen zij ineens de Egyptenaren achter zich aan. Nu werden de kinderen IsraŽls zeer beangst, riepen Jahweh aan,
    1411en zeiden tot Moses: Waren er in Egypte geen graven genoeg, dat ge ons hebt meegenomen, om te sterven in de woestijn? Wat hebt ge gedaan, met ons uit Egypte weg te voeren!
    1412Hebben we u al niet in Egypte gezegd: Laat ons met rust! We willen de Egyptenaren blijven dienen; want het is beter, de Egyptenaren te dienen, dan te sterven in de woestijn.
    1413Maar Moses sprak tot het volk: Weest maar niet bang; blijft staan en ge zult de hulp van Jahweh ondervinden, die Hij u heden verleent. Waarachtig, de Egyptenaren, die ge op het ogenblik ziet, zult ge nooit meer zien, in der eeuwigheid niet!
    1414Jahweh zal voor u strijden; gij kunt rustig toeschouwen.
    1415Nu sprak Jahweh tot Moses: Wat roept ge tot Mij? Beveel de IsraŽlieten, op te breken!
    1416Steek uw staf in de hoogte, strek uw hand uit over de zee en splijt haar in tweeŽn, zodat de kinderen IsraŽls droogvoets door de zee kunnen gaan.
    1417Zie, Ik zal het hart der Egyptenaren verharden, zodat ze achter hen aan zullen trekken; dan zal Ik mijn heerlijkheid tonen aan Farao en zijn legermacht, aan zijn wagens en ruiters.
    1418En wanneer Ik mijn heerlijkheid aan Farao, zijn wagens en ruiters getoond heb, zullen de Egyptenaren weten, dat Ik Jahweh ben!
    1419Toen veranderde de engel Gods, die het leger van IsraŽl vooruitging, van plaats, en stelde zich achter hen; de wolkkolom verliet de plaats aan hun spits en ging achter hen staan.
    1420Zo stond de wolk tussen het leger der Egyptenaren en dat van IsraŽl in: aan de ene kant was zij donker, aan de andere kant verlichtte zij de nacht, zodat gedurende de hele nacht de een den ander niet kon naderen.
    1421Nu strekte Moses zijn hand uit over de zee. En Jahweh wierp de zee terug door een sterke oostenwind, die de hele nacht bleef waaien. Hij maakte de zee droog land; want de wateren waren in tweeŽn gespleten.
    1422En de kinderen IsraŽls trokken droogvoets midden door de zee, daar de wateren aan hun rechter(-) en hun linkerzij als een muur bleven staan.
    1423De Egyptenaren joegen hen na, en alle paarden van Farao met zijn wagens en ruiters trokken achter hen aan naar het midden der zee.
    1424Maar in de morgenstond wierp Jahweh in de vuur(-) en wolkkolom een blik op het leger der Egyptenaren: Hij bracht het leger der Egyptenaren in verwarring,
    1425liet de raderen van hun wagens aflopen, en vertraagde hun mars. En de Egyptenaren riepen: Laat ons vluchten voor IsraŽl; want Jahweh strijdt voor hen tegen Egypte!
    1426Nu sprak Jahweh tot Moses: Strek uw hand uit over de zee; dan golven de wateren terug over de Egyptenaren met hun wagens en ruiters.
    1427Moses strekte zijn hand uit over het water, en tegen de morgen golfde de zee naar haar oude plaats terug. En toen de Egyptenaren naar de andere kant wilden vluchten, dreef Jahweh ze terug naar het midden der zee;
    1428de wateren stroomden terug en overstelpten al de wagens en ruiters van het leger van Farao, die hen in de zee achtervolgden; geen een bleef er over.
    1429Maar IsraŽls kinderen waren droogvoets midden door de zee getrokken, daar de wateren aan hun rechter(-) en linkerzij als een muur bleven staan.
    1430Zo redde Jahweh IsraŽl op die dag uit de greep van Egypte, en zag IsraŽl de lijken der Egyptenaren op het strand der zee.
    1431En toen het volk van IsraŽl het machtige wonder aanschouwde, dat Jahweh aan de Egyptenaren had gewrocht, kreeg het ontzag voor Jahweh, en vertrouwde het op Jahweh en op zijn dienaar Moses.
    1501Toen zongen Moses en IsraŽls kinderen dit lied ter ere van Jahweh: Laat ons zingen voor Jahweh, Want hoog is Hij verheven; Paard en ruiter wierp Hij in zee!
    1502Mijn kracht is Jahweh en mijn roem, Want Hij heeft mij gered. Hij is mijn God, dien ik wil prijzen, De God van mijn vaderen, dien ik verheerlijk.
    1503Een krijgsheld is Jahweh, Jahweh is zijn Naam!
    1504Farao?s wagens en zijn leger wierp Hij in zee, In de Rode Zee ligt de bloem zijner helden verdronken.
    1505De golven bedekten hen, Zij zakten als een steen in de diepte.
    1506Uw rechterhand, Jahweh, is heerlijk door kracht, Uw rechterhand, Jahweh, verplettert den vijand!
    1507In de volheid van uw majesteit werpt Gij uw tegenstanders neer, Laat Gij de vrije loop aan uw toorn, Die als kaf hen verteert.
    1508Door uw briesen hoopten de wateren zich op, Bleven de golven staan als een dam, Stolden de baren in het midden der zee.
    1509De vijand sprak: Ik zet ze na, haal ze in, Ik verdeel de buit, ik zal mij verzadigen; Ik trek mijn zwaard, Mijn hand slaat ze neer.
    1510Maar Gij hebt met uw adem geblazen en de zee golfde over hen heen; Zij zonken als lood in de vreselijke wateren.
    1511Wie is als Gij onder de goden, o Jahweh, Wie als Gij, heerlijk door heiligheid, Geducht om uw roemvolle daden, En om de wonderen, die Gij wrocht.
    1512Gij strekt uw rechterhand uit, En de aarde verslindt ze!
    1513In uw goedheid leidt Gij het volk, dat Gij hebt verlost, In uw kracht voert Gij het naar uw heilige woning!
    1514De volken horen het en beven, Angst overvalt Filistea?s bewoners.
    1515De vorsten van Edom zijn van schrik overmand, De koningen van Moab rillen ervan. Onrust grijpt alle bewoners van Kanašn aan,
    1516Bevangen door angst en ontzetting; Voor uw geweldige kracht Worden ze stom als een steen, Terwijl uw volk, o Jahweh, zijn doortocht voltooit, Het volk, dat Gij U hebt verworven, is overgestoken.
    1517Nu brengt en plant Gij hen Op de berg van uw erfdeel; Op de plaats van uw woning, o Jahweh, die Gij U hebt bereid: Heer, in het heilige oord, Dat uw handen hebben gegrond!
    1518Jahweh zal heersen Voor eeuwig en immer!
    1519Want toen de paarden van Farao De zee introkken, met zijn wagens en ruiters, Bedolf Jahweh hen met de golven der zee; Maar IsraŽls kinderen trokken er droogvoets doorheen!
    1520En Mirjam de profetes, de zuster van Ašron, nam de tamboerijn ter hand, en terwijl alle vrouwen met tamboerijnen haar dansende volgden,
    1521herhaalde Mirjam voor hen het refrein: Laat ons zingen voor Jahweh, Want hoog is Hij verheven, Paard en ruiter wierp Hij in zee!
    1522Daarna liet Moses IsraŽl van de Rode Zee opbreken en trokken zij naar de woestijn van Sjoer. Toen zij al drie dagreizen ver de woestijn in waren getrokken, zonder water te vinden,
    1523bereikten zij Mara. Maar ze konden het water van Mara niet drinken, omdat het bitter was; daarom noemde men het Mara.
    1524Toen begon het volk tegen Moses te morren en zeide: Wat moeten we drinken?
    1525Hij bad tot Jahweh, en Jahweh wees hem een stuk hout aan; hij wierp het in het water, en het water werd zoet. Op deze plaats gaf hij hun voorschriften en wetten, en stelde hen daar voor de keus:
    1526Zo ge luistert naar de stem van Jahweh, uw God, en doet wat recht is in zijn ogen, zo ge zijn geboden in acht neemt, en al zijn voorschriften onderhoudt, zal Ik geen van de kwalen, waarmee Ik Egypte heb geteisterd, u laten treffen, maar genees Ik u juist; Ik, Jahweh!
    1527Vandaar gingen zij naar Elim, waar twaalf waterbronnen zijn en zeventig palmen staan, en zij sloegen de legerplaats op aan het water.
    1601Nadat heel de gemeenschap van IsraŽl van Elim was opgebroken, trokken zij naar de woestijn van Sin, die tussen Elim en de SinaÔ ligt; het was op de vijftiende dag van de tweede maand na hun uittocht uit Egypte.
    1602Weer begon heel de gemeente van IsraŽl in de woestijn tegen Moses en Ašron te morren,
    1603en de kinderen IsraŽls zeiden tot hen: Waren we maar in Egypte door de hand van Jahweh gestorven, toen we bij de vleespotten zaten en volop brood konden eten; waarachtig, ge hebt ons naar deze woestijn gebracht, om heel deze menigte van honger te doen sterven.
    1604Toen sprak Jahweh tot Moses: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel doen regenen; en het volk zal iedere dag zijn dagelijks deel kunnen rapen. Maar Ik stel het tegelijk op de proef of het mijn Wet wil beleven of niet:
    1605Op de zesde dag moeten ze het dubbele meebrengen en toebereiden, van wat zij iedere dag rapen.
    1606Nu spraken Moses en Ašron tot al de IsraŽlieten: Hedenavond zult ge weten, dat Jahweh u uit Egypte heeft geleid,
    1607en morgen zult ge de glorie van Jahweh aanschouwen, ofschoon Jahweh het gemor tegen Hem heeft gehoord. Want wat betekenen wij, dat gij zoudt morren tegen ons.
    1608En Moses vervolgde: Als Jahweh u vanavond vlees te eten geeft, en morgenvroeg volop brood, dan is het ondanks uw gemor tegen Jahweh, dat Hij heeft gehoord! Want wat betekenen wij? Niet tegen ons is uw morren maar tegen Jahweh.
    1609En Moses zeide tot Ašron: Beveel heel de gemeenschap van IsraŽl: Treedt voor het aanschijn van Jahweh; want Hij heeft uw morren gehoord.
    1610Toen Ašron dit bevel had overgebracht, keerde heel de gemeenschap van IsraŽl zich in de richting van de woestijn; en zie, daar verscheen in de wolk de glorie van Jahweh!
    1611En Jahweh sprak tot Moses:
    1612Ik heb het morren van IsraŽls kinderen gehoord. Zeg hun nu: Bij het vallen van de avond zult ge vlees kunnen eten, en morgenvroeg volop brood; dan zult ge weten, dat Ik, Jahweh, uw God ben!
    1613En tegen de avond kwamen er kwartels aangevlogen, die de legerplaats bedekten. Des morgens viel er dauw rondom de legerplaats;
    1614toen de dauw, die gevallen was, optrok, lag daar over de bodem van de woestijn een dunne korrelige laag, fijn als rijp.
    1615Toen de IsraŽlieten het zagen, zeiden zij tot elkander: Wat is dat? Want ze wisten niet, wat het was. Maar Moses sprak: Dit is het brood, dat Jahweh u te eten geeft.
    1616En nu beveelt Jahweh: Laat iedereen ervan rapen, wat hij nodig heeft; een ůmer per hoofd moet ge halen, naar het aantal personen, dat in uw tent woont.
    1617De IsraŽlieten deden dat. De een raapte meer, de ander minder.
    1618Maar toen ze het met de ůmer maten, had hij, die meer had geraapt, niet te veel, en hij, die minder had geraapt, niet te weinig: iedereen had geraapt, wat hij nodig had.
    1619En Moses beval hun: Niemand mag er iets van tot morgen bewaren.
    1620Maar toen sommigen niet naar Moses luisterden, en er van tot de volgende morgen bewaarden, was het bedorven; er zaten wormen in, en het stonk. Daarom werd Moses vertoornd op hen.
    1621Zo raapten zij iedere morgen bijeen, wat iedereen nodig had; want als de zon warm werd, smolt het weg.
    1622Maar op de zesde dag raapten zij een dubbele hoeveelheid bijeen, twee ůmer per man. En toen alle leiders der gemeenschap het aan Moses kwamen vertellen,
    1623gaf deze ten antwoord: Dit is het juist, wat Jahweh gezegd heeft: Morgen is het een rustdag, een heilige sabbat voor Jahweh! Ge moogt nu bakken zoveel ge wilt, en koken zoveel ge wilt: en wat er overschiet, bewaart dat tot morgen.
    1624Zij bewaarden het dus tot de volgende dag, zoals Moses hun had bevolen; maar nu stonk het niet en was het niet bedorven.
    1625En Moses sprak: Hier moet ge heden van eten; want vandaag is het sabbat ter ere van Jahweh; vandaag zult ge dus buiten niets vinden.
    1626Zes dagen kunt ge inzameling houden, maar op de zevende dag is het sabbat, dan is er niets.
    1627Toen dan ook op de zevende dag sommigen van het volk toch naar buiten gingen, om het te rapen, vonden zij niets.
    1628En Jahweh sprak tot Moses: Hoelang weigert ge nog mijn geboden en mijn wetten te onderhouden?
    1629Ziet, omdat Jahweh voor u de sabbat heeft vastgesteld, daarom geeft Hij u op de zesde dag brood voor twee dagen. Op de zevende dag blijve dus iedereen thuis, en mag niemand zijn woonplaats verlaten.
    1630Zo hield het volk op de zevende dag sabbat.
    1631En de kinderen IsraŽls noemden het manna; het was wit als korianderzaad en het smaakte als honingkoek.
    1632En Moses sprak: Zo heeft Jahweh bevolen! Vult ťťn ůmer daarmee, om het voor uw nageslacht te bewaren, opdat zij het brood mogen zien. dat Ik u in de woestijn tot spijs heb gegeven, toen Ik u uit het land van Egypte had geleid.
    1633Daarom sprak Moses tot Ašron: Neem een kruik, doe daar een volle ůmer manna in, en zet die voor het aanschijn van Jahweh, om het voor uw nageslacht te bewaren.
    1634Ašron vulde dus een kruik met een volle ůmer manna, zoals Jahweh Moses bevolen had, en zette die ter bewaring voor de ark des Verbonds neer.
    1635Veertig jaren lang bleven de kinderen IsraŽls het manna eten, tot zij in bewoonde streken kwamen; zij aten het manna tot ze de grenzen van het land Kanašn hadden bereikt.
    1636De ůmer is het tiende van een efa.
    1701Daarna brak heel de gemeenschap van IsraŽls kinderen op, en trok uit de woestijn Sin van halte tot halte verder, volgens de aanwijzingen van Jahweh. Toen zij hun legerplaats te Refidim hadden opgeslagen, bleek daar geen drinkwater voor het volk te zijn.
    1702Het volk begon met Moses te twisten en zeide: Geef ons water te drinken! Moses antwoordde: Waarom zoekt ge twist met mij, en stelt ge Jahweh op de proef?
    1703Maar het volk, dat daar naar water smachtte, bleef tegen Moses morren, en zeide: Waarom hebt ge ons uit Egypte gehaald, om ons, onze kinderen en ons vee te doen sterven van dorst?
    1704Toen riep Moses tot Jahweh: Wat moet ik dan toch met dit volk beginnen; het scheelt niet veel, of ze stenigen mij!
    1705En Jahweh gaf Moses ten antwoord: Ga met enige oudsten van IsraŽl voor het volk uit, neem de staf mee, waarmee ge op de Nijl hebt geslagen, en begeef u op weg.
    1706Zie, Ik zal daar vůůr u staan op de rots, op de Horeb; dan moet ge op de rots slaan en er zal water uitkomen, zodat het volk kan drinken. Moses deed dit ten aanschouwen van IsraŽls oudsten.
    1707Die plaats werd Massa en Meriba genoemd, omdat de kinderen IsraŽls daar hadden getwist, en Jahweh op de proef hadden gesteld door te zeggen: Is Jahweh in ons midden, of is Hij er niet?
    1708Te Refidim ook kwamen de Amalekieten, om IsraŽl te bestrijden.
