• [dutch] 21
    Dutch Bible 1939
    (NLD1939)
  • Genesis Exodus Leviticus Numeri


    Genesis

    101In het begin schiep God hemel en aarde.
    102Maar de aarde was nog ongeordend en leeg, over de wereldzee heerste duisternis, en Gods Geest zweefde over de wateren.
    103God sprak: Daar zij licht. En er was licht.
    104En God zag, dat het licht goed was. Nu scheidde God het licht van de duisternis;
    105het licht noemde Hij dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Zo werd het avond en morgen: de eerste dag.
    106God sprak: Er zij een uitspansel tussen de wateren, om de wateren van elkander te scheiden. Zo geschiedde.
    107God maakte het uitspansel, en scheidde het water onder het uitspansel van het water daarboven;
    108het uitspansel noemde God hemel. Weer werd het avond en morgen: de tweede dag.
    109God sprak: Het water onder de hemel moet samenvloeien naar ťťn plaats, zodat het droge te voorschijn komt. Zo geschiedde.
    110Het droge noemde God aarde, het saamgevloeide water noemde Hij zee. En God zag, dat het goed was.
    111God sprak: De aarde moet groene planten voortbrengen, zaaddragend gewas en vruchtbomen, die zaadvruchten dragen op aarde, elk naar zijn soort. Zo geschiedde.
    112De aarde deed groene planten ontspruiten, zaaddragend gewas, en bomen, die zaadvruchten dragen, elk naar zijn soort. En God zag, dat het goed was.
    113Weer werd het avond en morgen: de derde dag.
    114God sprak: Er moeten lichten komen aan het hemelgewelf, om de dag en de nacht van elkaar te scheiden; zij moeten ook tot tekenen dienen voor vaste tijden, dagen en jaren;
    115en als lichten staan aan het hemelgewelf, om de aarde te verlichten. Zo geschiedde.
    116God maakte de beide grote lichten: het grootste licht om de dag te beheersen, en het kleinste om heerschappij te voeren over de nacht; bovendien de sterren.
    117God plaatste ze aan het hemelgewelf, om de aarde te verlichten,
    118om te heersen over de dag en de nacht, en om licht en duisternis van elkander te scheiden. En God zag, dat het goed was.
    119Weer werd het avond en morgen: de vierde dag.
    120God sprak: Laat het water krioelen van levend gewemel, en over de aarde de vogels vliegen langs het hemelgewelf.
    121Toen schiep God de grote zeegedrochten met al het levend gewemel, waarvan het water krioelt, elk naar zijn soort; en al de verschillende soorten van gevleugelde dieren. En God zag, dat het goed was.
    122Toen zegende God ze, en sprak: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u; bevolkt het water der zee, en laat ook de vogels zich op aarde vermeerderen.
    123Weer werd het avond en morgen: de vijfde dag.
    124God sprak: Laat de aarde levende wezens voortbrengen van allerlei soort; tamme dieren, kruipende dieren en beesten in het wild, elk naar zijn soort. Zo geschiedde.
    125God maakte de verschillende soorten van wilde en tamme dieren met al wat over de aarde kruipt. En God zag, dat het goed was.
    126God sprak: Laat ons den mens maken als ons beeld, op ons gelijkend; hij heerse over de vissen der zee, de vogels in de lucht, de viervoetige dieren, en over heel de aarde met alles, wat er op kruipt.
    127En God schiep den mens als zijn beeld. Als het beeld van God schiep Hij hem; Man en vrouw schiep Hij hen.
    128Toen zegende God ze, en sprak tot hen: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u; bevolkt de aarde en onderwerpt haar; heerst over de vissen der zee, de vogels in de lucht en over alle levende wezens, die zich op de aarde bewegen.
    129God sprak: Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de hele aarde, met alle bomen, die zaadvruchten dragen; die zullen u tot voedsel dienen.
    130Maar aan alle wilde beesten, aan alle vogels in de lucht, aan al wat beweegt en leeft op de aarde, geef Ik alle groene planten tot voedsel. Zo geschiedde.
    131En God zag dat alles, wat Hij gemaakt had, zeer goed was. Weer werd het avond en morgen: de zesde dag.
    201Zo werden hemel en aarde voltooid met heel hun heir.
    202En toen God op de zevende dag het werk had voltooid, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij had gedaan.
    203God zegende de zevende dag, en verklaarde die heilig, omdat God toen rustte van al het werk, dat Hij geschapen en tot stand had gebracht.
    204Dit is de scheppingsgeschiedenis van hemel en aarde. Toen Jahweh God aarde en hemel gemaakt had,
    205groeide er op aarde nog geen enkele struik in het wild, en evenmin ontsproot er gras op de velden; want Jahweh God had het nog niet laten regenen op aarde, en er was nog geen mens, om het land te bewerken;
    206maar een damp steeg op uit de aarde, die heel de aardbodem drenkte.
    207Toen vormde Jahweh God den mens uit kleiaarde, en blies levensadem in zijn neus; zo werd de mens een levend wezen.
    208Nu plantte Jahweh God een tuin in Eden, in het oosten, en plaatste daarin den mens, dien Hij gemaakt had.
    209Uit de bodem liet Jahweh God allerlei bomen opschieten, prachtig van vorm en met heerlijke vruchten; en midden in de tuin stond de levensboom, en de boom der kennis van goed en kwaad.
    210In Eden ontsprong een rivier, die de tuin bevloeide, en zich verderop in vier takken splitste.
    211De eerste heet de Pisjon; deze stroomt om het hele land Chawila heen, waar het goud wordt gevonden;
    212het goud van dat land is voortreffelijk; men vindt daar ook balsemhars en robijnen.
    213De tweede stroom heet de Gichon, en deze omspoelt het hele land van Koesj.
    214De derde stroom heet de Tigris, en loopt ten oosten van Assjoer. De vierde is de Eufraat.
    215Daarop plaatste Jahweh God den mens in de tuin van Eden, om die te bewerken en te bewaken.
    216En Jahweh God gaf den mens het volgend gebod: Van alle bomen uit de tuin moogt ge eten;
    217maar van de boom der kennis van goed en kwaad moogt ge niet eten; want wanneer ge daarvan eet, zult ge sterven.
    218En Jahweh God sprak: Het is niet goed voor den mens, dat hij alleen blijft. Ik zal dus een hulp voor hem maken, die hem past.
    219Toen vormde Jahweh God uit de klei alle dieren op het land en alle vogels in de lucht, en voerde ze naar den mens, om te zien, hoe hij ze zou noemen; want zoals de mens elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten.
    220De mens gaf dan namen aan alle tamme dieren en aan de vogels in de lucht en aan alle dieren in het wild, maar vond geen hulp, die hem paste.
    221Nu bracht Jahweh God den mens in een diepe slaap; en terwijl hij sliep, nam Hij een van zijn ribben, en zette er vlees voor in de plaats.
    222Dan bouwde Jahweh God een vrouw uit de rib, die Hij uit den mens had genomen, en leidde haar tot den mens.
    223Toen sprak de mens: Deze is eindelijk been van mijn gebeente En vlees van mijn vlees. Mannin zal zij heten, Omdat zij van den man is genomen.
    224Daarom verlaat de man zijn vader en moeder, en hecht zich geheel aan zijn vrouw; en zij worden ťťn vlees.
    225De mens en zijn vrouw waren allebei naakt, maar zij schaamden zich niet voor elkander.
    301De slang was het sluwste van alle dieren in het wild, die Jahweh God had gemaakt. Ze sprak tot de vrouw: Heeft God u dan werkelijk verboden, van de bomen in de tuin te eten?
    302De vrouw gaf de slang ten antwoord: We mogen de vruchten eten van al de bomen in de tuin;
    303alleen heeft God gezegd: ge moogt niet de vruchten eten van de boom, die midden in de tuin staat, en die zelfs niet aanraken; anders zult ge sterven.
    304Maar de slang sprak tot de vrouw: Ge zult volstrekt niet sterven.
    305Maar God weet, dat uw ogen zullen opengaan, wanneer ge daarvan eet, en dat ge gelijk aan God zult worden door de kennis van goed en kwaad.
    306Ook had de vrouw al bemerkt, hoe goed die boom was om van te eten; hoe hij een lust was voor de ogen, en hoe verleidelijk, wanneer men inzicht wil verkrijgen. Ze plukte dus van zijn vrucht en at; ze gaf er ook van aan haar man, die bij haar stond, en ook hij at er van.
    307Nu gingen hun beiden de ogen open; ze merkten, dat ze naakt waren. Ze hechtten daarom vijgeblaren aaneen, en maakten er zich een schaamgordel van.
    308En toen zij Jahweh God in de koelte van de middag in de tuin hoorden wandelen, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor Jahweh God tussen de bomen van de tuin.
    309Maar Jahweh God riep den mens, en sprak tot hem: Waar zijt gij?
    310Hij antwoordde: Toen ik U in de tuin hoorde, werd ik bang, omdat ik naakt ben; en ik heb mij verborgen.
    311Maar Hij sprak: Wie heeft u verteld, dat ge naakt zijt? Hebt ge soms van de boom gegeten, waarvan Ik u verboden heb te eten?
    312De mens antwoordde: De vrouw, die Gij mij tot gezellin hebt gegeven, gaf mij van de boom, en ik at.
    313Nu sprak Jahweh God tot de vrouw: Wat hebt ge gedaan? De vrouw gaf ten antwoord: De slang heeft mij verleid, en ik heb gegeten.
    314Toen sprak Jahweh God tot de slang: Omdat ge dit gedaan hebt, zijt ge vervloekt Onder alle tamme en wilde dieren; Op uw buik zult ge kruipen, Stof vreten uw leven lang.
    315Ik zal vijandschap wekken tussen u en de vrouw, Tussen uw kroost en haar kroost; Dit zal u de kop verpletteren, Maar gij zult loeren naar zijn hiel.
    316En tot de vrouw sprak Hij: De lasten uwer zwangerschap zal Ik verzwaren, In smarten zult ge kinderen baren; Toch zult ge naar uw man verlangen, En hij zal over u heersen.