    1709Toen sprak Moses tot JosuŽ: Kies mannen uit, om tegen Amalek ten strijde te trekken; ik zelf zal morgen op de top van de heuvel gaan staan met de staf van God in mijn hand.
    1710JosuŽ deed wat Moses hem had gezegd. Hij trok uit, om Amalek te bestrijden, terwijl Moses, Ašron en Choer de top van de heuvel beklommen.
    1711Zolang Moses zijn handen omhoog hield, had IsraŽl de overhand, maar zodra hij zijn handen liet zakken, was Amalek sterker.
    1712Maar tenslotte werden de handen van Moses vermoeid. Nu namen zij een steen, legden die onder hem, en hij ging er op zitten; terwijl Ašron en Choer, ieder aan een kant, zijn handen ondersteunden, zodat zijn handen gestrekt bleven tot zonsondergang toe.
    1713Zo joeg JosuŽ de horden der Amalekieten over de kling.
    1714Toen sprak Jahweh tot Moses: Schrijf het ter gedachtenis in een boek, en prent het JosuŽ in het geheugen, dat Ik de herinnering aan Amalek onder de zon zal uitwissen.
    1715En Moses bouwde een altaar en noemde het: Jahweh is mijn banier.
    1716Want hij sprak: De hand aan Jahweh?s banier! Jahweh strijdt tegen Amalek Van geslacht tot geslacht.
    1801Intussen had Jitro, de priester van Midjan, en schoonvader van Moses, alles vernomen wat God aan Moses en zijn volk had gedaan, en hoe Jahweh IsraŽl uit Egypte had geleid.
    1802Daarom nam Jitro, Moses schoonvader, Sippora, de vrouw van Moses, die Moses vroeger had teruggezonden,
    1803met haar beide zonen met zich mee. De een heette Gersjom; omdat hij had gezegd: Ik toef als gast in een vreemd land;
    1804de ander heette Eliťzer, want: De God van mijn vader is mijn hulp, daar Hij mij van het zwaard van Farao heeft gered.
    1805En toen Jitro, de schoonvader van Moses, met Moses? zonen en vrouw hem in de woestijn had bereikt, waar hij gelegerd was bij de berg van God,
    1806liet hij Moses berichten: Ik, uw schoonvader Jitro, kom u met uw vrouw en haar beide zonen bezoeken.
    1807Moses ging zijn schoonvader tegemoet, boog zich neer en kuste hem. En nadat zij elkander de vrede hadden toegewenst, gingen zij de tent binnen.
    1808Moses verhaalde zijn schoonvader alles, wat Jahweh ter wille van IsraŽl aan Farao en Egypte had gedaan, en hoe Jahweh hen uit alle moeilijkheden had gered, die zij op hun weg hadden ondervonden.
    1809Verheugd over al de weldaden, die Jahweh IsraŽl had bewezen, en dat Hij hen uit de macht van Egypte had gered,
    1810sprak Jitro: Geprezen zij Jahweh, die u uit de macht van Egypte en uit de hand van Farao heeft gered.
    1811Nu weet ik, dat Jahweh groter is dan alle goden; want omdat de Egyptenaren hen hadden mishandeld, heeft Hij het volk uit hun macht gered.
    1812Daarom droeg Jitro, Moses? schoonvader, brand(-) en slachtoffers op ter ere van God, en Ašron kwam met de oudsten van IsraŽl voor het aanschijn van God een offermaal houden met den schoonvader van Moses.
    1813De volgende dag zette Moses zich neer, om recht te spreken over het volk, dat van de morgen tot de avond voor Moses stond.
    1814Toen de schoonvader van Moses zag, wat hij zo al voor het volk had te doen, zei hij: Wat hebt ge toch veel werk met dit volk! Waarom zit ge hier alleen, terwijl al het volk van de morgen tot de avond voor u staat?
    1815Moses gaf zijn schoonvader ten antwoord: Het volk komt naar mij toe, om Jahweh te raadplegen;
    1816en wanneer zij iets met elkander hebben, komen zij eveneens naar mij toe en moet ik scheidsrechter tussen hen zijn; bovendien moet ik hen nog in de voorschriften en wetten van God onderrichten.
    1817Nu sprak de schoonvader van Moses tot hem: Zo doet ge toch niet verstandig.
    1818Ge vermoeit uzelf veel te veel, evenals het volk, dat voor u staat. Neen, het is voor u veel te zwaar; gij kunt het onmogelijk alleen.
    1819Luister dus naar de raad, die ik u geef, en God sta u bij! Gij moet het volk bij God vervangen, en aan God hun belangen blijven voorleggen;
    1820gij moet hen ook in de voorschriften en wetten blijven onderrichten en hun de weg blijven leren, die zij moeten bewandelen, en alles, wat ze moeten doen.
    1821Maar verder moet ge de flinkste mannen kiezen van het hele volk, godvrezende, betrouwbare en onbaatzuchtige mensen, en die over hen aanstellen als hoofden van duizend, honderd, vijftig en tien.
    1822Die moeten dan op iedere tijd recht spreken over het volk; zij kunnen de kleinere dingen behandelen, terwijl zij alle gewichtige zaken aan u moeten voorleggen. Zo kunt ge het u zelf lichter maken, en zullen zij de last samen met u dragen.
    1823Wanneer ge het zo inricht, en ook God het u zo zal bevelen, kunt gij het volhouden en gaat ook al dat volk bevredigd naar huis.
    1824Moses volgde de raad van zijn schoonvader en deed alles, wat hij gezegd had.
    1825Moses koos dus de flinkste mannen van heel IsraŽl, en stelde ze aan tot hoofden over het volk, tot leiders van duizend, honderd, vijftig en tien.
    1826Op iedere tijd spraken zij recht over het volk; de gewichtige zaken brachten zij voor Moses, de kleinere behandelden zij zelf.
    1827Daarna nam Moses afscheid van zijn schoonvader, en keerde deze naar zijn land terug.
    1901In de derde maand, juist op dezelfde dag, dat de IsraŽlieten uit Egypte waren vertrokken, bereikten zij de woestijn van de SinaÔ.
    1902Nadat zij van Refidim opgebroken, en in de woestijn van de SinaÔ waren gekomen, sloeg IsraŽl zijn legerplaats op in de woestijn, en legerde zich daar tegenover de berg.
    1903Nu klom Moses omhoog naar God. En Jahweh riep tot hem van de berg: Dit moet ge aan het huis van Jakob zeggen, en aan IsraŽls zonen verkondigen:
    1904Gij hebt gezien, wat Ik aan Egypte gedaan heb, hoe Ik u op adelaarsvleugelen heb gedragen en u tot Mij heb gebracht.
    1905Zo gij Mij gehoorzaamt en mijn Verbond onderhoudt, zult gij onder alle volken mijn bijzonder eigendom zijn; want Mij behoort de hele aarde.
    1906Gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Zo moet ge tot de zonen IsraŽls spreken.
    1907Toen Moses terug was gekomen, riep hij de oudsten van het volk bijeen, en bracht hun alle bevelen over, die Jahweh hem had gegeven.
    1908En het hele volk antwoordde eenstemmig: We zullen alles doen wat Jahweh geboden heeft! Nadat Moses het antwoord van het volk aan Jahweh had overgebracht,
    1909sprak Jahweh tot Moses: Zie, Ik kom tot u in een donkere wolk, opdat het volk Mij met u zal horen spreken en u voor altijd zal geloven. Toen Moses het antwoord van het volk aan Jahweh had overgebracht,
    1910sprak Jahweh tot Moses: Ga terug naar het volk, en zorg er voor, dat zij zich vandaag en morgen reinigen en hun kleren wassen.
    1911Ze moeten zich gereed houden voor overmorgen; want op de derde dag zal Jahweh ten aanschouwen van het hele volk op de berg SinaÔ neerdalen.
    1912Ook moet gij het volk aan alle kanten op een afstand houden, en zeggen: Wacht u er voor, de berg te bestijgen of zelfs zijn voet te naderen. Ieder die de berg nadert, zal sterven.
    1913Hij zal worden gestenigd of met pijlen doorboord, want geen hand mag hem aanraken; of het een dier of mens is, hij blijft niet in leven. Eerst wanneer de ramshoorn schalt, mogen zij de berg bestijgen.
    1914Nu daalde Moses van de berg af naar het volk, zorgde er voor, dat het volk zich reinigde en zijn kleren waste,
    1915en beval hun: Houdt u gereed voor overmorgen, en laat niemand een vrouw naderen.
    1916En op de derde dag in de morgen: donderslagen en bliksemflitsen; over de berg een donkere wolk en schetteren van bazuingeschal. Al het volk in de legerplaats rilde van angst.
    1917Maar Moses leidde het volk de legerplaats uit, God tegemoet, en men schaarde zich aan de voet van de berg.
    1918De berg SinaÔ stond van alle kanten in rook door het vuur, waarin Jahweh daar was neergedaald. De rook steeg omhoog als de rook uit een oven, de hele berg schudde heftig,
    1919en het bazuingeschal schetterde luider en luider. Nu begon Moses te spreken, en God antwoordde hem in de donder.
    1920Want Jahweh was op de berg SinaÔ neergedaald, op de top van de berg. Hij had Moses naar de top van de berg ontboden, en Moses was naar boven geklommen.
    1921Daarna sprak Jahweh tot Moses: Ga naar beneden, en waarschuw het volk, de omheining niet te verbreken, om Jahweh te naderen en Hem te aanschouwen; want velen van hen zouden vallen.
    1922Ook moeten de priesters, die tot Jahweh willen naderen, zich heiligen, anders barst de toorn van Jahweh tegen hen los.
    1923Moses gaf Jahweh ten antwoord: Het volk kan de berg SinaÔ niet bestijgen; want zelf hebt Gij ons dringend bevolen, de berg te omheinen en voor heilig te houden.
    1924Maar Jahweh sprak: Ga naar beneden, en kom dan weer met Ašron en de priesters naar boven; doch laat het volk de omheining niet verbreken, om tot Jahweh op te klimmen; anders barst de toorn van Jahweh tegen hen los.
    1925Toen daalde Moses af naar het volk, en bracht het hun over.
    2001Toen sprak God alles wat volgt:
    2002Ik ben Jahweh, uw God, die u uit Egypte, uit het slavenhuis heb geleid;
    2003gij zult geen andere goden naast Mij hebben.
    2004Gij zult u geen godenbeeld maken noch enig beeld van wat in de hemel daarboven, op de aarde beneden, of in het water onder de aarde is.
    2005Gij moogt ze niet aanbidden of dienen. Want Ik, Jahweh, uw God, ben een naijverige God, die de zonden der vaders wreekt op de zonen, op het derde en vierde geslacht van hen, die Mij haten,
    2006maar die genadig is aan het duizendste geslacht van hen, die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.
    2007Gij zult de naam van Jahweh, uw God, niet ijdel gebruiken; want wanneer iemand de naam van Jahweh ijdel gebruikt, laat Hij dit niet ongestraft.
    2008Gedenk de sabbat, dat gij die heiligt.
    2009Zes dagen kunt ge werken en al uw arbeid verrichten,
    2010maar de zevende dag is een sabbat voor Jahweh, uw God; dan moogt ge geen arbeid verrichten; gijzelf, noch uw zoon of uw dochter, noch uw slaaf, uw slavin of uw vee, noch de vreemdeling, die binnen uw poorten woont.
    2011Want in zes dagen heeft Jahweh hemel, aarde en zee gemaakt met al wat er in is; maar op de zevende dag rustte Hij. Daarom heeft Jahweh de sabbat gezegend, en hem voor heilig verklaard.
    2012Eert uw vader en moeder, opdat ge lang moogt blijven in het land, dat Jahweh, uw God, u zal schenken.
    2013Gij zult niet doden.
    2014Gij zult geen overspel doen.
    2015Gij zult niet stelen.
    2016Gij zult tegen uw naaste geen valse getuigenis afleggen.
    2017Gij zult het huis van uw naaste niet begeren. Gij zult de vrouw van uw naaste niet begeren, noch zijn slaaf of slavin, zijn rund of zijn ezel, noch iets van wat uw naaste behoort.
    2018Toen heel het volk de donderslagen en bliksemflitsen, het bazuingeschetter en de rokende berg gewaar werd, rilde het van angst, en bleef sidderend op een afstand staan.
    2019En zij zeiden tot Moses: Spreek gij met ons, dan zullen wij luisteren; maar laat God niet met ons spreken, anders zullen wij sterven.
    2020Maar Moses sprak tot het volk: Weest maar niet bang; want God is gekomen, om u voor de keuze te stellen, en u voor altijd zulk ontzag voor Hem in te prenten, dat ge niet zondigt.
    2021Terwijl dus het volk op een afstand bleef staan, trad Moses nader tot de donkere wolk, waar God in was.
    2022En Jahweh sprak tot Moses: Ge moet het volgende tot de kinderen IsraŽls zeggen: Gij hebt zelf gezien, hoe Ik uit de hemel tot u gesproken heb:
    2023Gij zult geen goden maken naast Mij, u geen afgoden maken van zilver of goud.
    2024Ge moet een altaar van aarde voor Mij oprichten, en daarop uw brand(-) en vredeoffers opdragen, uw schapen en runderen, overal, waar Ik mijn Naam doe gedenken, waar Ik u zal verschijnen en u zal zegenen.
    2025Bouwt ge Mij echter een stenen altaar, dan moogt ge het niet optrekken van gehouwen stenen; want hebt ge ze met uw beitel bewerkt, dan hebt ge ze ontwijd.
    2026Ook moogt ge mijn altaar niet langs trappen beklimmen, om uw schaamte daarop niet te ontbloten.
    2101Dit zijn de wetten, die ge hun moet voorhouden:
    2102Wanneer gij een hebreeuwsen slaaf koopt, zal hij u zes jaren dienstbaar zijn; maar in het zevende jaar kan hij zonder enige vergoeding als vrij man heengaan.
    2103Als hij alleen is gekomen, zal hij alleen weggaan; kwam hij gehuwd, dan moet ook zijn vrouw met hem mee.
    2104Wanneer zijn meester hem een vrouw heeft gegeven, die hem zonen en dochters heeft geschonken, dan blijft zijn vrouw met haar kinderen het eigendom van zijn heer, en moet hij alleen vertrekken.
    2105Maar zo de slaaf uitdrukkelijk verklaart: Ik houd van mijn heer, van mijn vrouw en mijn kinderen, ik wil de vrijheid niet,
    2106dan moet zijn heer hem voor God doen komen, hem vervolgens naar de deur of de deurpost geleiden, en zijn oor met een priem doorboren; dan blijft hij voor altijd zijn slaaf.
    2107Wanneer iemand zijn dochter als slavin verkoopt, zal zij niet op dezelfde manier kunnen vertrekken als de slaven.
    2108Heeft de heer haar voor zich zelf bestemd, maar bevalt ze hem niet, dan kan hij een losprijs voor haar vragen; maar hij heeft niet het recht, haar naar den vreemde te verkopen, als hij genoeg van haar heeft.
    2109Heeft hij haar voor zijn zoon bestemd, dan moet hij haar als een dochter behandelen.
    2110Neemt hij zich nog een andere vrouw, dan mag hij haar niet te kort doen, wat voedsel, kleding en huwelijksgemeenschap betreft.
    2111Zo hij haar deze drie dingen niet geeft, mag zij zonder vergoeding en losgeld vertrekken.
    2112Wie iemand zo slaat, dat hij sterft, zal met de dood worden gestraft.
    2113Wanneer hij het niet met opzet deed, doch God zijn hand had laten gaan, dan zal Ik u een plaats aanwijzen, waar hij heen kan vluchten.
    2114Maar zo iemand met boos opzet en verraderlijk zijn naaste vermoordt, moet ge hem zelfs van mijn altaar gaan halen, om hem te doden.
    2115Wie zijn vader of zijn moeder slaat, zal met de dood worden gestraft.
    2116Wie een mens rooft, hetzij hij hem heeft verkocht of nog in zijn macht heeft, zal met de dood worden gestraft.
    2117Wie zijn vader of moeder vervloekt, zal eveneens sterven.
    2118Wanneer twee mannen met elkaar vechten, en de een slaat den ander met een steen of met de vuist, zonder dat hij sterft, maar toch zů, dat hij bedlegerig wordt,
    2119dan zal hij, die hem heeft geslagen, ongestraft blijven, als de ander weer op kan staan en gesteund op zijn stok buiten kan wandelen. Hij moet hem alleen zijn verzuim vergoeden en de kosten van de genezing betalen.
    2120Wanneer iemand zijn slaaf of slavin met een stok zo mishandelt, dat hij onder zijn hand bezwijkt, moet hij ten zwaarste worden gestraft;
    2121maar blijft hij nog een of twee dagen in leven, dan zal hij niet worden gestraft, want het is zijn eigen bezit.
    2122Wanneer mannen met elkaar vechten, en ze raken daarbij een zwangere vrouw, zodat zij wel ontijdig bevalt, maar het leven er niet mee gemoeid is, dan zal de schuldige als boete de schadevergoeding moeten betalen, welke de man van die vrouw hem oplegt.
    2123Maar wanneer het leven er mee is gemoeid, zult ge leven voor leven geven.
    2124Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet,
    2125brandwond voor brandwond, letsel voor letsel, striem voor striem!
    2126Maar wanneer iemand zijn slaaf of slavin het oog uitslaat, moet hij hun voor het oog de vrijheid geven;
    2127zo hij zijn slaaf of slavin een tand uitslaat, moet hij hun ook voor de tand de vrijheid geven.
    2128Wanneer een stier een man of een vrouw zo hevig stoot, dat de dood daarop volgt, moet die stier worden gestenigd en zijn vlees mag niet worden gegeten; doch den eigenaar van den stier treft geen schuld.
    2129Maar wanneer de stier reeds te voren stotig was, en de eigenaar, hoewel gewaarschuwd, hem niet heeft bewaakt, dan moet niet alleen de stier, die een man of een vrouw heeft gedood, worden gestenigd, maar ook de eigenaar met de dood worden gestraft.
    2130Eist men losgeld van hem, dan moet hij zoveel voor zijn persoon betalen, als men hem oplegt.
    2131Stoot hij een jongen of een meisje, dan geldt dezelfde regel.
    2132Maar stoot de stier een slaaf of slavin, dan moet de eigenaar dertig zilveren sikkels aan hun meester betalen, en de stier zal worden gestenigd.
    2133Wanneer iemand een put heeft opengelaten, of een kuil heeft gegraven zonder hem af te dekken, en een rund of ezel valt er in,
    2134dan moet de eigenaar van de put schadeloosstelling geven, en de prijs betalen aan den eigenaar van het dier; het dode dier kan hij behouden.
    2135Wanneer iemands stier dien van een ander zo stoot, dat deze sterft, dan moeten ze den levenden stier verkopen, en de opbrengst ervan, zowel als het gedode dier, samen delen.
    2136Maar was het bekend, dat de stier reeds langere tijd stotig was, en heeft de eigenaar hem toch niet bewaakt, dan moet hij hem de volle waarde vergoeden, een stier voor een stier; maar het dode beest mag hij behouden.
    2201Wanneer iemand een rund of een schaap steelt, en het slacht of verkoopt, moet hij vijf runderen vergoeden voor het rund, en vier schapen voor het schaap.
    2202Wordt een dief bij een nachtelijke inbraak betrapt en doodgeslagen, dan treft wie hem doodt, geen bloedschuld;
    2203maar zo de zon reeds was opgegaan, dan treft hem die wel. De dief zal het volle bedrag moeten terugbetalen. Bezit hij het niet, dan moet hij worden verkocht, om het gestolene te vergoeden.
    2204Zo het gestolene, rund, ezel of schaap nog levend in zijn bezit wordt gevonden, zal hij het dubbele moeten geven.
    2205Wanneer iemand bij het afweiden van veld of wijngaard zijn vee los laat rondlopen, en dit het veld van een ander afgraast, dan moet hij de hoogste opbrengst van zijn veld en de hoogste opbrengst van zijn wijngaard als schadevergoeding geven.
    2206Wanneer er een vuur wordt aangestoken, om de doornen te verbranden, en het vernielt de garven, het ongemaaide koren of het hele veld, dan moet hij, die het vuur heeft aangestoken, het verbrande volledig vergoeden.
    2207Wanneer iemand aan een ander geld of goed in bewaring heeft gegeven, en het wordt uit het huis van dien man gestolen, dan moet de dief, als hij wordt ontdekt, het dubbel vergoeden.
    2208Wordt de dief niet ontdekt, dan zal de heer des huizes voor God verschijnen en zweren, dat hij zich het goed van een ander niet heeft toegeŽigend.
    2209Als er iets gestolen is, hetzij een stier, een ezel, een schaap, een kledingstuk of als er iets verloren is gegaan, en de verliezer zegt daarvan: Dit is het, dan moet het geschil tussen beide betrokkenen voor God worden gebracht; en wien God schuldig verklaart, moet het dubbele aan den ander vergoeden.
    2210Wanneer iemand een ezel, een stier of een schaap of wat voor dier ook, aan de hoede van een ander toevertrouwt, en het beest sterft, breekt zijn poten of wordt weggeroofd, zonder dat iemand het ziet,
    2211dan zal een eed voor Jahweh tussen hen beiden beslissen, of die ander zijn hand niet aan het goed van zijn naaste heeft geslagen; de eigenaar moet er genoegen mee nemen, en de ander behoeft niets te vergoeden.
    2212Zo het hem is ontstolen, moet hij het den eigenaar wel vergoeden.
    2213Is het door een roofdier verscheurd, dan kan hij het verscheurde beest als bewijs laten gelden, en behoeft hij het niet te vergoeden.
    2214Wanneer iemand van een ander een rund te leen vraagt, en het breekt zijn poten of sterft, terwijl de eigenaar er niet bij is, dan moet hij het vergoeden.
    2215Was de eigenaar er bij, dan behoeft hij het niet te vergoeden. Is het echter gehuurd, dan is de schade in de huurprijs inbegrepen.
    2216Wanneer iemand een meisje, dat nog niet is verloofd, verleidt en misbruikt, dan moet hij haar huwen en de volle bruidsprijs betalen.
    2217Weigert de vader haar te geven, dan moet hij toch zoveel betalen, als de bruidsprijs voor een meisje bedraagt.
    2218Geen tovenares zult ge in leven laten.
    2219Iedereen die een dier misbruikt zal met de dood worden gestraft.
    2220Iedereen die aan goden offert, behalve aan Jahweh alleen, zal met de banvloek worden geslagen.
    2221Den vreemdeling moogt ge niet verdrukken en kwellen; want zelf zijt ge vreemdelingen geweest in het land van Egypte.
    2222Weduwen en wezen zult ge nimmer verdrukken.
    2223Zo ge hen toch durft verdrukken en zij vol angst tot Mij roepen, zal Ik hun schreien zeker verhoren.
    2224Mijn toorn zal ontbranden, en met het zwaard zal Ik u doden; uw vrouwen zullen weduwen worden en uw kinderen wezen.
    2225Wanneer gij geld leent aan een arme van mijn volk onder u, zult ge u tegenover hem niet als geldschieter gedragen, en geen rente van hem vragen.
    2226Zo ge de mantel van een ander in pand hebt genomen, moet ge hem die voor zonsondergang teruggeven;
    2227want het is zijn enig kleed, de bedekking voor zijn blote lijf, waarin hij moet slapen. Als hij tot Mij roept, zal Ik hem verhoren; want Ik ben barmhartig.
    2228Gij zult God niet vervloeken, en de overheid van uw volk niet verwensen.
    2229Met de eerstelingen van uw dorsvloer en perskuip zult ge niet achterstallig blijven. Den eerstgeborene van uw zonen zult ge Mij afstaan.
    2230Hetzelfde zult ge doen met uw runderen en uw schapen: zeven dagen mag het jong bij zijn moeder blijven, op de achtste dag zult ge het Mij geven.
    2231Reine mensen zult ge Mij zijn. Het vlees van een dier, dat op het veld ligt verscheurd, moogt ge niet eten; maar ge moet het voor de honden werpen.
    2301Ge moogt geen vals gerucht rondstrooien. Ge moogt hem, die ongelijk heeft, geen hulp verlenen door valse getuigenis.
    2302Sluit u in kwade zaken niet bij de meerderheid aan, en richt bij uw antwoorden in een geding u niet naar de meerderheid, als ge daardoor het recht zoudt verkrachten.
    2303Kies ook in een rechtsgeding niet de partij van den rijke.
    2304Wanneer ge een verdwaalden os of ezel van uw vijand aantreft, moet ge ze terstond naar hem terugbrengen.
    2305Wanneer ge een ezel van uw vijand onder zijn last ziet bezwijken, zult ge den man uw hulp niet weigeren, maar hem helpen afladen.
    2306Bij een geding moogt ge het recht van den arme niet verkrachten.
    2307Ge zult geen oneerlijke uitspraak doen, en geen doodvonnis vellen over een onschuldige, die in zijn recht is; want ook Ik geef geen gelijk aan hem, die niet in zijn recht is.
    2308Ge moogt ook geen geschenken aannemen; want geschenken maken zienden blind en verdraaien het recht.
    2309Eveneens moogt ge den vreemdeling niet verdrukken; want ge weet, hoe een vreemdeling zich moet voelen, daar ge zelf vreemdeling zijt geweest in het land van Egypte.
    2310Zes jaren moogt ge het land bezaaien en de vruchten ervan oogsten;
    2311maar in het zevende jaar moet ge het braak laten liggen en niet bewerken. Dan zullen de armen onder uw volk er van eten, en de rest zal het wild tot voedsel dienen. Zo zult ge ook met uw wijngaard en uw olijventuin doen.
    2312Zes dagen moogt ge werken, maar op de zevende dag zult ge rusten, opdat ook uw rund en uw ezel rust mogen hebben, en de zoon van uw slavin en de vreemdeling tot rust kunnen komen.
    2313Onderhoudt alles, wat Ik u heb gezegd. De naam van vreemde goden zult ge niet aanroepen; die mag in uw mond niet worden gehoord!
    2314Drie maal per jaar zult ge ter ere van Mij feest vieren.
    2315Ge moet het feest der ongedesemde broden vieren. Dan moet ge zeven dagen lang op de vastgestelde tijd in de maand Abib ongedesemde broden eten, zoals Ik u heb bevolen; want in die maand zijt ge uit Egypte getrokken.
    2316Verder het oogstfeest, wanneer de eerstelingen van uw arbeid, van wat ge op het veld hebt gezaaid, worden geoogst, en het plukfeest op het eind van het jaar, wanneer ge van het veld de vruchten van uw arbeid binnenhaalt.
    2317Deze drie keren in het jaar moeten alle personen van het mannelijk geslacht voor Jahweh, den Heer verschijnen en zij mogen niet met lege handen voor mijn aanschijn komen.
    2318Ge moogt het bloed van het dier, dat Mij wordt geofferd, niet tegelijk met gedesemd brood opdragen. Het vet van mijn feestoffer mag niet de nacht door tot de volgende morgen worden bewaard.
    2319Het puik der eerstelingen van uw akker zult ge naar het huis van Jahweh, uw God brengen. Gij moogt het geitje niet koken in de melk van zijn moeder.
    2320Zie, Ik zend mijn engel voor u uit, om u onderweg te bewaken, en u naar de plaats te leiden, die Ik u heb bereid.
    2321Wees voor hem op uw hoede, luister naar hem, en wees niet weerspannig tegen hem. Hij zal uw zonden niet vergeven, want in hem woont mijn Naam.
    2322Maar zo ge naar Mij luistert, en alles doet, wat Ik heb gezegd, zal Ik de vijand van uw vijanden zijn en de verdrukker van uw verdrukkers.
    2323Waarachtig, dan zal mijn engel voor u uitgaan, en u aanvoeren tegen de Amorieten, Chittieten, Perizzieten, Kanašnieten, Chiwwieten, Jeboesieten, en Ik zal ze vernietigen.
    2324Hun goden moogt ge niet aanbidden of dienen, ge moogt hun daden niet navolgen; maar ge moet ze meedogenloos uitroeien en hun wijstenen verbrijzelen.
    2325Jahweh, uw God, moet ge dienen! Dan zal Ik uw brood en uw water zegenen, en de ziekte uit uw midden bannen;
    2326geen vrouw in uw land zal een miskraam hebben of onvruchtbaar zijn, en het getal uwer dagen maak Ik vol.
    2327Dan zal Ik mijn verschrikking voor u uitzenden, al de volken, waar gij komt, in verwarring brengen en uw vijanden voor u op de vlucht drijven.
    2328Dan zal Ik horzels voor u uitzenden, die de Chiwwieten, Kanašnieten en Chittieten voor u zullen opjagen.
    2329Maar Ik drijf ze niet in een enkel jaar voor u weg; anders zou het land een woestenij worden en zouden de wilde dieren de overhand krijgen;
    2330slechts langzaam aan drijf Ik hen voor u weg, totdat ge zo zijt aangegroeid, dat ge het land in bezit kunt nemen.
    2331Dan zal Ik uw grenzen trekken van de Rode Zee tot aan de zee der Filistijnen, en van de woestijn tot aan de Rivier, en alle bewoners van het land aan u overleveren. Ge moet ze verjagen,
    2332en moogt geen verbond met hen sluiten, noch met hun goden;
    2333ze mogen zelfs niet in uw land blijven wonen. Want anders verleiden ze u tot zonde tegen Mij; zodat gij hun goden zoudt gaan dienen, en die zouden een valstrik voor u worden.
    2401Toen sprak Hij tot Moses: Klim op tot Jahweh, gij met Ašron, Nadab en Abihoe en zeventig van IsraŽls oudsten. Zij moeten op een afstand blijven neerknielen;
    2402Moses alleen mag tot Jahweh naderen, niet de anderen, en ook het volk mag niet met hem opstijgen.
    2403Toen ging Moses terug naar het volk, en deelde het alle bevelen en wetten van Jahweh mee. En heel het volk antwoordde eenstemmig: Alles wat Jahweh gezegd heeft, zullen we doen!
    2404En Moses schreef alle bevelen van Jahweh op. De volgende morgen bouwde hij aan de voet van de berg een altaar, en richtte twaalf wijstenen op naar het getal der twaalf stammen van IsraŽl.
    2405Vervolgens gaf hij aan israŽlietische jongemannen bevel, om brandoffers op te dragen en voor Jahweh jonge stieren als vredeoffers te slachten.
    2406Toen nam Moses de helft van het bloed en goot het in schalen; de andere helft sprenkelde hij over het altaar.
    2407Daarna nam hij het verbondsboek en las het voor ten aanhoren van het volk. Zij herhaalden: Alles, wat Jahweh heeft gezegd, zullen we doen en daaraan gehoorzamen.
    2408Nu nam Moses het bloed, sprenkelde het over het volk, en sprak: Zie, dit is het bloed van het Verbond, dat Jahweh met u heeft gesloten: het is gegrond op al deze bevelen.
    2409Moses klom dus omhoog met Ašron, Nadab, Abihoe en de zeventig oudsten van IsraŽl.
    2410Daar mochten zij den God van IsraŽl aanschouwen; onder zijn voeten was iets als een vloer van saffier, stralend als de hemel zelf.
    2411En God strekte zijn hand niet uit tegen de uitverkorenen onder IsraŽls kinderen, ofschoon ze God hadden aanschouwd. Daarna at en dronk men.
    2412Vervolgens sprak Jahweh tot Moses: Kom tot Mij op de berg en blijf daar; dan zal Ik u de stenen tafelen geven met de wet en de geboden, die Ik tot hun onderrichting heb opgeschreven.
    2413Toen maakte Moses met zijn dienaar JosuŽ zich gereed, en besteeg Moses de berg Gods.
    2414Hij zei tot de oudsten: Blijft hier, totdat we tot u terugkeren. Zie, Ašron en Choer blijven bij u. Wie een rechtsgeding heeft, kan zich tot hen wenden.
    2415Zo besteeg Moses de berg, die door de wolk bedekt was.
    2416Want de glorie van Jahweh rustte op de berg SinaÔ, en de wolk hield hem zes dagen lang omhuld. En uit de wolk riep Hij Moses op de zevende dag.
    2417En nu straalde op de top van de berg de glorie van Jahweh voor de ogen van de IsraŽlieten als een verterend vuur.