    317En Hij sprak tot den mens: Omdat ge naar uw vrouw hebt geluisterd, En van de boom hebt gegeten, waarvan Ik u verbood te eten; Is om u de aardbodem vervloekt, Alleen door levenslang zwoegen zult ge er van eten.
    318Distels en doornen zal hij u voortbrengen, Ofschoon gij u met veldgewas moet voeden;
    319In het zweet van uw aanschijn zult gij uw brood eten, Totdat ge terugkeert tot de grond, waaruit ge genomen zijt. Want ge zijt stof, En tot stof keert ge terug!
    320De mens noemde zijn vrouw nu Eva, omdat zij de moeder zou worden van al wat leeft.
    321En Jahweh God maakte kleren van dierenhuiden voor den mens en zijn vrouw, en bekleedde hen daarmee.
    322Toen sprak Jahweh God: Zie, door de kennis van goed en kwaad is de mens geworden als een van ons. Als hij nu zijn hand maar niet uitstrekt, om te plukken en te eten van de levensboom, zodat hij ook nog eeuwig blijft leven!
    323Daarom verdreef Jahweh God hem uit de tuin van Eden, om de grond te bebouwen, waaruit hij genomen was.
    324Hij joeg den mens weg, en plaatste ten oosten van Edens tuin de cherubs met de vlam van het bliksemende zwaard, om de weg naar de levensboom te bewaken.
    401De mens had gemeenschap met Eva, zijn vrouw; zij werd zwanger, baarde KaÔn, en sprak: Met de hulp van Jahweh heb ik een mannelijk kind ter wereld gebracht.
    402Daarna baarde zij nog zijn broer Abel. Abel werd schaapherder, en KaÔn landbouwer.
    403Geruime tijd later droeg KaÔn eens aan Jahweh een offer op van de vruchten der aarde.
    404Ook Abel bracht een offer van de eerstgeborenen van zijn kudde, en wel van de vetste. En Jahweh zag genadig neer op Abel en zijn offer,
    405maar op KaÔn en zijn offer sloeg Jahweh geen acht. Daardoor ontstak KaÔn in heftige toorn, en zag somber voor zich uit.
    406Jahweh vroeg toen aan KaÔn: Waarom zijt gij vertoornd, en waarom is uw gelaat zo somber?
    407Indien ge onberispelijk leeft, wordt uw offer zeker aanvaard; zo niet, dan loert de zonde aan de deur, gaat naar u haar begeerte, en zult ge ze moeten overwinnen.
    408Maar KaÔn sprak tot Abel, zijn broer: Kom, laten we het veld ingaan. En toen zij op het veld waren, viel KaÔn zijn broer Abel aan en sloeg hem dood.
    409Nu sprak Jahweh tot KaÔn: Waar is Abel uw broer? Hij zeide: Ik weet het niet; moet ik soms mijn broer nog bewaken?
    410Hij hernam: Wat hebt gij gedaan? Het bloed van uw broer roept luid tot Mij uit de grond.
    411Wees dan vervloekt door de grond, die zijn muil heeft opengesperd, om het bloed van uw broer uit uw hand te ontvangen.
    412Als gij de grond bebouwt, zal hij u geen oogst meer geven. Een zwerver en vluchteling zult ge zijn op de aarde.
    413Toen sprak KaÔn tot Jahweh: Mijn schuld is te groot, om vergeven te worden.
    414Zie, Gij jaagt mij thans van het akkerland weg, en ik zal mij voor uw aanschijn moeten verbergen; dan zal ik een zwerver en vluchteling zijn op de aarde, en iedereen die mij vindt, zal mij doden.
    415Maar Jahweh sprak tot hem: Neen; ieder, die KaÔn doodt, zal het zevenmaal boeten. En Jahweh gaf KaÔn een teken, opdat niemand, die hem vinden zou, hem zou doden.
    416Daarna verdween KaÔn voor het aanschijn van Jahweh, en vestigde zich in het land Nod, ten oosten van Eden.
    417KaÔn had gemeenschap met zijn vrouw; zij werd zwanger, en baarde Chanok. Hij bouwde later een stad, en noemde die stad naar Chanok, zijn zoon.
    418Aan Chanok werd Irad geboren, en Irad verwekte MechoejaŽl; MechoejaŽl verwekte MetoesjaŽl, en MetoesjaŽl weer Lťmek.
    419Lťmek nam twee vrouwen: de eerste heette Ada, de andere Silla.
    420Ada baarde Jabal; deze werd de vader van de tentbewoners en veefokkers.
    421Zijn broer heette Joebal; hij werd de vader van allen, die spelen op citer en fluit.
    422Ook Silla baarde: Toebal-KaÔn, een smid, den vader van alle brons(-) en ijzersmeden. De zuster van Toebal-KaÔn heette Našma.
    423Eens sprak Lťmek tot zijn vrouwen: Ada en Silla, hoort mijn stem; Vrouwen van Lťmek, luistert naar mijn woorden: Een man sla ik dood om mijn wonden, Een jongeling om een striem;
    424Want zevenmaal wordt KaÔn gewroken, Maar Lťmek zeven en zeventig maal.