    2418Toen Moses de berg beklom, kwam hij midden in de wolk. En veertig dagen en veertig nachten bleef Moses op de berg.
    2501Daar sprak Jahweh tot Moses:
    2502Zeg de kinderen IsraŽls, dat ze Mij geschenken brengen; van iedereen, wien het hart het ingeeft, zult ge geschenken aanvaarden.
    2503Dit zijn de geschenken, die ge van hen moet aannemen: goud, zilver en brons,
    2504violet, purper, karmozijn, getwijnd lijnwaad en geitenhaar,
    2505roodgeverfde ramsvellen, gelooide huiden en acaciahout;
    2506olie voor de lampen, specerijen voor de zalfolie en voor de geurige wierook;
    2507onyxstenen en andere edelstenen, om er het borstkleed en de borsttas mee te bezetten.
    2508Want ge moet voor Mij een heiligdom maken, opdat Ik in hun midden kan wonen.
    2509En ge moet de tabernakel met toebehoren nauwkeurig naar de modellen vervaardigen, die Ik u nu ga tonen.
    2510Ge moet een ark vervaardigen van acaciahout, twee en een halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog.
    2511Ge moet haar van binnen en van buiten met zuiver goud bekleden en er loofwerk van goud omheen maken.
    2512Dan moet ge er vier gouden krammen voor gieten, en die boven aan de vier poten bevestigen, twee krammen aan iedere kant.
    2513Maak vervolgens handbomen van acaciahout, besla ze met goud,
    2514en steek ze in de krammen aan weerskanten van de ark, om daarmee de ark te dragen.
    2515De handbomen moeten in de krammen aan de ark blijven, en mogen er niet worden uitgetrokken.
    2516In de ark moet ge de verbondswet leggen, die Ik u geven zal.
    2517Daarna moet ge ook een verzoendeksel maken van zuiver goud, twee en een halve el lang en anderhalve el breed.
    2518Aan de beide uiteinden van het verzoendeksel moet ge twee gouden cherubs als drijfwerk maken.
    2519Sla een cherub uit aan het ene einde en een cherub aan het andere einde; dus in het verzoendeksel zelf moet ge aan beide uiteinden de cherubs uitslaan.
    2520De cherubs moeten hun vleugels omhoog spreiden, en met hun vleugels het verzoendeksel overspannen; ze moeten tegenover elkander staan, terwijl hun gezichten naar het verzoendeksel gericht moeten zijn.
    2521Leg dan het verzoendeksel boven op de ark, en de verbondswet, die Ik u geven zal, erin.
    2522Daar zal Ik Mij aan u openbaren, en boven het verzoendeksel tussen de twee cherubs, die op de ark des Verbonds staan, zal Ik alles mededelen, wat Ik u voor de IsraŽlieten heb te bevelen.
    2523Gij moet ook een tafel van acaciahout vervaardigen, twee ellen lang, een el breed en anderhalve el hoog.
    2524Overtrek die met zuiver goud, en maak er loofwerk van goud omheen.
    2525Gij moet daar een lijst van een hand breed omheen maken, en om die lijst loofwerk van goud.
    2526Dan moet ge vier gouden krammen maken, en die aan de vier hoeken bij de poten bevestigen.
    2527Breng die krammen voor de handbomen van de tafel vlak bij de lijst aan.
    2528De handbomen moet ge van acaciahout maken, en met goud beslaan; daarmee moet de tafel worden gedragen.
    2529Bovendien moet ge nog de nodige schotels, kannen, bekers en schalen vervaardigen voor het uitgieten van de plengoffers; ge moet ze maken van zuiver goud.
    2530Ook moet ge er voor zorgen, dat er op de tafel voortdurend toonbroden voor Mij liggen.
    2531Vervolgens moet ge een kandelaar maken van zuiver goud. De kandelaar moet drijfwerk zijn: zijn voetstuk en schacht, zijn bloemkelken, knoppen en bloesems uit ťťn stuk.
    2532Zes armen moeten terzijde uitsteken, drie armen aan de ene kant van de kandelaar en drie armen aan de andere kant.
    2533Aan iedere arm moeten drie bloemkelken zitten in de vorm van amandelbloesem, knoppen en bloesems; dus aan de zes armen, die uit de kandelaar steken op dezelfde manier.
    2534Maar aan de kandelaar zelf moeten vier bloemkelken zitten in de vorm van amandelbloesem, knoppen en bloesems;
    2535telkens moet ťťn knop onder elk van de drie paar armen zitten, waar de zes armen uit de kandelaar schieten.
    2536De knoppen en armen moeten met de kandelaar zelf uit ťťn stuk zijn; het geheel ťťn stuk drijfwerk van zuiver goud.
    2537Bovendien moet ge de zeven lampen maken, die er bij horen, en deze er zo boven op plaatsen, dat het licht naar de voorzijde valt.
    2538Ook de snuiters en bakjes moeten van zuiver goud zijn.
    2539Een talent zuiver goud moet men gebruiken voor de kandelaar en voor alles wat er bij hoort.
    2540Zorg er voor, dat ge het vervaardigt naar de modellen, die u op de berg zijn getoond.
    2601Daarna moet ge de tabernakel vervaardigen uit tien banen van getwijnd lijnwaad, van violet, purper en karmozijn, met cherubs versierd.
    2602Iedere baan moet acht en twintig el lang zijn en vier el breed; alle banen moeten dezelfde afmetingen hebben.
    2603Vijf aan vijf moeten de banen aan elkander worden gehecht.
    2604Dan moet ge violetkleurige lussen maken aan de zoom van de eerste baan van het ene stel en eveneens aan de zoom van de laatste baan van het andere stel.
    2605Vijftig lussen moet ge maken aan de baan van het ene stel, en vijftig aan de zoom van de baan van het andere stel; zodat de lussen tegenover elkander komen te zitten.
    2606Dan moet ge vijftig gouden haken vervaardigen, waarmee ge de banen aan elkander moet verbinden, zodat de tabernakel een geheel wordt.
    2607Daarna moet gij ook banen van geitenhaar vervaardigen voor een tent over de tabernakel. Elf van zulke banen moet ge maken.
    2608Elke baan moet dertig el lang en vier el breed zijn; alle elf dus van dezelfde afmetingen.
    2609Vijf van die banen moet ge afzonderlijk aan elkander hechten, en eveneens de zes andere afzonderlijk; de zesde baan moet ge aan de voorzijde van de tent omslaan.
    2610Dan moet ge vijftig lussen maken aan de zoom van de eerste baan van het ene stel, en vijftig lussen aan de zoom van de laatste baan van het andere stel.
    2611Vervolgens moet ge vijftig bronzen haken maken, en daarmee de lussen vasthechten, om de tent zo samen te voegen, dat ze een geheel wordt.
    2612Het gedeelte van de tentbanen, dat in de breedte nog overschiet, moet ge voor de helft over de achterkant van de tabernakel laten afhangen;
    2613terwijl de el, die aan weerszijden van de tentbanen in de lengte overblijft, aan beide kanten van de tabernakel moet afhangen, om die te bedekken.
    2614Over deze tent moet ge weer een dek maken van roodgeverfde ramsvellen, en daar overheen nog een dekkleed van gelooide huiden.
    2615Vervolgens moet ge voor de tabernakel rechtopstaande schotten maken van acaciahout.
    2616Ieder schot moet tien el hoog en anderhalve el breed zijn.
    2617Onder ieder schot moeten twee pennen recht naast elkander worden aangebracht; zo moet ge met alle schotten van de tabernakel doen.
    2618Voor de zuidkant van de tabernakel moet ge twintig schotten maken,
    2619en onder die twintig schotten veertig zilveren voetstukken; zodat er zich telkens twee onder ieder schot bevinden voor de beide pennen.
    2620Voor de andere wand van de tabernakel, dus aan de noordkant, eveneens twintig schotten
    2621met hun veertig zilveren voetstukken, telkens twee onder ieder schot.
    2622Voor de achterkant van de tabernakel, dus in het westen, moet ge zes schotten maken.
    2623Daarenboven moet ge voor de beide hoeken van de achterwand van de tabernakel twee schotten vervaardigen,
    2624die van onderen in elkaar grijpen, en evenzo van boven bij de eerste kram; ze moeten zů zijn, omdat zij beiden de hoekstukken vormen.
    2625Er moeten dus acht schotten zijn met hun zestien zilveren voetstukken, telkens twee voetstukken onder ieder schot.
    2626Ge moet ook bindlatten maken van acaciahout, vijf voor de schotten van de ene zijwand van de tabernakel,
    2627vijf voor de schotten van de andere zijwand van de tabernakel, en ook vijf voor de schotten aan de achterwand van de tabernakel in het westen.
    2628De middelste bindlat moet midden over de schotten lopen van het ene einde tot het andere.
    2629De schotten moet ge met goud bekleden; de krammen, waarin de bindlatten rusten van goud vervaardigen; de bindlatten zelf weer met goud overtrekken.
    2630Zo zult ge de tabernakel oprichten naar het model, dat u op de berg is getoond.
    2631Ge moet ook een voorhangsel maken van violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad met cherubs versierd.
    2632Hang dat met gouden ringen aan vier met goud beslagen palen van acaciahout, die op vier zilveren voetstukken staan.
    2633Het voorhangsel moet ge aan de haken der palen ophangen. Breng dan de ark des Verbonds binnen het voorhangsel, zodat het voorhangsel een scheiding vormt tussen het heilige en het heilige der heiligen,
    2634en leg het verzoendeksel op de ark des Verbonds in het heilige der heiligen.
    2635Maar de tafel moet ge aan de buitenkant van het voorhangsel plaatsen; de kandelaar tegenover de tafel aan de rechterzijde van de tabernakel en de tafel aan de linkerzijde.
    2636Maak ten slotte voor de ingang van de Tent een tapijt van violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad met fijn borduurwerk versierd.
    2637Voor dat tapijt moet ge vijf palen maken van acaciahout met goud beslagen; ook de ringen moeten van goud zijn. Ge moet er vijf bronzen voetstukken voor gieten.
    2701Vervolgens moet ge het brandofferaltaar maken van acaciahout; het altaar moet vijf el lang en vijf el breed, dus vierkant zijn, en drie el hoog.
    2702Breng op de vier hoeken de hoornen aan, die met het altaar uit ťťn stuk moeten zijn, en besla ze met brons.
    2703Maak ook de nodige bakken voor het wegruimen van de as, met de schoppen, offerschalen, vorken en vuurpotten; vervaardig al deze benodigdheden van brons.
    2704Maak een netvormig rasterwerk van brons, en aan de vier hoeken van dat rasterwerk vier bronzen krammen.
    2705Breng dat rasterwerk aan beneden onder het raam, waarop het altaar rust, zodat het van beneden af tot halverhoogte het altaar reikt.
    2706Maak ook handbomen van acaciahout voor het altaar, en besla ze met brons.
    2707De handbomen moeten door de krammen worden gestoken, zodat ze zich aan beide zijden van het altaar bevinden, wanneer men het draagt.
    2708Ge moet het altaar hol maken en van planken; en het vervaardigen, zoals het u op de berg is getoond.
    2709Daarna moet ge nog de voorhof van de tabernakel maken. Aan de zuidkant moet de voorhof worden afgezet met gordijnen van getwijnd lijnwaad; de lengte ervan aan deze ene zijde moet honderd el bedragen.
    2710Ze moeten hangen aan twintig palen op twintig bronzen voetstukken; de ringen en banden der palen moeten van zilver zijn.
    2711Hang eveneens aan de noordzijde gordijnen over een lengte van honderd el, aan twintig palen op hun twintig bronzen voetstukken; de ringen en de banden der palen moeten eveneens van zilver zijn.
    2712Maar hang in de breedte aan de westzijde van de voorhof gordijnen over een lengte van vijftig el aan tien palen op hun tien voetstukken.
    2713De breedte van de voorhof aan de voorzijde ten oosten moet eveneens vijftig el bedragen.
    2714Aan de ene hoek moet het over een lengte van vijftien el worden afgezet met gordijnen aan drie palen op hun drie voetstukken;
    2715zo ook de andere hoek over een lengte van vijftien el met gordijnen aan drie palen op hun drie voetstukken,
    2716terwijl aan de ingang van de voorhof aan vier palen op hun vier voetstukken een tapijt van twintig el moet hangen van violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad, met fijn borduurwerk versierd.
    2717Al de palen rond de voorhof moeten van zilveren banden zijn voorzien; ook de ringen moeten van zilver zijn, maar de voetstukken van brons.
    2718De lengte van de voorhof moet honderd el bedragen, de breedte vijftig en de hoogte vijf el. Het lijnwaad moet getwijnd zijn; de voetstukken van brons.
    2719Alle benodigdheden voor de bouw van de tabernakel, al zijn pinnen en de pinnen van de voorhof moeten van brons zijn.
    2720Beveel ook aan de IsraŽlieten, dat zij u zuivere olie uit gestoten olijven voor de kandelaar brengen, om de lamp steeds brandend te houden.
    2721Ašron en zijn zonen zullen die van de avond tot de morgen voor het aanschijn van Jahweh onderhouden in de openbaringstent buiten het voorhangsel, dat zich voor de ark des Verbonds bevindt. Dit is een eeuwige verplichting voor de IsraŽlieten van geslacht tot geslacht.
    2801Zonder u vervolgens uw broeder Ašron en zijn zonen uit de IsraŽlieten af, om Mij als priester te dienen: Ašron, met Nadab, Abihoe, Elazar en Itamar, de zonen van Ašron.
    2802Gij moet voor uw broeder Ašron heilige gewaden maken, om zijn glorie te doen stralen.
    2803Beveel dus aan alle kunstenaars, die Ik met fijne smaak heb begiftigd, dat zij de gewaden voor Ašron vervaardigen, opdat hij gewijd kan worden, om Mij als priester te dienen.
    2804De volgende gewaden moeten zij vervaardigen: een borsttas, een borstkleed, een schoudermantel, een geborduurde tuniek, een tulband en een gordel. Voor de heilige gewaden, die ze voor uw broeder Ašron en zijn zonen moeten maken, om Mij als priester te dienen,
    2805moeten zij goud, violet, purper, karmozijn, en getwijnd lijnwaad gebruiken.
    2806Ze moeten uit goud, violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad een kunstig bewerkt borstkleed vervaardigen.
    2807Het moet twee schouderbanden hebben, die onderling verbonden zijn, en aan de beide uiteinden ervan moeten worden vastgemaakt.
    2808De band, die het borstkleed omsluit, moet uit ťťn stuk zijn en van hetzelfde maaksel: van goud, violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad.
    2809Dan moet ge twee onyxstenen nemen, en daarin de namen van IsraŽls zonen snijden:
    2810zes namen op de ene steen, en zes op de andere, naar de volgorde van hun geboorte.
    2811Als graveerwerk, dat men in zegelstenen snijdt, moet ge de namen van IsraŽls zonen in de beide stenen griffen en ze dan in gouden zettingen vatten.
    2812De beide stenen moet ge op de schouderbanden van het borstkleed hechten als gedachtenisstenen voor IsraŽls zonen, zodat Ašron op zijn beide schouders hun namen voor het aanschijn van Jahweh zal dragen, om hunner indachtig te zijn.
    2813De zettingen moet ge van goud maken.
    2814Nog moet ge twee kettinkjes maken van zuiver goud als koorden gevlochten, en die aan de zettingen vasthechten.
    2815Verder moet ge een borsttas voor het orakel laten maken, kunstig bewerkt van dezelfde stof als het borstkleed: van goud, violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad.
    2816Ze moet vierkant zijn en dubbel gevouwen, een span lang en een span breed.
    2817Ge moet haar met vier rijen edelstenen bezetten: op de eerste rij een robijn, een topaas en een smaragd;
    2818op de tweede rij een karbonkel, een saffier en een sardonix;
    2819op de derde rij een hyacint, een agaat en een ametist;
    2820en op de vierde rij een chrysoliet, een onyx en een jaspis. Zij moeten in gouden zettingen gevat zijn.
    2821Deze stenen moeten beantwoorden aan de namen van IsraŽls zonen; ze moeten dus evenals hun namen twaalf in getal zijn, en op iedere steen moet de naam van ťťn der twaalf stammen worden gegrift, op dezelfde manier als men een zegel snijdt.
    2822Aan de borsttas moet ge kettinkjes maken van zuiver goud, als koorden gevlochten;
    2823aan de beide boveneinden van de borsttas moet ge twee gouden ringen maken;
    2824bevestig dan de twee gouden snoeren aan de beide ringen, die aan de boveneinden van de borsttas zitten,
    2825en maak de beide einden van die twee snoeren aan de beide zettingen vast, die ge aan de voorkant der schouderbanden van het borstkleed hebt gehecht.
    2826Vervolgens moet ge nog twee gouden ringen maken, en die aan de beide benedeneinden van de borsttas bevestigen, en wel aan de binnenrand, die tegen het borstkleed ligt;
    2827bovendien nog twee gouden ringen, die ge onder aan de voorkant van het borstkleed moet hechten, boven de band van het borstkleed, vlak bij de sluiting;
    2828dan moet ge de ringen van de borsttas met een purperen snoer aan de ringen van het borstkleed vastbinden, zodat de borsttas boven de band van het borstkleed blijft hangen en niet op het borstkleed kan verschuiven.
    2829Zo zal Ašron, wanneer hij het heiligdom binnentreedt, de namen van IsraŽls zonen op zijn hart aan de orakeltas dragen, om hunner voortdurend indachtig te zijn voor het aanschijn van Jahweh.
    2830En in de orakeltas moet ge de Oerim en de Toemmim leggen, zodat zij op het hart van Ašron rusten, wanneer hij voor het aanschijn van Jahweh treedt; en zo zal Ašron altijd het orakel van IsraŽls zonen op zijn hart dragen voor het aanschijn van Jahweh.
    2831Over het borstkleed moet ge een schoudermantel maken geheel van violet.
    2832In het midden moet een opening zijn, om het hoofd er door te steken; die opening moet, als de hals van een wapenrok, rondom met een kunstig geweven zoom zijn afgezet, zodat ze niet kan inscheuren.
    2833Aan de onderrand van de schoudermantel moet ge rondom violette, purperen en karmozijnen granaatappeltjes aanbrengen en aan alle kanten daartussen gouden belletjes;
    2834om beurt telkens een gouden belletje en een granaatappeltje rond de onderrand van de schoudermantel.
    2835Ašron moet hem dragen als hij zijn bediening uitoefent, zodat men hem kan horen, wanneer hij voor het aanschijn van Jahweh het heiligdom binnentreedt of verlaat; anders zal hij sterven.
    2836Verder moet ge een plaat maken van zuiver goud, en daarin als in een zegel graveren: Aan Jahweh gewijd.
    2837Ge moet ze met een purperen snoer aan de tulband vastmaken; en wel aan de voorkant.
    2838Zo zal ze tegen het voorhoofd van Ašron liggen, en zal Ašron de fouten op zich nemen, die de kinderen IsraŽls begaan bij de heilige offers en bij alle heilige gaven, welke zij brengen. Steeds moet zij tegen zijn voorhoofd liggen om hen welgevallig te maken aan Jahweh.
    2839Vervolgens moet ge een geborduurde tuniek, een tulband van lijnwaad en een kunstig bewerkte gordel maken.
    2840Ook voor de zonen van Ašron moet ge tunieken, gordels en hoofddoeken vervaardigen, om hun glorie te doen stralen;
    2841daarmee zult ge uw broeder Ašron en zijn zonen bekleden. Dan zult ge hen zalven, tot priesters aanstellen en wijden, zodat ze voor Mij hun priesterlijke bediening kunnen uitoefenen.
    2842Ook moet ge voor hen linnen heupkleren maken, die van hun lenden tot hun dijen reiken om hun schaamte te bedekken.
    2843Ašron en zijn zonen moeten ze dragen, wanneer zij de openbaringstent binnengaan of tot het altaar naderen, om in het heiligdom dienst te verrichten; anders zouden zij schuld op zich laden en sterven. Dit is een altijdgeldend voorschrift voor hem en zijn nakomelingschap.
    2901Deze handelingen moet ge aan hen voltrekken, om hen tot mijn priesters te wijden: Neem ťťn jongen stier en twee rammen, die zonder gebreken zijn;
    2902daarbij ongedesemde broden en ongedesemde koeken met olie gemengd en ongedesemde offervlaas met olie bestreken, van tarwebloem bereid.
    2903Leg ze in een mand, en breng ze in die mand tegelijk met den jongen stier en de twee rammen.
    2904Daarna moet ge Ašron en zijn zonen naar de ingang van de openbaringstent leiden en hen met water wassen.
    2905Dan moet ge de gewaden nemen, en Ašron bekleden met de tuniek, de schoudermantel, het borstkleed en de borsttas, hem het borstkleed vastbinden met de band,
    2906de tulband op zijn hoofd plaatsen en de heilige diadeem aan de tulband bevestigen.
    2907Dan moet ge de zalfolie nemen, die over zijn hoofd uitstorten en hem zalven.
    2908Vervolgens moet ge zijn zonen doen toetreden, hen met de tunieken bekleden,
    2909de gordel ombinden en de hoofddoeken omdoen. Wanneer ge zo Ašron en zijn zonen tot priesters hebt aangesteld, zullen zij de priesterlijke waardigheid bezitten als een eeuwig recht.
    2910Dan moet ge den stier voor de openbaringstent brengen, en Ašron en zijn zonen moeten hun handen op de kop van den stier leggen;
    2911daarna moet men den stier voor het aanschijn van Jahweh aan de ingang van de openbaringstent slachten.
    2912Neem dan het bloed van den stier, strijk een gedeelte daarvan met uw vinger aan de hoornen van het altaar, en stort de rest tegen het voetstuk van het altaar.
    2913Vervolgens moet ge al het vet nemen, dat de ingewanden omgeeft, en de kwab aan de lever, de beide nieren en het niervet, en dat op het altaar in rook doen opgaan;
    2914maar het vlees van den stier met zijn vel en darmen moet ge buiten de legerplaats in het vuur verbranden. Dit is het zondeoffer.
    2915Dan moet ge een van de rammen nemen, en Ašron en zijn zonen moeten hun handen op de kop van den ram leggen;
    2916ge moet den ram slachten, zijn bloed opvangen, en er aan alle kanten het altaar mee besprenkelen.
    2917Snijd dien ram vervolgens in stukken, was de ingewanden en poten af, en leg ze bij de andere stukken en de kop.
    2918Den helen ram moet ge op het altaar in rook doen opgaan. Het is een heerlijk geurend brandoffer voor Jahweh, een vuuroffer ter ere van Jahweh.
    2919Daarna moet ge den tweeden ram nemen, en Ašron en zijn zonen moeten hun handen op zijn kop leggen.
    2920Dan moet ge hem slachten, met zijn bloed de rechteroorlel, rechterduim en rechter grote teen van Ašron en zijn zonen bestrijken, en met het overige bloed aan alle kanten het altaar besprenkelen.
    2921Neem dan wat van het bloed, dat tegen het altaar is gesprenkeld, tegelijk met wat zalfolie, en besprenkel daarmee Ašron en de gewaden van Ašron, zijn zonen en de gewaden van zijn zonen, zodat hij en zijn zonen, alsook de gewaden van beiden zullen gewijd zijn.
    2922Vervolgens moet ge het vet van den ram nemen, met het staartvet en het vet, dat de ingewanden omgeeft, de kwab aan de lever, de beide nieren met het niervet, dat er om heen zit, en daar het een wijdingsram is, ook de rechterschenkel;
    2923bovendien, uit de mand met ongedesemde broden, die voor het aanschijn van Jahweh staat, ťťn rond brood, ťťn met olie bestreken broodkoek en ťťn vla.
    2924Dit alles moet ge in de handen van Ašron leggen en in die van zijn zonen, en als een strekoffer voor het aanschijn van Jahweh aanbieden.
    2925Dan moet ge het uit hun handen nemen, en het op het altaar in rook doen opgaan te zamen met het heerlijk geurend brandoffer voor het aanschijn van Jahweh; het is een vuuroffer ter ere van Jahweh.
    2926Vervolgens moet ge het borststuk van Ašrons wijdingsram nemen, en het als een strekoffer voor het aanschijn van Jahweh aanbieden. Dit zal uw deel zijn.
    2927Zo zult ge door het wijdingsram van Ašron en zijn zonen de borststukken, die als strekoffers worden aangeboden, en de schenkels, die als hefoffers worden opgedragen, heiligen;
    2928volgens een altijdgeldende wet zullen zij het deel zijn, dat de kinderen IsraŽls aan Ašron en zijn zonen moeten afstaan. Want het is een hefoffer, en als zodanig moet het door IsraŽls zonen van hun vredeoffers worden afgestaan, als een gave aan Jahweh.
    2929De heilige gewaden van Ašron zullen na hem op zijn zonen overgaan; daarin moeten zij gezalfd en tot priesters worden aangesteld.
    2930En zeven dagen moet zijn zoon, die hem als priester opvolgt en de openbaringstent binnentreedt, zich daarmee bekleden, om de dienst in het heiligdom uit te oefenen.
    2931Het vlees van den wijdingsram moet ge op een heilige plaats koken.
    2932En Ašron en zijn zonen zullen het vlees van den ram en het brood uit de mand eten bij de ingang van de openbaringstent.
    2933Zij alleen mogen het eten, omdat zij daardoor de verzoening verkregen, toen men hen tot priester aanstelde en wijdde; een leek mag er niet van eten, want het is heilig.
    2934En zo er iets van het vlees van het wijdingsoffer of van het brood tot de volgende morgen zou overblijven, moet ge dat overschot verbranden; het mag niet worden gegeten, want het is heilig.
    2935Voltrek dit alles aan Ašron en zijn zonen, juist zoals Ik het u heb bevolen. Zeven dagen moet ge de priesterwijding laten duren.
    2936Iedere dag moet ge tot verzoening een stier opdragen als zondeoffer, en door uw verzoening de onreinheid van het altaar wegnemen; dan moet ge het zalven, om het te wijden.
    2937Zeven dagen lang zult ge voor het altaar de verzoeningsplechtigheid verrichten, om het te wijden. Zo zal het altaar hoogheilig zijn, en iedereen, die het aanraakt, zal als iets heiligs worden behandeld.
    2938Regelmatig iedere dag moet ge twee eenjarig lammeren op het altaar offeren.
    2939Het ene lam moet ge des morgens offeren, het andere tegen de avond.
    2940Bij het eerste lam behoort een issaron meelbloem, gemengd met een kwart hin gestoten olie, en een plengoffer van een vierde hin wijn.
    2941Het andere lam moet ge tegen de avond offeren. Gij moet er eenzelfde spijs(-) en plengoffer bij doen als des morgens. Het moet een heerlijk geurend vuuroffer zijn ter ere van Jahweh,
    2942een bestendig brandoffer van geslacht tot geslacht, opgedragen aan de ingang van de openbaringstent en voor het aanschijn van Jahweh, waar Ik Mij aan u zal openbaren, om tot u te spreken.
    2943Daar zal Ik Mij openbaren aan de zonen IsraŽls, en die plaats zal door mijn glorie worden geheiligd.
    2944Ik zal de openbaringstent heiligen met het altaar, en Ašron heiligen met zijn zonen, om mijn priesters te zijn.
    2945Ik zal wonen te midden van IsraŽls kinderen en hun God zijn.
    2946Dan zullen zij weten, dat Ik, Jahweh, hun God ben, die hen uit het land van Egypte heb geleid, om in hun midden te wonen: Ik Jahweh, hun God!
    3001Nog moet ge een altaar vervaardigen, om wierook te offeren. Ge moet dat van acaciahout maken,
    3002een el lang en een el breed, dus vierkant, en twee ellen hoog; zijn hoornen moeten er ťťn geheel mee uitmaken.
    3003Ge moet het met zuiver goud overtrekken, zowel het bovenvlak, als alle zijkanten en de hoornen, en loofwerk van goud er omheen maken.
    3004Onder dat loofwerk moet ge aan weerskanten twee gouden krammen aanbrengen, die dienen voor de handbomen, waarmee het gedragen wordt.
    3005Die handbomen moet ge van acaciahout maken, en met goud beslaan.
    3006Gij moet het voor het voorhangsel plaatsen, dat voor de ark des Verbonds en het verzoendeksel boven de verbondswet hangt, waar Ik Mij aan u zal openbaren.
    3007Iedere morgen, wanneer Ašron de lampen in orde brengt, moet hij daarop geurige wierook branden;
    3008en eveneens wanneer hij tegen de avond de lampen ontsteekt. Het moet een bestendig reukoffer zijn voor het aanschijn van Jahweh van geslacht tot geslacht.
    3009Ge moogt daarop geen andere wierook offeren, dan die is voorgeschreven, noch daarop brand(-) en spijsoffers brengen, of plengoffers daarop uitgieten.
    3010Eenmaal per jaar moet Ašron de verzoeningsplechtigheid verrichten voor de hoornen; met het bloed van het zondeoffer ter verzoening zal hij dat eens per jaar doen. Zo zal het hoogheilig zijn voor Jahweh van geslacht tot geslacht.
    3011Jahweh vervolgde tot Moses:
    3012Wanneer ge de IsraŽlieten monstert en ze hoofd voor hoofd telt, moet ieder van hen bij de monstering aan Jahweh een losprijs voor zijn leven betalen, opdat geen ramp hen bij de monstering mag treffen.
    3013Dit moet iedereen geven, die op de monsterrol komt: een halve sikkel volgens het heilig gewicht, met twintig gera?s in een sikkel; die halve sikkel is een belasting voor Jahweh.
    3014Iedereen die op de monsterrol komt en twintig jaar oud is of meer, moet deze belasting voor Jahweh betalen.
    3015De rijke zal niet meer en de arme niet minder dan een halve sikkel betalen, als belasting voor Jahweh, en als losprijs voor uw leven.
    3016Gij zult het losgeld van IsraŽls zonen voor de dienst van de tabernakel gebruiken; maar het zal tevens dienen om IsraŽls kinderen bij Jahweh in gedachtenis te houden, en tot een losprijs voor uw leven.
    3017Nog sprak Jahweh tot Moses:
    3018Maak ook een bronzen wasbekken met een onderstel van brons, plaats het tussen de openbaringstent en het altaar en vul het met water.
    3019Met dit water moeten Ašron en zijn zonen hun handen en voeten wassen.
    3020Wanneer zij de openbaringstent binnengaan, moeten zij zich met het water afwassen, op straffe des doods; of wanneer zij tot het altaar willen naderen, om hun dienst te verrichten door een vuurofffer voor Jahweh te branden,
    3021moeten zij handen en voeten wassen, op straffe des doods. Dit is voor hen een eeuwige wet, voor hem en zijn nazaat tot in het verste geslacht.
    3022Nog sprak Jahweh tot Moses:
    3023Voorzie u van de kostbaarste specerijen: vijfhonderd sikkels vloeibare myrrhe en half zoveel, dus tweehonderd vijftig sikkels geurige kaneel, tweehonderd vijftig sikkels geurige kalmus,
    3024en vijf honderd sikkels laurier; alles volgens het heilig gewicht. Voeg er een hin olijfolie aan toe,
    3025en bereid daarvan de heilige zalfolie. Een geurig mengsel moet het zijn volgens de regels der kunst; want het is de heilige zalfolie.
    3026Hiermee moet ge de openbaringstent zalven, de ark des Verbonds,
    3027de tafel met haar toebehoren, de kandelaar met alles wat erbij hoort, het reukofferaltaar,
    3028het brandofferaltaar met zijn toebehoren en het bekken met zijn onderstel.
    3029Daardoor zult ge ze wijden, zodat ze hoogheilig worden, en iedereen, die ze aanraakt, als iets heiligs zal worden behandeld.
    3030Ook Ašron en zijn zonen zult ge er mee zalven, en hen wijden, om mijn priesters te zijn.
    3031Maar tot de IsraŽlieten zult ge zeggen: Dit zal voor Mij de heilige zalfolie zijn van geslacht tot geslacht.
    3032Ge moogt ze niet over het lichaam van gewone mensen uitgieten, en zelfs in deze verhouding geen andere bereiden; want ze is heilig en ook voor u moet ze heilig zijn.
    3033Iedereen dus, die een soortgelijk mengsel bereidt of het aan een leek durft geven, zal van zijn volk worden afgesneden.