    425Weer hield Adam gemeenschap met zijn vrouw; zij baarde een zoon, dien zij Set noemde. Want, zij, God heeft mij een anderen telg in de plaats van Abel gegeven, omdat KaÔn hem heeft vermoord.
    426Ook Set werd een zoon geboren, dien hij Enos noemde; en deze begon de naam van Jahweh aan te roepen.
    501Dit is de geslachtslijst van Adam. Toen God den mens schiep, maakte Hij hem op God gelijkend;
    502man en vrouw schiep Hij hen. En op de dag van hun schepping zegende Hij hen, en noemde hen mens.
    503Adam was honderd dertig jaar oud, toen hij als zijn beeld, op zich gelijkend, een zoon verwekte, wien hij de naam Set gaf.
    504En Adam leefde, nadat hij Set verwekt had, nog achthonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
    505Heel de levensduur van Adam was negenhonderd dertig jaar. En hij stierf.
    506Set was honderd vijf jaar oud, toen hij Enos verwekte.
    507En Set leefde, nadat hij Enos verwekt had, nog achthonderd zeven jaar, en verwekte zonen en dochters.
    508Heel de levensduur van Set was negenhonderd twaalf jaar. En hij stierf.
    509Enos was negentig jaar oud, toen hij KaÔnan verwekte.
    510En Enos leefde, nadat hij KaÔnan verwekt had, nog achthonderd vijftien jaar, en verwekte zonen en dochters.
    511Heel de levensduur van Enos was negenhonderd vijf jaar. En hij stierf.
    512KaÔnan was zeventig jaar oud, toen hij MalaleŽl verwekte.
    513En KaÔnan leefde, nadat hij MalaleŽl verwekt had, nog achthonderd veertig jaar, en verwekte zonen en dochters.
    514Heel de levensduur van KaÔnan was negenhonderd tien jaar. En hij stierf.
    515MalaleŽl was vijf en zestig jaar oud, toen hij JŠred verwekte.
    516En MalaleŽl leefde, nadat hij JŠred verwekt had, nog achthonderd dertig jaar, en verwekte zonen en dochters.
    517Heel de levensduur van MalaleŽl was achthonderd vijf en negentig jaar. En hij stierf.
    518JŠred was honderd twee en zestig jaar oud, toen hij Henok verwekte.
    519En JŠred leefde, nadat hij Henok verwekt had, nog achthonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
    520Heel de levensduur van JŠred was negenhonderd twee en zestig jaar. En hij stierf.
    521Henok was vijf en zestig jaar oud, toen hij Matoesala verwekte.
    522Henok leefde vertrouwelijk met God. En hij leefde, nadat hij Matoesala verwekt had, nog driehonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
    523Heel de levensduur van Henok was driehonderd vijf en zestig jaar.
    524En omdat Henok vertrouwelijk met God had geleefd, nam God hem weg, en men vond hem niet meer.
    525Matoesala was honderd zeven en tachtig jaar oud, toen hij LŠmek verwekte.
    526En Matoesala leefde, nadat hij LŠmek verwekt had, nog zevenhonderd twee en tachtig jaar, en verwekte zonen en dochters.
    527Heel de levensduur van Matoesala was negenhonderd negen en zestig jaar. En hij stierf.
    528LŠmek was honderd twee en tachtig jaar oud, toen hij een zoon verwekte.
    529Hij noemde hem NoŽ, want hij sprak: Deze zal ons uit de bodem, die Jahweh vervloekt heeft, verkwikking verschaffen bij ons werken en zwoegen.
    530En LŠmek leefde, nadat hij NoŽ verwekt had, nog vijfhonderd vijf en negentig jaar, en verwekte zonen en dochters.
    531Heel de levensduur van LŠmek was zevenhonderd zeven en zeventig jaar. En hij stierf.
    532NoŽ was vijfhonderd jaar oud, toen hij Sem, Cham en JŠfet verwekte.
    601Toen de mensen talrijk begonnen te worden op de oppervlakte der aarde, en hun dochters werden geboren,
    602zagen de zonen Gods, hoe schoon de dochters der mensen waren, en zij namen zich zoveel vrouwen, als zij maar wilden.
    603Toen sprak Jahweh: Mijn geest zal niet voor altijd bij de mensen blijven, omdat ze bedorven zijn, en enkel vlees; hun tijd zal nog maar honderd twintig jaar duren.
    604In die dagen, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen waren gekomen, en deze hun kinderen hadden gebaard, waren er reuzen op aarde, en ook nog daarna. Dat waren de krachtmensen uit de oude tijd, beruchte mannen.
    605Toen Jahweh dan zag, hoe groot op aarde het bederf onder de mensen was geworden, en zij enkel maar zonnen op slechte dingen,
    606berouwde het Jahweh, dat Hij den mens op aarde gemaakt had, en kreeg Hij er spijt van.
    607En Jahweh sprak: Ik zal den mens, dien Ik geschapen heb, van de aarde verdelgen; zowel den mens als de viervoetige dieren, de kruipende dieren en de vogels in de lucht; want het spijt Mij, dat Ik ze gemaakt heb.