    3034Nog sprak Jahweh tot Moses: Voorzie u van geurige specerijen; van amber, kruidnagel en gom, van kruiden en zuivere hars, alles in gelijke hoeveelheid.
    3035Ge moet daarvan volgens de regels der kunst een geurige wierook bereiden, met wat zout gemengd, zuiver en heilig.
    3036Hier moet ge telkens wat van afnemen, het tot poeder wrijven en voor de ark des Verbonds in de openbaringstent brengen, waar Ik Mij aan u zal openbaren. Hij moet hoogheilig voor u zijn.
    3037Als ge wierook voor u zelf wilt maken, moogt ge die niet in deze verhouding bereiden; ge moet hem als iets heiligs voor Jahweh beschouwen.
    3038Iedereen, die iets dergelijks maakt, om van zijn geur te genieten, zal van zijn volk worden afgesneden.
    3101Daarna sprak Jahweh tot Moses:
    3102Zie, Ik heb Besalel, den zoon van Oeri, zoon van Choer, uit de stam van Juda uitverkoren,
    3103en hem met Gods geest vervuld; met wijsheid en inzicht, met kennis en vaardigheid,
    3104om ontwerpen te maken en uit te voeren in goud, zilver en brons,
    3105om edelstenen te graveren en te zetten, om hout te bewerken, kortom voor elk soort van werk.
    3106Bovendien heb Ik hem Oholiab, den zoon van Achisamak, uit de stam van Dan als medewerker toegevoegd en aan alle bekwame vaklui heb Ik kunstvaardigheid geschonken, om alles te maken wat Ik bevolen heb:
    3107de openbaringstent, de ark des Verbonds, het verzoendeksel daarop, en alles wat bij de tent behoort;
    3108de tafel met toebehoren, de kandelaar van zuiver goud met toebehoren, het reukofferaltaar,
    3109het brandofferaltaar met al zijn toebehoren, het bekken met zijn onderstel;
    3110de heilige ambtsgewaden voor den priester Ašron en die van zijn zonen, om hun dienst te verrichten,
    3111de zalfolie en de geurige wierook voor het heiligdom. Dit alles moeten ze maken, zoals Ik het u heb bevolen.
    3112Tenslotte sprak Jahweh tot Moses:
    3113Dit moet ge de IsraŽlieten inprenten! Onderhoudt vooral mijn sabbat; want hij is een teken tussen Mij en u van geslacht tot geslacht, waardoor men zal weten, dat Ik, Jahweh, het ben die u heilig.
    3114Onderhoudt dus de sabbat, want hij is heilig voor u. Iedereen die hem schendt, zal met de dood worden gestraft; iedereen, die op die dag enige arbeid verricht, zal van zijn volk worden afgesneden.
    3115Zes dagen kunt ge werken, maar de zevende dag is een dag van volkomen rust, aan Jahweh gewijd. Wie op de sabbat enige arbeid verricht, moet sterven.
    3116Zo moeten de IsraŽlieten de sabbat onderhouden, en hem vieren van geslacht tot geslacht krachtens een eeuwig verbond.
    3117Hij zal een teken zijn voor eeuwig tussen Mij en de IsraŽlieten; want in zes dagen heeft Jahweh hemel en aarde gemaakt, maar op de zevende dag heeft Hij gerust en herademd.
    3118Toen Hij zijn onderhoud met Moses op de berg SinaÔ had beŽindigd, gaf Hij hem de beide tafelen van het Verbond, de stenen tafelen, met Gods eigen vingeren geschreven.
    3201Toen het volk intussen zag, dat Moses nog maar steeds niet van de berg afdaalde, liep het rond Ašron te hoop en zei tot hem: Kom, maak ons een god, die voor ons uittrekt; want we weten niet, wat er met Moses is gebeurd, den man, die ons uit Egypte heeft geleid.
    3202Ašron gaf hun ten antwoord: Haalt de gouden ringen uit de oren van uw vrouwen, zonen en dochters, en brengt die bij mij.
    3203En al het volk legde de gouden oorringen af, en bracht ze naar Ašron.
    3204Deze nam ze van hen aan, goot ze in een kleivorm, en maakte er een gegoten kalf van. Nu riepen zij: IsraŽl, daar is uw God, die u uit Egypte heeft geleid!
    3205Toen Ašron dat zag, bouwde hij er een altaar voor, en kondigde af: Morgen is het feest ter ere van Jahweh!
    3206En de volgende morgen droeg men brand(-) en vredeoffers op, en het volk zat neer, om te eten en te drinken, en ging zich vermaken.
    3207Toen sprak Jahweh tot Moses: Ga naar beneden, want uw volk, dat ge uit Egypte hebt geleid, is diep bedorven.
    3208Het heeft nu de weg al verlaten, die Ik het heb voorgeschreven. Zij hebben zich een kalf gegoten, aanbidden het, brengen het offers, en roepen: IsraŽl, dit is uw God, die u uit Egypte heeft geleid!
    3209En Jahweh vervolgde tot Moses: Ik heb nu gemerkt, wat voor volk het is: een halsstarrig volk.
    3210Laat Mij dus begaan, en mijn woede op hen koelen; Ik zal ze vernietigen en dan van u een groot volk maken.
    3211Maar Moses trachtte Jahweh, zijn God, te vermurwen, en sprak: Ach, Jahweh, waarom zoudt Gij uw woede koelen op uw volk, dat Gij met grote kracht en sterke hand uit Egypte hebt geleid?
    3212Waarom zouden de Egyptenaren zeggen: Met opzet heeft Hij hen weggeleid, om hen in de bergen te doen omkomen en hen van de aarde te verdelgen! Laat toch uw ziedende gramschap bedaren, en trek het onheil weer terug van uw volk.
    3213Gedenk toch uw dienaren Abraham, Isašk en IsraŽl, wien Gij bij Uzelf hebt gezworen: Ik zal uw kroost talrijk maken als de sterren aan de hemel, en hun heel dit land schenken, dat Ik hun heb beloofd, en zij zullen het als erfdeel bezitten voor eeuwig.
    3214Toen kreeg Jahweh spijt over het onheil, waarmee Hij zijn volk had bedreigd.
    3215Nu daalde Moses af van de berg met de beide tafelen van het Verbond in de hand, die aan beide zijden, van voren en van achteren, waren beschreven.
    3216Die tafelen waren Gods eigen werk, en het schrift in die tafelen gegrift, was Gods eigen schrift.
    3217Toen JosuŽ het volk hoorde joelen, zei hij tot Moses: Er is strijdrumoer in de legerplaats.
    3218Maar Moses antwoordde: Dit zijn geen overwinningskreten noch kreten bij een nederlaag; maar ik hoor zingen.
    3219Toen Moses de legerplaats was genaderd, en het kalf en de reidansen zag, barstte zijn gramschap los, wierp hij de tafelen uit zijn handen en smeet ze tegen de voet van de berg aan stukken.
    3220Daarop greep hij het kalf, dat ze hadden gemaakt, verbrandde het, vergruizelde het tot stof, en strooide dit op het water, dat hij de IsraŽlieten liet drinken.
    3221Toen zei Moses tegen Ašron: Wat heeft dit volk u toch gedaan, dat ge het met zulk een zware schuld hebt beladen?
    3222Ašron antwoordde: Laat mijn heer niet toornig worden; gij weet toch zelf, hoe slecht dat volk is.
    3223Ze zeiden tot mij: Maak ons een god, die voor ons uittrekt; want we weten niet, wat er met Moses is gebeurd, den man, die ons uit Egypte heeft geleid.
    3224Toen sprak ik tot hen: Wie goud heeft, moet er zich van ontdoen. En ze gaven het mij; ik wierp het in het vuur, en dit kalf kwam er uit.
    3225Toen Moses zag hoe bandeloos het volk was geworden, omdat Ašron de teugels had laten schieten tot leedvermaak van hun vijanden,
    3226ging hij aan de ingang van de legerplaats staan, en riep: Wie voor Jahweh is, hierheen! Alle zonen van Levi schaarden zich om hem heen.
    3227Hij sprak tot hen: Zo spreekt Jahweh IsraŽls God! Gordt allen uw zwaard aan! Trekt heen en weer de legerplaats door van de ene poort naar de andere, en slaat broeder, vriend en kennis dood.
    3228De zonen van Levi deden, wat Moses gelastte, en zo vielen er op die dag van het volk ongeveer drieduizend man.
    3229Nu sprak Moses: Ge hebt u heden aan Jahweh gewijd, iedereen ten koste van zijn zoon en zijn broeder; zo hebt ge u heden zegen verworven.
    3230De volgende dag sprak Moses tot het volk: Ge hebt een zware zonde bedreven. Maar ik wil omhoog naar Jahweh gaan; misschien dat ik nog vergiffenis voor uw zonden kan krijgen.
    3231En Moses keerde naar Jahweh terug, en sprak: Ach Jahweh, het volk heeft zwaar gezondigd; zij hebben zich een god van goud gemaakt.
    3232Maar vergeef toch hun zonden, of schrap mij uit het boek, dat Gij hebt geschreven.
    3233Jahweh gaf Moses ten antwoord: Ik schrap hem uit mijn boek, die tegen Mij heeft gezondigd!
    3234Ga nu, en leid het volk naar de plaats, waarvan Ik u gesproken heb. Zie, een engel zal wel voor u uitgaan; maar als de dag voor mijn wraak is gekomen, zal Ik hen voor hun zonden straffen.
    3235Zo kastijdde Jahweh het volk, omdat zij Ašron het kalf hadden laten maken.
    3301En Jahweh vervolgde tot Moses: Ga, trek op van hier met het volk, dat gij uit Egypte hebt geleid, naar het land, dat Ik Abraham, Isašk en Jakob onder ede beloofd heb aan hun nageslacht te zullen schenken.
    3302Ik zal dus een engel voor u uitzenden, die de Kanašnieten, Amorieten, Chittieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten zal verdrijven,
    3303en u voeren naar het land, dat van melk en honing overvloeit. Maar Ik trek zelf niet in uw midden mee, want ge zijt een weerbarstig volk, en Ik zou u misschien onderweg nog verdelgen.
    3304Toen het volk deze vreselijke tijding vernam, bedreven zij rouw, en niemand deed zijn sieraden aan.
    3305Toen sprak Jahweh tot Moses: Zeg aan de IsraŽlieten: Gij zijt een weerbarstig volk; als Ik slechts een ogenblik in uw midden meetrok, zou Ik u verdelgen; maar leg uw sieraden af, dan zal Ik zien, wat Ik voor u kan doen.
    3306Daarom droegen de IsraŽlieten van de berg Horeb af geen sieraden meer.
    3307Daarom nam Moses zijn tent, sloeg ze op enige afstand buiten de legerplaats op, en noemde ze openbaringstent; en iedereen, die Jahweh wilde raadplegen, moest zich naar de openbaringstent begeven, die buiten de legerplaats lag.
    3308Telkens nu als Moses zich naar de tent begaf, kwam al het volk aan de ingang van zijn tenten staan en staarde Moses na, tot hij de tent was binnengegaan.
    3309Zodra Moses dan binnen de tent was gekomen, daalde de wolkkolom neer, en plaatste zich voor de ingang van de tent, waar Jahweh dan met Moses sprak.
    3310Wanneer nu het hele volk de wolkkolom aan de ingang van de tent zag geplaatst, stond het hele volk overeind, en wierpen allen zich aan de ingang van hun tenten neer.
    3311Dan sprak Jahweh tot Moses van aanschijn tot aanschijn, zoals iemand spreekt met zijn vriend; daarna keerde Moses naar de legerplaats terug, terwijl zijn dienaar, de jeugdige JosuŽ, de zoon van Noen, de tent nooit verliet.
    3312Moses sprak tot Jahweh: Zie, Gij beveelt mij, dit volk te doen optrekken, maar Gij laat me niet weten, wien Gij met mij mee zult zenden. Toch hebt Gij mij gezegd: Ik heb u uitverkoren, en gij hebt genade gevonden in mijn ogen.
    3313Welnu, als ik genade heb gevonden in uw ogen, maak mij dan uw plannen bekend, opdat ik kan zien, of ik genade heb gevonden in uw ogen, en wete, of dit volk het uwe nog is.
    3314Nu sprak Hij: Moet Ik dan zelf met u mee, om u tevreden te stellen?
    3315Moses antwoordde Hem: Wanneer Gij zelf niet met ons meegaat, doe ons dan niet van hier vertrekken.
    3316Waaraan zal men anders erkennen, dat ik met uw volk genade gevonden heb in uw ogen, en dat ik en uw volk uitverkoren zijn onder alle volken der aarde, tenzij Gij met ons optrekt?
    3317Toen sprak Jahweh tot Moses: Ook dit verzoek sta Ik u toe; want gij hebt genade gevonden in mijn ogen, en Ik heb u uitverkoren.
    3318Nu vroeg Moses: Laat mij dan uw Glorie aanschouwen.
    3319Hij antwoordde: Ik zal al mijn Majesteit aan u doen voorbijgaan, en ten aanhoren van u de naam Jahweh uitroepen; want Ik ben genadig, wien Ik genadig, en barmhartig, wien Ik barmhartig wil zijn.
    3320En Hij ging voort: Mijn aanschijn kunt ge niet aanschouwen, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven.
    3321En Jahweh vervolgde: Bij Mij is een plaats, waar gij op de rots kunt staan.
    3322Wanneer mijn Glorie zal voorbijgaan, zal Ik u in een rotsholte plaatsen, en met mijn hand u bedekken, tot Ik voorbij ben.
    3323Dan neem Ik mijn hand van u weg, en kunt ge Mij van achteren zien; want mijn aanschijn kan niemand aanschouwen.
    3401Daarna sprak Jahweh tot Moses: Houw u twee stenen tafelen, zoals de vorige; dan zal Ik er de woorden opschrijven, die op de vorige tafelen stonden, welke gij hebt verbrijzeld.
    3402Zorg, dat gij tegen de morgen gereed zijt; bestijg dan de berg SinaÔ, en blijf daar op de top van de berg op Mij wachten.
    3403Maar niemand mag met u mee, niemand mag op heel de berg worden gezien; zelfs mogen er geen schapen en runderen weiden in de nabijheid van de berg.
    3404Moses hakte dus twee stenen tafelen, gelijk aan de eerste, besteeg vroeg in de morgen de berg SinaÔ, zoals Jahweh het hem had bevolen, en nam de twee stenen tafelen met zich mee.
    3405Toen daalde Jahweh neer in de wolk, terwijl Moses daar op Hem wachtte en Jahweh aanriep bij zijn Naam.
    3406Nu ging Jahweh hem voorbij, en Jahweh riep: Jahweh is een barmhartige en ontfermende God, lankmoedig, vol van liefde en trouw,
    3407die duizenden genade bewijst, die misdaden, fouten en zonden vergeeft, zonder ze ongestraft te laten, maar de zonden der vaderen op de zonen en kleinzonen wreekt tot in het derde en vierde geslacht.
    3408Haastig wierp Moses zich op zijn knieŽn, boog zich ter aarde,
    3409en sprak: Heer, zo ik genade gevonden heb ik uw ogen, Heer, trek dan mee op, te midden van ons. Zeker het is een weerbarstig volk; maar vergeef ons onze zonde en schuld, en neem ons als uw erfdeel aan.
    3410Hij sprak: Zie, Ik sluit een Verbond met u. Ten aanschouwen van heel uw volk zal Ik wonderdaden verrichten, zoals er nog nooit op de ganse aarde en onder enig volk zijn gewrocht; en heel het volk, waaronder gij leeft, zal het werk van Jahweh zien. Ja, ontzaglijk zal het zijn, wat Ik voor u ga verrichten!
    3411Onderhoud slechts, wat Ik u heden gebied; dan drijf Ik de Amorieten, Kanašnieten, Chittieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten voor u uit.
    3412Wacht u ervoor, een verbond te sluiten met de bewoners van het land, waar gij heen trekt, opdat zij onder u geen valstrik worden.
    3413Neen, gij moet hun altaren verwoesten, hun wijstenen omverwerpen en hun heilige bomen omhakken.
    3414Gij zult geen vreemden god aanbidden; want Jahweh wordt ijverzuchtig genoemd, en Hij is een naijverige God.
    3415Sluit geen verbond met de inwoners van het land, die ontuchtig hun goden achterna lopen, en aan hun goden offers brengen. Want anders nodigen zij u daarbij uit, en zoudt gij van hun altaren eten;
    3416gij zoudt hun dochters als vrouwen voor uw zonen nemen, en hun dochters, die ontuchtig haar goden achterna lopen, zouden ook uw zonen daartoe verleiden.
    3417Gij moogt u geen gegoten godenbeeld maken.
    3418Gij moet het feest der ongedesemde broden vieren. Op de vastgestelde tijd van de maand Abib zult ge zeven dagen lang ongedesemd brood eten, zoals Ik u bevolen heb; want in de maand Abib zijt ge uit Egypte getrokken.
    3419Al wat de moederschoot opent, behoort aan Mij: ieder eerstgeboren mannelijk dier van uw kudde, zowel van runderen als van schapen;
    3420alleen het eerstgeboren ezelsjong zult ge loskopen met een lam, of het anders de nek breken. Maar al de eerstgeborenen van uw zonen moet ge loskopen, en zij zullen niet met lege handen voor Mij verschijnen.
    3421Zes dagen moogt ge werken, maar op de zevende dag zult gij rusten; zelfs in de ploeg(-) en oogsttijd zult ge dan rusten.
    3422Bij de eerstelingen van de tarweoogst zult ge het feest der weken vieren: en het plukfeest bij de wisseling van het jaar.
    3423Drie maal per jaar moeten alle mannen onder u voor den Heer Jahweh, den God van IsraŽl, verschijnen.
    3424En wanneer Ik de heidenen voor u heb verdreven en u een uitgestrekt grondgebied heb geschonken, zal niemand uw land zelfs begeren, terwijl gij driemaal per jaar optrekt, om voor Jahweh, uw God, te verschijnen.
    3425Gij zult het bloed van wat Mij is geofferd, niet tegelijk met gedesemd brood ten offer brengen. Van het paasoffer mag niets tot de volgende morgen worden bewaard.
    3426De eerste vruchten van uw akkers moet ge naar het huis van Jahweh, uw God, brengen. Gij moogt het geitje niet koken in de melk van zijn moeder.
    3427Nu sprak Jahweh tot Moses: Schrijf deze geboden op; want op grond van deze geboden, sluit Ik met u en IsraŽl een Verbond.
    3428En Moses bleef daar met Jahweh veertig dagen en veertig nachten, zonder te eten of te drinken, en Hij schreef op de tafelen de bepalingen van het Verbond: de tien geboden.
    3429Daarna daalde Moses van de berg SinaÔ af, met de tafelen van het Verbond in zijn hand. Terwijl Moses van de berg afdaalde, wist hij niet, dat de huid van zijn aangezicht straalde, omdat hij met Jahweh gesproken had.
    3430Toen Ašron en al de IsraŽlieten zagen, dat de huid van Moses? aangezicht straalde, durfden zij hem niet naderen.
    3431Eerst toen Moses hen riep, kwamen Ašron en al de leiders van de gemeenschap bij hem, en sprak Moses hun toe.
    3432Nu durfden ook de andere IsraŽlieten naderen, en deelde Moses hun alles mee, wat Jahweh hem op de berg SinaÔ bevolen had.
    3433Toen Moses zijn toespraak beŽindigd had, legde hij een sluier over zijn gelaat.
    3434En telkens wanneer Moses voor Jahweh verscheen om met Hem te spreken, verwijderde hij de sluier, tot hij weer heenging. Maar als hij dan naar buiten trad, om de IsraŽlieten alle bevelen mede te delen,
    3435en dezen zagen hoe de huid van Moses? aangezicht straalde, legde Moses de sluier over zijn gelaat, totdat hij weer naar binnen ging, om met God te spreken.
    3501Nu riep Moses de hele gemeenschap der IsraŽlieten bijeen, en sprak: Dit zijn de geboden, die Jahweh u beveelt te onderhouden.
    3502Zes dagen kunt ge arbeid verrichten, maar op de zevende dag moet gij een heilige sabbat van volkomen rust ter ere van Jahweh houden. Iedereen, die op die dag arbeid verricht, moet sterven;
    3503zelfs geen vuur moogt ge op de sabbat in uw woningen aansteken.
    3504En Moses vervolgde tot heel de gemeenschap der IsraŽlieten: Dit heeft Jahweh bevolen!
    3505Gij moet van uw bezit een bijdrage voor Jahweh afstaan. Iedereen, wien het hart het ingeeft, moet Jahweh geschenken brengen: goud, zilver en brons,
    3506violet, purper en karmozijn, getwijnd lijnwaad en geitenhaar;
    3507roodgeverfde ramsvellen, gelooide huiden en acaciahout;
    3508olie voor de lampen en specerijen voor de zalfolie en voor de geurige wierook;
    3509onyxstenen en andere edelstenen, om er het borstkleed en de borsttas mee te bezetten.
    3510Alle kunstenaars, die er onder u zijn, moeten opkomen, en alles vervaardigen, wat Jahweh bevolen heeft:
    3511de tabernakel met zijn tent en bedekking, zijn haken, schotten en bindlatten, zijn palen met hun voetstukken;
    3512de ark met haar handbomen, het verzoendeksel en het voorhangsel;
    3513de tafel en haar handbomen en al wat er bij hoort, en de toonbroden;
    3514de kandelaar met haar benodigdheden, de lampen en de olie voor de kandelaar;
    3515het reukofferaltaar met zijn handbomen; de zalfolie en de geurige wierook; het tapijt voor de ingang van de tabernakel;
    3516het brandofferaltaar met zijn bronzen rasterwerk, zijn handbomen en al zijn benodigdheden; het bekken met zijn onderstel;
    3517de gordijnen rond de voorhof met hun palen en voetstukken, en het tapijt voor de ingang van de voorhof;
    3518de pinnen voor de tabernakel en de pinnen voor de voorhof met haar touwen;
    3519de ambtsgewaden, om in het heiligdom de priesterdienst te verrichten, de heilige gewaden voor den priester Ašron en de priestergewaden voor zijn zonen.
    3520Toen ging heel de gemeenschap der IsraŽlieten van Moses heen;
    3521en iedereen, wien het hart het ingaf en die zich daartoe voelde aangetrokken, kwam Jahweh geschenken brengen voor de bouw van de openbaringstent, voor de eredienst en de heilige gewaden.
    3522Zowel mannen als vrouwen brachten geschenken, iedereen, wien het hart het ingaf. Iedereen, die Jahweh een wijgeschenk van goud wilde aanbieden, bracht gespen, oorringen, vingerringen, halsketens en allerlei andere gouden sieraden.
    3523Iedereen, die violet, purper en karmozijn, lijnwaad en geitenhaar, roodgeverfde ramsvellen of gelooide huiden bezat, kwam het brengen.
    3524Iedereen, die een geschenk van zilver of koper wilde aanbieden, bracht het als een gave voor Jahweh; en iedereen, die acaciahout bezat, dat overal bij het werk nodig kon zijn, bracht dat.
    3525Alle kunstzinnige vrouwen begonnen eigenhandig te spinnen, en brachten wat ze gesponnen hadden: violet, purper, karmozijn en lijnwaad;
    3526en alle vrouwen, die door haar vaardigheid er lust in vonden, sponnen het geitenhaar.
    3527De leiders brachten onyxstenen en edelstenen, om er het borstkleed en de borsttas mee te bezetten;
    3528bovendien de specerijen, de olie voor de kandelaar, de zalfolie en de geurige wierook.
    3529Zo brachten de kinderen IsraŽls Jahweh hun vrijwillige gaven; alle mannen en vrouwen, wie het hart het ingaf, om bij te dragen voor heel het werk, dat Jahweh door Moses bevolen had te verrichten.
    3530Daarop sprak Moses tot de IsraŽlieten: Ziet, Jahweh heeft Besalel, den zoon van Oeri, zoon van Choer, uit de stam van Juda uitverkoren,
    3531en hem met Gods geest vervuld: met wijsheid en inzicht, met kennis en vaardigheid,
    3532om ontwerpen te maken en in goud, zilver of brons uit te voeren,
    3533om edelstenen te graveren en te zetten, hout te bewerken, en allerlei kunstzinnige arbeid te verrichten.
    3534Hem en Oholiab, den zoon van Achisamak, uit de stam van Dan, heeft Hij geschikt gemaakt, om leiding te geven,
    3535en vakkennis verleend, om alle soort arbeid te laten verrichten, zowel het werk van ambachtslieden als van kunstenaars, het werk van wevers van violet, purper, karmozijn en lijnwaad, als dat van eenvoudige wevers. Zij zullen dus zowel de uitvoerders zijn van het hele werk, als de ontwerpers ervan.
    3601Besalel zal dus het werk voltooien, geholpen door Oholiab en alle kunstenaars, aan wie Jahweh bekwaamheid en inzicht verleend heeft, om met beleid alles te vervaardigen voor de bouw van het heiligdom, juist zoals Jahweh het bevolen heeft.
    3602Nu riep Moses Besalel en Oholiab en alle kunstenaars op, wie Jahweh bekwaamheid had geschonken: allen die zich bezield gevoelden, om aan het werk te gaan en het uit te voeren.
    3603En onder toezicht van Moses namen zij alle geschenken in ontvangst, die de IsraŽlieten brachten voor de bouw van het heiligdom. Maar toen men hem iedere morgen opnieuw gaven bleef brengen,
    3604staakten al de kunstenaars, die de verschillende werkzaamheden aan het heiligdom moesten verrichten, een voor een het werk, waarmee zij bezig waren,
    3605en zeiden tot Moses: Het volk brengt veel meer dan nodig is voor de uitvoering van het werk, dat Jahweh gelast heeft.
    3606Daarom beval Moses, in het kamp af te kondigen: Niemand, man noch vrouw, behoeft nog iets te vervaardigen als geschenk voor het heiligdom! Zo moest het volk er van worden afgehouden, verdere geschenken te brengen.
    3607Wat al vervaardigd was, was voldoende en meer dan voldoende, om het hele werk ten uitvoer te brengen.
    3608Nu begonnen alle kunstenaars onder de werklieden de tabernakel te maken. Ze vervaardigden hem uit tien banen van getwijnd lijnwaad, van violet, purper en karmozijn, met cherubs versierd.
    3609De lengte van een baan was acht en twintig el, de breedte vier el; alle banen hadden dezelfde afmetingen.
    3610Men hechtte de banen vijf bij vijf aan elkander,
    3611en maakte violetkleurige lussen aan de zoom van de eerste baan van het ene stel en eveneens aan de zoom van de laatste baan van het andere stel.
    3612Vijftig lussen maakte men aan de baan van het ene stel en vijftig lussen aan de zoom van de laatste baan van het andere stel, zodat de lussen tegenover elkander kwamen te zitten.
    3613Vervolgens maakte hij vijftig gouden haken, en hechtte de banen met die haken aaneen, zodat de tabernakel een geheel werd.
    3614Daarna maakte hij banen van geitenhaar voor de tent over de tabernakel; hij maakte elf van deze banen.
    3615De lengte van een baan bedroeg dertig el en de breedte vier el; alle elf banen hadden dezelfde afmetingen.
    3616Vijf van die banen hechtte hij afzonderlijk aan elkander vast, en eveneens de zes andere afzonderlijk.
    3617Dan maakte hij vijftig lussen aan de zoom van de laatste baan van het ene stel en evenzo vijftig lussen aan de zoom van de laatste baan van het andere stel;
    3618vervolgens maakte hij vijftig bronzen haken, om de tent zo samen te voegen, dat ze een geheel werd.
    3619Vervolgens maakte hij over deze tent een dek van roodgeverfde ramsvellen, en nog een dekkleed van gelooide huiden daar overheen.
    3620Daarna vervaardigde hij voor de tabernakel rechtopstaande schotten van acaciahout.
    3621Ieder schot was tien el hoog, en anderhalve el breed,
    3622en onder ieder schot zaten twee pennen, recht naast elkaar. Zo deed hij met alle schotten van de tabernakel.
    3623Voor de zuidkant van de tabernakel maakte hij twintig schotten,
    3624en onder die twintig schotten maakte hij veertig zilveren voetstukken, zodat er zich telkens twee onder ieder schot bevonden voor de beide pennen.
    3625Voor de andere wand van de tabernakel dus aan de noordkant, maakte hij eveneens twintig schotten
    3626met hun veertig zilveren voetstukken, telkens twee onder ieder schot.
    3627Voor de achterkant van de tabernakel, dus in het westen, maakte hij zes schotten;
    3628daarenboven voor de beide hoeken van de achterwand van de tabernakel twee schotten,
    3629die van onderen in elkander grepen, en evenzo van boven bij de eerste kram. Zo deed hij voor die twee, daar zij beiden de hoekstukken vormden.
    3630Er waren dus acht schotten met hun zestien zilveren voetstukken, telkens twee voetstukken onder ieder schot.
    3631Vervolgens maakte hij bindlatten van acaciahout, vijf voor de schotten van de ene zijwand van de tabernakel,
    3632en vijf voor de schotten van de andere zijwand van de tabernakel, en ook vijf voor de schotten aan de achterwand van de tabernakel, in het westen.
    3633De middelste bindlat maakte hij zo, dat zij midden over de schotten liep van het ene einde tot het andere.
    3634De schotten bekleedde hij met goud; de krammen, waarin de bindlatten rustten, maakte hij van goud; de bindlatten zelf overtrok hij weer met goud.
    3635Daarna maakte hij het voorhangsel van violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad, met cherubs versierd.
    3636Hij maakte daarvoor vier palen van acaciahout, die hij met goud besloeg, met gouden ringen eraan en goot er vier zilveren voetstukken voor.
    3637Ten slotte vervaardigde hij voor de ingang van de Tent een tapijt van violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad, met fijn borduurwerk versierd;
    3638daarbij de vijf palen met hun ringen. De koppen en banden der palen overtrok hij met goud, terwijl de vijf voetstukken van brons waren.
    3701Vervolgens maakte Besalel de ark van acaciahout. twee en een halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog.
    3702Hij bekleedde haar van binnen en van buiten met zuiver goud, en maakte er loofwerk van goud omheen.
    3703Hij goot er vier gouden krammen voor, boven aan de vier poten, twee krammen dus aan iedere kant.
    3704Hij maakte handbomen van acaciahout, die hij met goud besloeg.
    3705Die handbomen stak hij door de krammen aan weerskanten van de ark, om daarmee de ark te dragen.
    3706Daarna maakte hij een verzoendeksel van zuiver goud, twee en een halve el lang en anderhalve el breed.
    3707Aan de beide uiteinden van het verzoendeksel maakte hij twee gouden cherubs, als drijfwerk.
    3708Een cherub sloeg hij uit aan het ene einde, en een cherub aan het andere einde; zo sloeg hij in het verzoendeksel zelf aan beide uiteinden de cherubs uit.
    3709De cherubs spreidden hun vleugels omhoog, en overspanden met hun vleugels het verzoendeksel; ze stonden tegenover elkander terwijl hun gezichten naar het verzoendeksel waren gericht.
    3710Vervolgens vervaardigde hij de tafel van acaciahout, twee ellen lang, een el breed en anderhalve el hoog.
    3711Hij overtrok haar met zuiver goud, en maakte er loofwerk van goud omheen.
    3712Hij maakte daar een lijst omheen van een hand breed, en om die lijst loofwerk van goud.
    3713Ook goot hij vier gouden krammen en bevestigde die aan de vier hoeken bij de vier poten.
    3714Die krammen zaten vlak bij de lijst, om er de handbomen door te steken, waaraan de tafel gedragen werd.
    3715De handbomen van de tafel maakte hij van acaciahout, en besloeg ze met goud.
    3716Bovendien maakte hij het vaatwerk dat bij de tafel behoort, de schotels, kannen, schalen en bekers, waarmee men de plengoffers brengt, van zuiver goud.
    3717Daarna maakte hij de kandelaar van zuiver goud. Hij vervaardigde de kandelaar als drijfwerk: zijn voetstuk, schacht, zijn bloemkelken, knoppen en bloesems uit ťťn stuk.