    608Maar NoŽ vond genade in de ogen van Jahweh.
    609Dit is de geschiedenis van NoŽ. NoŽ was een rechtschapen man, en leefde onberispelijk te midden van zijn tijdgenoten; NoŽ leefde vertrouwelijk met God.
    610NoŽ verwekte drie zonen: Sem, Cham en JŠfet.
    611De aarde was dan bedorven geworden in de ogen van God, en van ongerechtigheid vol.
    612Toen God dus zag, dat de aarde was bedorven, omdat alle mensen op aarde waren bedorven,
    613sprak God tot NoŽ: Ik heb de ondergang van alle mensen besloten, omdat ze de aarde van hun ongerechtigheid hebben vervuld. Zie, Ik zal ze met de aarde verdelgen.
    614Maak nu voor u een ark van pijnhout, verdeel die ark in vakken, en bestrijk ze van binnen en buiten met pek.
    615Zo moet ge ze maken: de ark moet driehonderd el lang zijn, vijftig el breed, en dertig el hoog.
    616Ge moet op de ark een dak maken, en een el hoog optrekken. In de lengtezijde moet ge de deur aanbrengen. Ge moet er ook een benedenruim, en een tweede en een derde verdek in maken.
    617Want Ik ga de zondvloed-wateren over de aarde brengen, om alle schepselen met een levende geest onder de hemel te verdelgen; al wat op aarde is zal sterven.
    618Maar met u zal Ik mijn verbond sluiten: Gij moet de ark binnengaan: gij zelf en uw zonen, uw vrouw en de vrouwen uwer zonen met u.
    619Ook moet ge van alle levende wezens een paar in de ark brengen, om ze met u in het leven te behouden; mannetje en wijfje moeten het zijn.
    620En van alle verschillende soorten van vogels, van alle soorten van beesten, van alle soorten van dieren, die kruipen over de aarde; van alles zal er een paar tot u komen om in het leven te blijven.
    621Ge moet u ook van alle eetbare spijzen voorzien, en die meenemen, om u en hun tot voedsel te dienen.
    622NoŽ deed het; hij deed al wat God hem gebood.
    701Toen sprak Jahweh tot NoŽ: Ga met uw gezin in de ark, want Ik heb u rechtvaardig voor mijn aanschijn bevonden te midden van dit geslacht.
    702Neem van alle reine dieren zeven paar mee, telkens mannetjes met hun wijfjes, maar van de onreine dieren een enkel paar, eveneens mannetje en wijfje;
    703ook van de vogels in de lucht zeven paar, de mannetjes met hun wijfjes: om hun soort in stand te houden over de hele aarde.
    704Want over zeven dagen zal Ik het op aarde doen stortregenen, veertig dagen en veertig nachten; en al wat leeft, en wat Ik gemaakt heb, zal Ik van de aarde verdelgen.
    705En NoŽ deed alles, wat Jahweh hem bevolen had.
    706NoŽ was zeshonderd jaar oud, toen de zondvloed over de aarde kwam.
    707En voor het water van de zondvloed vluchtte NoŽ in de ark met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen.
    708Van de reine en onreine dieren, van de vogels, en van al wat over de aarde kruipt,
    709kwam telkens een paar, mannetje en wijfje, naar NoŽ binnen de ark, zoals God NoŽ geboden had.
    710En op de zevende dag stortten de wateren van de zondvloed over de aarde.
    711In het zeshonderdste levensjaar van NoŽ, in de tweede maand, op de zeven en twintigste dag van de maand, toen braken alle kolken los van de geweldige afgrond, en werden de sluizen van de hemel geopend;
    712er stortte een regen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten.
    713Nog diezelfde dag ging NoŽ in de ark met Sem, Cham en JŠfet, de zonen van NoŽ, met de vrouw van NoŽ en de drie vrouwen van zijn zonen;
    714zijzelf met alle soorten van wilde en tamme dieren, met alle soorten van wat er over de aarde kruipt, met alle soorten van vogels, alles wat veren en vleugels heeft.
    715In paren kwamen alle levende wezens naar NoŽ in de ark:
    716zij kwamen naar het bevel van God: mannetje en wijfje van al wat leeft. En Jahweh deed de deur achter hen dicht.
    717Toen kwam de zondvloed over de aarde, veertig dagen lang. De wateren stegen, en droegen de ark, zodat zij zich van de aarde verhief.
    718Nog bleef het water wassen en stijgen op aarde, en de ark dreef op het water voort.
    719Hoger en hoger klommen de wateren op aarde, zodat zelfs de hoogste bergen, die onder heel de hemel zijn, werden bedekt.
    720Vijftien ellen steeg het water boven de bergen, zodat ze helemaal bedolven werden.
    721Alle schepselen kwamen om, alles wat zich op de aarde beweegt: vogels, tamme en wilde dieren met al wat over de aarde kruipt; en eveneens alle mensen.
    722Alles stierf, wat op het droge leefde met levensadem in zijn neus.
    723Al wat op aarde bestond, werd verzwolgen; mens, viervoetige dieren, kruipende dieren en vogels in de lucht werden van de aarde verdelgd. NoŽ alleen, en wat met hem in de ark was, bleef over.
    724De wateren hielden de aarde honderd vijftig dagen bedekt.
    801Toen dacht God aan NoŽ, en aan alle wilde en tamme dieren, die met hem in de ark waren. God deed een wind over de aarde waaien, waardoor het water begon te zakken.
    802De kolken van de afgrond en de sluizen van de hemel werden gesloten, en de regen uit de hemel hield op.
    803Het water vloeide langzaam heen, en zakte na verloop van honderd vijftig dagen van de aarde weg.
    804In de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, liep de ark op het gebergte Ararat vast.
    805Het water bleef geleidelijk zakken tot de tiende maand; op de eerste dag der tiende maand werden de toppen der bergen zichtbaar.
    806En toen er veertig dagen waren verlopen, opende NoŽ het venster, dat hij in de ark had gemaakt.
    807Hij liet een raaf los, die heen en weer bleef vliegen, tot het water op de aarde was opgedroogd.
    808Daarna liet hij een duif los, om te zien, of het water al van de aarde weg was.
    809Maar de duif vond geen plek voor haar pootjes en keerde naar hem terug in de ark; want het water hield nog de hele oppervlakte der aarde bedekt. Hij stak zijn hand uit, pakte ze beet, en haalde ze naar zich toe in de ark.
    810Nu wachtte hij nog zeven dagen, en liet toen opnieuw een duif uit de ark.
    811De duif keerde tegen de avond naar hem terug, en droeg een frisse olijftak in de bek. Toen begreep NoŽ, dat het water van de aarde moest zijn weggezakt.
    812Weer wachtte hij nu zeven dagen, en liet toen opnieuw de duif uitvliegen; maar nu keerde ze niet meer naar hem terug.
    813In het zeshonderd eerste levensjaar van NoŽ, in het begin van de eerste maand, was het water van de aarde opgedroogd. Nu verwijderde NoŽ het dak van de ark, en keek naar buiten; en zie, de oppervlakte der aarde was droog.
    814In de tweede maand, op de zeven en twintigste dag der maand, was de aarde helemaal droog.
    815Toen sprak God tot NoŽ:
    816Ga uit de ark; gij met uw vrouw, uw zonen en de vrouwen uwer zonen.
    817En laat ook alle dieren, alle wezens die bij u zijn, tegelijk met u naar buiten komen: de vogels, de viervoetige dieren en al wat op de aarde kruipt; opdat ze zich weer op de aarde bewegen, vruchtbaar zijn, en talrijk worden op aarde.
    818NoŽ ging er dus uit met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen.
    819Ook alle viervoetige dieren, alle vogels en al wat over de aarde kruipt, elk naar zijn soort, kwamen naar buiten uit de ark.
    820Toen bouwde NoŽ een altaar voor Jahweh; en hij nam van alle reine dieren en van alle reine vogels, en droeg ze op het altaar als brandoffer op.
    821Jahweh rook de aangename geur, en sprak bij Zich zelf: Nooit meer zal Ik om den mens de aarde vervloeken, want de gedachten van het mensenhart zijn slecht van zijn jeugd af; en nooit meer zal Ik alle levende wezens treffen, zoals Ik nu heb gedaan.
    822Zolang de aarde bestaat, Zal er zaai(-) en oogsttijd, koude en hitte zijn; Zomer en winter, dag en nacht, Nooit houden ze op!
    901Toen zegende God NoŽ met zijn zonen, en sprak tot hen: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u, en bevolkt de aarde.
    902Vrees en schrik voor u zal heersen bij alle dieren op de aarde en bij alle vogels in de lucht; al wat over de aarde kruipt en alle vissen in de zee zijn onderworpen aan uw macht.
    903Alles, wat beweegt en leeft zal u tot voedsel strekken; met het groene gewas geef Ik dit alles aan u.
    904Alleen het vlees, waarin de ziel nog woont, die het bloed is, moogt ge niet eten.
    905Maar uw eigen levensbloed zal Ik wreken; van alle dieren zal Ik het terugeisen, zowel als van de mensen; van iedereen zal Ik het leven van den evenmens terugvorderen.
    906Wie het bloed van een mens vergiet, Diens bloed zal door mensen worden vergoten; Want als zijn beeld heeft God den mens gemaakt.
    907Gij dan weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u; wordt talrijk op de aarde, en bevolkt haar.
    908Daarop sprak God tot NoŽ en zijn zonen:
    909Zie, Ik zelf, Ik sluit mijn verbond met u, en met uw kroost na u,
    910en met alle levende wezens, die bij u zijn: met de vogels, de viervoetige dieren en alle dieren der aarde, met al wat uit de ark is gekomen, met al wat op de aarde leeft.
    911Ik sluit met u mijn verbond, dat nooit meer een schepsel door de wateren van de zondvloed zal worden verdelgd, en dat er nooit meer een zondvloed zal komen om de aarde te verwoesten.