    3718Zes armen staken terzijde uit, drie armen aan de ene kant van de kandelaar en drie armen aan de andere kant.
    3719Aan iedere arm zaten drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem, knoppen en bloesems; dus aan de zes armen, die uit de kandelaar staken, op dezelfde manier.
    3720Aan de kandelaar zelf zaten vier bloemkelken in de vorm van amandelbloesem, knoppen en bloesems;
    3721onder de drie paar armen zat telkens een knop, waar de zes armen uit de kandelaar schoten.
    3722De knoppen en armen waren met de kandelaar uit ťťn stuk: het geheel ťťn stuk drijfwerk van zuiver goud.
    3723Bovendien maakte hij de zeven lampen, die er bij horen, met de snuiters en bakjes, van zuiver goud.
    3724Hij gebruikte voor het vervaardigen van de kandelaar en alles wat er bij hoort, een talent zuiver goud.
    3725Vervolgens maakte hij het reukofferaltaar van acaciahout, een el lang en een el breed, dus vierkant, en twee ellen hoog. De hoornen maakten er ťťn geheel mee uit.
    3726Hij overtrok het met zuiver goud, zowel het bovenvlak als alle zijkanten en de hoornen, en maakte er loofwerk van goud omheen.
    3727Onder dat loofwerk bracht hij aan weerskanten twee gouden krammen aan, die moesten dienen voor de handbomen, waarmee het gedragen werd.
    3728De handbomen maakte hij van acaciahout en besloeg ze met goud.
    3729Nog bereidde hij de heilige zalfolie en de wierook van zuivere specerijen, volgens de regels der kunst gemengd.
    3801Vervolgens maakte hij het brandofferaltaar van acaciahout, vijf ellen lang en vijf ellen breed, dus vierkant, en drie ellen hoog.
    3802Op de vier hoeken maakte hij de hoornen, die met het altaar uit ťťn stuk waren, en hij besloeg ze met brons.
    3803Hij maakte ook al de benodigdheden voor het altaar: de bakken, schoppen, schalen, vorken en vuurpotten; al die benodigdheden maakte hij van brons.
    3804Hij maakte aan het altaar een netvormig rasterwerk van brons beneden onder het raam tot halverhoogte.
    3805Dan goot hij vier krammen voor de vier hoeken van het bronzen rasterwerk, om er de handbomen door te steken;
    3806deze maakte hij van acaciahout en besloeg ze met brons.
    3807Hij stak ze door de krammen aan de zijden van het altaar, om het daarmee te dragen. Het altaar maakte hij hol en van planken.
    3808Daarna maakte hij nog het bronzen bekken met een bronzen onderstel van de spiegels der vrouwen, die dienst deden aan de ingang van de openbaringstent.
    3809Tenslotte maakte hij de voorhof. Aan de zuidkant werd hij afgezet met gordijnen van getwijnd lijnwaad over een lengte van honderd el.
    3810Hij hing ze aan twintig palen op twintig bronzen voetstukken; de ringen en banden der palen waren van zilver.
    3811Aan de noordzijde hing hij eveneens gordijnen over een lengte van honderd el aan twintig palen op hun twintig bronzen voetstukken; de ringen en banden der palen waren van zilver.
    3812Aan de westkant hing hij gordijnen over een lengte van vijftig el, aan tien palen op hun tien voetstukken; de ringen en banden der palen waren van zilver.
    3813De voorzijde, ten oosten, had een lengte van vijftig el.
    3814De ene hoek was afgezet met gordijnen over een lengte van vijftien el aan drie palen op hun drie voetstukken.
    3815De andere hoek naast de ingang van de voorhof was eveneens afgezet met gordijnen over een lengte van vijftien el, aan drie palen op hun drie voetstukken.
    3816Alle gordijnen rond de voorhof waren van getwijnd lijnwaad;
    3817de voetstukken der palen waren van brons, de ringen en banden der palen van zilver; de koppen waren met zilver beslagen, en alle palen van de voorhof waren van zilveren banden voorzien.
    3818Het tapijt voor de ingang van de voorhof was een kunstig weefsel van violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad, twintig el lang, en vijf el hoog of breed, evenals de gordijnen van de voorhof.
    3819De vier palen met hun voetstukken waren van brons: de ringen, koppen en banden van zilver.
    3820Al de pinnen van de tabernakel en van de voorhof rondom waren van brons.
    3821Dit is de berekening der kosten van de tabernakel, de verbondstabernakel, die op bevel van Moses door de Levieten onder leiding van Itamar, den zoon van den priester Ašron, werd opgemaakt.
    3822Besalel, de zoon van Oeri, zoon van Choer, uit de stam van Juda, had alles vervaardigd, wat Jahweh aan Moses bevolen had;
    3823en Oholiab, de zoon van Achisamak, uit de stam van Dan, en de ambachtslieden, kunstenaars en wevers van violet, purper, karmozijn en lijnwaad hadden hem ter zijde gestaan.
    3824Al het goud, dat gebruikt werd voor de volledige afbouw van het heiligdom, bestond uit goud, dat vrijwillig bijeen was gebracht, en bedroeg negen en twintig talenten en zeven honderd dertig sikkels volgens het heilig gewicht.
    3825Het zilver, dat de monstering van de gemeenschap had opgebracht, bedroeg honderd talenten en zeventienhonderd vijf en zeventig sikkels volgens het heilig gewicht.
    3826Het had ťťn beka per hoofd bedragen, de helft van de sikkel, volgens het heilig gewicht, voor iedereen die op de monsterrol was gekomen, dus voor iederen man van de ouderdom van twintig jaar en daarboven: zeshonderd drie duizend vijfhonderd vijftig man in het geheel.
    3827Deze honderd talenten zilver dienden, om de voetstukken van het heiligdom en van het voorhangsel te gieten; honderd talenten voor honderd voetstukken, dus per voetstuk ťťn talent.
    3828Van de zeventienhonderd vijf en zeventig sikkels maakte hij de ringen voor de palen, besloeg hij hun koppen, en maakte hij er banden omheen.
    3829Het brons dat vrijwillig bijeen was gebracht, bedroeg zeventig talenten en vier en twintig honderd sikkels.
    3830Daarvan maakte hij de voetstukken voor de ingang van de openbaringstent, het bronzen altaar, zijn bronzen rasterwerk, en al de benodigdheden voor het altaar;
    3831bovendien de voetstukken van de voorhof rondom en de voetstukken voor de ingang van de voorhof, al de pinnen van de tabernakel en de pinnen van de voorhof rondom.
    3901De ambtsgewaden voor de dienst in het heiligdom vervaardigde men van violet, purper en karmozijn; men vervaardigde de heilige gewaden van Ašron juist zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    3902Hij maakte het borstkleed van goud, violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad.
    3903Zij pletten het goud tot bladen en sneden het tot draden, om die kunstig tussen het violet, purper, karmozijn en het lijnwaad te weven.
    3904De schouderbanden, die onderling verbonden waren, hechtte hij aan de twee uiteinden daarvan vast.
    3905De band, die het borstkleed omsloot, was uit ťťn stuk, en van hetzelfde maaksel: van goud, violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    3906De beide onyxstenen, waarin de namen van IsraŽls zonen waren gegrift, zoals men in zegelstenen snijdt, vatte men in gouden zettingen.
    3907Hij hechtte ze op de schouderbanden van het borstkleed als gedachtenisstenen voor IsraŽls zonen, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    3908Hij maakte de borsttas kunstig bewerkt van dezelfde stof als het borstkleed: van goud, violet, purper, karmozijn, en getwijnd lijnwaad.
    3909De borsttas was vierkant, en men vouwde haar dubbel; en dubbelgevouwen was zij een span lang en een span breed.
    3910Men bezette haar met vier rijen edelstenen; op de eerste rij: een robijn, een topaas en een smaragd;
    3911op de tweede rij: een karbonkel, een saffier en een sardonix;
    3912op de derde rij: een hyacint, een agaat en een ametist;
    3913en op de vierde rij: een chrysoliet, een onyx en een jaspis. Bij het zetten werden ze in gouden zettingen gevat.
    3914Deze stenen beantwoordden aan de namen van IsraŽls zonen; ze waren evenals hun namen twaalf in getal, en in iedere steen was de naam van ťťn der twaalf stammen gegrift, zoals men een zegel snijdt.
    3915Aan de borsttas maakte men kettinkjes van zuiver goud als koorden gevlochten.
    3916Men vervaardigde ook twee gouden ringen, die men aan de beide boveneinden van de borsttas vasthechtte.
    3917Dan bevestigde men de twee gouden snoeren aan de beide ringen, die aan de boveneinden van de borsttas zaten.
    3918De beide einden van de twee snoeren maakte men aan de beide zettingen vast, en hechtte ze aan de voorkant der schouderbanden van het borstkleed.
    3919Vervolgens maakte men nog twee gouden ringen, en bevestigde die aan de beide benedeneinden van de borsttas en wel aan de binnenrand, die tegen het borstkleed lag;
    3920bovendien nog twee gouden ringen, die men onder aan de voorkant van het borstkleed hechtte, boven de band van het borstkleed en vlak bij de sluiting.
    3921Dan bond men de ringen van de borsttas met een purperen snoer aan de ringen van het borstkleed vast, zodat de borsttas boven de band van het borstkleed bleef hangen, en niet op het borstkleed kon verschuiven: zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    3922Hij maakte over het borstkleed een kunstig geweven schoudermantel, geheel van violet.
    3923De opening van de mantel was in het midden als de hals van een wapenrok, en was rondom gezoomd, zodat ze niet kon inscheuren.
    3924Aan de onderrand van de schoudermantel bracht men violette, purperen en karmozijnen granaatappeltjes aan.
    3925Men maakte belletjes van zuiver goud, en zette die tussen de granaatappeltjes, rond de onderrand van de schoudermantel;
    3926dus om beurt telkens een belletje en een granaatappeltje rond de onderrand van de schoudermantel, die voor de eredienst was bestemd, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    3927Vervolgens maakte men voor Ašron en zijn zonen de tunieken van lijnwaad, kunstig bewerkt,
    3928de tulband en de hoofddoeken van lijnwaad, de linnen heupkleren van getwijnd lijnwaad,
    3929en de kunstig bewerkte gordel van getwijnd lijnwaad, van violet, purper en karmozijn, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    3930Tenslotte vervaardigde men de plaat, de heilige diadeem, van zuiver goud, en men grifte daarin, als in een zegel: Aan Jahweh gewijd.
    3931Met een purperen snoer maakte men ze aan de tulband vast, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    3932Zo werd heel het werk van de tabernakel, de openbaringstent, voltooid en voerden de IsraŽlieten alles nauwkeurig uit, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    3933Toen brachten zij de tabernakel naar Moses, de Tent met al haar toebehoren, de haken, schotten en bindlatten, en de palen met hun voetstukken;
    3934het dek van rood geverfde ramsvellen en het dekkleed van gelooide huiden en het afsluittapijt;
    3935de ark des Verbonds met haar handbomen en het verzoendeksel;
    3936de tafel met toebehoren en de toonbroden;
    3937de kandelaar van zuiver goud met zijn lampen er bovenop, met alle benodigdheden en de olie voor de kandelaar;
    3938het gouden altaar, de zalfolie, de geurige wierook en het tapijt voor de ingang van de Tent;
    3939het bronzen altaar met zijn bronzen rasterwerk, zijn handbomen en al wat er bij hoort; het wasbekken met zijn onderstel;
    3940de gordijnen en palen, met hun voetstukken voor de voorhof; het tapijt voor de ingang van de voorhof; de touwen en pinnen, en alles wat er nodig was voor de bouw van de tabernakel, de openbaringstent;
    3941de ambtsgewaden voor de eredienst in het heiligdom, de heilige gewaden voor den priester Ašron, en de priestergewaden voor zijn zonen.
    3942De kinderen IsraŽls hadden alles vervaardigd, juist zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    3943Toen Moses dan ook al het werk had gezien, en het bleek, dat zij alles volgens de bevelen van Jahweh hadden vervaardigd, zegende hij hen.
    4001Toen sprak Jahweh tot Moses:
    4002Op de eerste dag van de eerste maand moet ge de tabernakel, de openbaringstent, oprichten,
    4003de ark des Verbonds daarin plaatsen, en de ark door het voorhangsel aan het oog onttrekken.
    4004Breng dan de tafel naar binnen, leg er op neer, wat er op hoort, zet de kandelaar er in, en ontsteek de lampen;
    4005plaats het gouden reukofferaltaar voor de ark des Verbonds en hang het tapijt voor de ingang van de tabernakel.
    4006Plaats vervolgens het brandofferaltaar voor de ingang van de tabernakel, de openbaringstent,
    4007zet het bekken neer tussen de openbaringstent en het altaar, en vul het met water.
    4008Richt daar omheen de voorhof op, en hang het tapijt voor de ingang van de voorhof.
    4009Neem dan de zalfolie, zalf de tabernakel en al wat er in is, en wijd hem en alles wat er bij hoort; dan zal hij geheiligd zijn.
    4010Zalf ook het brandofferaltaar en al zijn benodigdheden en wijd het altaar; en het zal hoogheilig zijn.
    4011Zalf ook het bekken met zijn onderstel, en wijd het.
    4012Laat daarna Ašron en zijn zonen voor de ingang van de openbaringstent treden, en was hen met water.
    4013Bekleed dan Ašron met de heilige gewaden, en zalf en wijd hem; dan zal hij mijn priester zijn.
    4014Laat ook zijn zonen toetreden, en bekleed hen met de tunieken.
    4015Zalf hen, zoals gij hun vader hebt gezalfd; dan zullen zij mijn priesters zijn en door deze zalving het priesterschap eeuwig in hun geslacht bezitten.
    4016En Moses deed alles, juist zoals Jahweh het hem bevolen had.
    4017En in de eerste maand van het tweede jaar, op de eerste dag van de maand, werd de tabernakel opgericht.
    4018Moses richtte de tabernakel op; hij plaatste de voetstukken, zette de schotten er in, bevestigde de bindlatten, en richtte de palen op;
    4019hij spande de tent uit over de tabernakel, en legde het tentdek er over heen, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    4020Dan nam hij de verbondstafelen, legde ze in de ark, stak de handbomen aan de ark, legde het verzoendeksel op de ark,
    4021bracht de ark in de tabernakel, hing het voorhangsel op en onttrok zo de ark des Verbonds aan het oog, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    4022Daarna plaatste hij de tafel in de openbaringstent, aan de noordzijde van de tabernakel buiten het voorhangsel,
    4023schikte daarop de broden voor het aanschijn van Jahweh, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    4024Hij plaatste de kandelaar in de openbaringstent tegenover de tafel aan de zuidzijde van de tabernakel,
    4025en zette de lampen er op voor het aanschijn van Jahweh, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    4026Hij plaatste ook het gouden altaar in de openbaringstent voor het voorhangsel,
    4027en ontstak daarop de geurige wierook, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    4028Vervolgens hing hij het tapijt voor de ingang van de tabernakel,
    4029en plaatste het brandofferaltaar aan de ingang van de tabernakel, de openbaringstent, en offerde daarop het brand(-) en spijsoffer, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    4030Het bekken stelde hij tussen de openbaringstent en het altaar, en vulde het met water voor de wassingen;
    4031en Moses en Ašron en zijn zonen wasten hun handen en voeten er in,
    4032telkens wanneer zij de openbaringstent binnengingen of tot het altaar naderden, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
    4033Rond de tabernakel en het altaar richtte hij de voorhof op, en hing hij een tapijt voor de ingang van de voorhof. Zo voltooide Moses het werk.
    4034Toen bedekte de wolk de openbaringstent en vervulde Jahweh?s Glorie de tabernakel;
    4035en Moses kon de openbaringstent niet binnengaan, omdat de wolk daarop rustte en Jahweh?s Glorie de tabernakel vervulde.
    4036En telkens wanneer de wolk zich boven de tabernakel verhief, braken de IsraŽlieten op, om hun tocht te hervatten;
    4037maar zolang de wolk zich niet verhief, wachtten zij met het vertrekken tot het ogenblik, dat zij opsteeg.
    4038Want overdag rustte de wolk van Jahweh op de tabernakel, en des nachts was er een vuur in de wolk ten aanschouwen van heel het huis van IsraŽl op al zijn tochten.