    912En God sprak: Dit is het teken van het verbond, Dat Ik sluit voor alle geslachten, die komen: Tussen Mij en tussen u, En alle levende wezens, die bij u zijn.
    913Mijn boog zet Ik in de wolken Als een teken van het verbond tussen Mij en de aarde!
    914Wanneer Ik op de aarde de wolken samenpak, En de boog verschijnt in de wolken,
    915Dan zal Ik mijn verbond gedenken Tussen Mij en u en alle levende wezens. De wateren zullen nooit meer zwellen tot een zondvloed, Om alle vlees te verdelgen.
    916Als de boog in de wolken staat, Zal Ik hem zien, om het eeuwig verbond te gedenken Tussen God en alle levende wezens, Alle schepselen, die op aarde zijn.
    917En God sprak tot NoŽ: Dit is het teken van het verbond, dat Ik gesloten heb tussen Mij en alle schepselen, die op aarde zijn.
    918De zonen van NoŽ, die de ark verlieten, waren Sem, Cham en JŠfet; Cham was de vader van Kanašn.
    919Dit waren de drie zonen van NoŽ, en door hen werd de hele aarde bevolkt.
    920NoŽ begon het land te bebouwen, en plantte een wijngaard.
    921Hij dronk van de wijn, werd er door bedwelmd, en lag naakt in zijn tent.
    922Toen Cham, de vader van Kanašn, de schaamte van zijn vader zag, ging hij het buiten aan zijn twee broers vertellen.
    923Maar Sem en JŠfet haalden een mantel, legden die allebei op hun schouders, liepen achterwaarts binnen, en met afgewend gelaat bedekten ze de schaamte van hun vader, zodat ze de schaamte van hun vader niet zagen.
    924Toen NoŽ uit zijn roes was ontwaakt, en vernam, wat zijn jongste zoon hem had gedaan,
    925sprak hij: Vervloekt zij Kanašn, Een slaaf der slaven zal hij zijn voor zijn broeders.
    926Hij sprak: Gezegend zij Jahweh, de God van Sem, Kanašn zij hem tot slaaf.
    927Moge God voor JŠfet ruimte maken, Dat hij wone in de tenten van Sem; Kanašn zij hem tot slaaf.
    928NoŽ leefde na de zondvloed nog driehonderd vijftig jaar.
    929Heel de levensduur van NoŽ was negenhonderd vijftig jaar. En hij stierf.
    1001Dit is de geslachtslijst van de zonen van NoŽ: van Sem, Cham en JŠfet; want hun werden na de zondvloed zonen geboren.
    1002De zonen van JŠfet zijn Gůmer, Magog, Madai, Jawan, Toebal, Mťsjek en Tiras.
    1003De zonen van Gůmer: Asjkenaz, Rifat en Togarma.
    1004De zonen van Jawan: Elisja, Tarsjisj, de KittiŽrs en de RodiŽrs;
    1005dezen hebben zich over de kustlanden der volken verdeeld. Dit zijn de zonen van JŠfet volgens hun landen, elk naar zijn taal, zijn stam en zijn volk.
    1006De zonen van Cham zijn Koesj, Egypte, Poet en Kanašn.
    1007De zonen van Koesj zijn Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka. De zonen van Rama zijn Sjeba en Dedan.
    1008Koesj verwekte ook Nimrod. Deze begon machtig te worden op aarde;
    1009hij was een geweldig jager voor Jahweh. Daarom zegt men Een geweldig jager voor Jahweh als Nimrod.
    1010Aanvankelijk heerste hij over Babel, Erek, Akkad en Kalne, in het land Sjinar;
    1011maar van dat land rukte hij naar Assjoer op, waar hij Ninive bouwde, Rechobot-Ir en KŠlach,
    1012en Rťsen tussen Ninive en KŠlach; dit is de grote stad.
    1013Egypte bracht de Loedieten voort, de Anamieten, de Lehabieten en de Naftoechieten,
    1014de Patroesieten en de Kasloechieten, waar de Filistijnen en de Kaftorieten uit voortgekomen zijn.
    1015Kanašn verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Chet;
    1016verder de Jeboesieten, Amorieten en de Girgasjieten,
    1017de Chiwwieten, Arkieten en Sinieten,
    1018de Arwadieten, Semarieten en Chamatieten. Later werden de stammen der Kanašnieten verspreid,
    1019zodat het gebied der Kanašnieten zich uitstrekte van Sidon af in de richting van Gerar tot Gaza toe, en in de richting van Sodoma, Gomorra, Adma en Seboim tot Lťsja toe.
    1020Dit zijn de zonen van Cham volgens hun stammen en talen, naar hun landen en volken.
    1021Ook Sem, den stamvader van de zonen van Eber en oudsten broer van JŠfet, werden kinderen geboren.
    1022De zonen van Sem zijn Elam, Assjoer, Arpaksad, Loed en Aram.
    1023De zonen van Aram zijn Oes, Choel, Gťter en Masj.
    1024Arpaksad verwekte SŠla, en SŠla weer Eber.
    1025Eber had twee zonen; de eerste heette PŠleg, omdat in zijn tijd de aarde verdeeld werd; zijn broer heette Joktan.
    1026Joktan verwekte Almodad en Sjťlef, ChasarmŠwet en Jťrach,
    1027Hadoram, Oezal en Dikla,
    1028Obal, AbimaŽl, Sjeba,
    1029Ofir, Chawila en Jobab: allen zonen van Joktan.
    1030Zij woonden van Mesja af in de richting van Sefar, een gebergte in het oosten.
    1031Dit zijn de zonen van Sem volgens hun stammen en talen, naar hun landen en volken.
    1032Dit zijn dan de geslachten van de zonen van NoŽ naar hun stammen en volken; uit hen zijn de volken voortgekomen, die zich na de zondvloed over de aarde hebben verspreid.
    1101Nog sprak heel de aarde eenzelfde taal en dezelfde woorden.
    1102Toen men uit het oosten was opgetrokken, en een vlakte in het land Sjinar had gevonden, bleef men daar wonen.
    1103Nu zeiden ze tot elkander: Komt, laten we stenen maken, en ze hard bakken in vuur. Die tichels moesten hun tot bouwsteen dienen, de asfalt tot mortel.
    1104Later zeiden ze weer: Komt, laten we ons een stad bouwen met een toren, waarvan de spits tot in de hemel reikt; dan maken we ons een herkenningsteken, zodat we niet over heel de aarde worden verstrooid.
    1105Maar Jahweh daalde neer, om de stad en de toren eens te bezien, die de mensenkinderen bouwden.
    1106Want Jahweh sprak: Zie, zij vormen ťťn volk en spreken ťťn taal. En dit is nog maar het begin van hun doen; later zal men niets meer kunnen beletten van al wat zij van plan zijn.
    1107Kom, laat ons afdalen, en daar beneden hun spraak in verwarring brengen, zodat zij elkanders taal niet meer verstaan.
    1108Zo verstrooide Jahweh hen over de hele aarde, en staakten zij de bouw der stad.
    1109Daarom noemt men haar Babel, omdat Jahweh daar de spraak van de hele aarde in verwarring heeft gebracht, en omdat Jahweh hen vandaar over de hele aarde heeft verstrooid.
    1110Dit is de geslachtslijst van Sem. Sem was honderd jaar oud, toen hij Arpaksad verwekte, twee jaar na de zondvloed.
    1111En Sem leefde, nadat hij Arpaksad verwekt had, nog vijfhonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
    1112Arpaksad was vijf en dertig jaar oud, toen hij SŠla verwekte.
    1113Arpaksad leefde, nadat hij SŠla verwekt had, nog vierhonderd drie jaar, en verwekte zonen en dochters.
    1114SŠla was dertig jaar oud, toen hij Eber verwekte.
    1115En SŠla leefde, nadat hij Eber verwekt had, nog vierhonderd drie jaar, en verwekte zonen en dochters.
    1116Eber was vier en dertig jaar oud, toen hij PŠleg verwekte.
    1117Eber leefde, nadat hij PŠleg verwekt had, nog vierhonderd dertig jaar, en verwekte zonen en dochters.
    1118PŠleg was dertig jaar, toen hij Ragaoe verwekte.
    1119En PŠleg leefde, nadat hij Ragaoe verwekt had, nog tweehonderd negen jaar, en verwekte zonen en dochters.
    1120Ragaoe was twee en dertig jaar oud, toen hij Seroeg verwekte.
    1121En Ragaoe leefde, nadat hij Seroeg verwekt had, nog tweehonderd zeven jaar, en verwekte zonen en dochters.
    1122Seroeg was dertig jaar oud, toen hij Nachor verwekte.
    1123En Seroeg leefde, nadat hij Nachor verwekt had, nog tweehonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
    1124Nachor was negen en twintig jaar oud, toen hij Tara verwekte.
    1125En Nachor leefde, nadat hij Tara verwekt had, nog honderd negentien jaar, en verwekte zonen en dochters.
    1126Tara was zeventig jaar oud, toen hij Abram, Nachor en Haran verwekte.
    1127En dit is de geslachtslijst van Tara. Tara verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot.
    1128Haran stierf nog bij het leven van Tara, zijn vader, in zijn geboorteland, in Oer der ChaldeŽn.
    1129Abram en Nachor waren beiden getrouwd. De vrouw van Abram heette Sarai; de vrouw van Nachor heette Milka, en was de dochter van Haran, den vader van Milka en Jiska.
    1130Sarai was onvruchtbaar en had geen kinderen.
    1131Tara nam zijn zoon Abram en zijn kleinzoon Lot, den zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van zijn zoon Abram, met zich mee, en voerde ze weg uit Oer der ChaldeŽn, om naar het land Kanašn te trekken. Maar eenmaal in Charan gekomen, bleven zij daar wonen.
    1132Tara werd tweehonderd vijf jaar oud, en stierf in Charan.
    1201Jahweh sprak tot Abram: Trek weg uit uw land, Uit uw stam en uit het huis uws vaders Naar het land, dat Ik u tonen zal.
    1202Ik zal een groot volk van u maken, U zegenen en uw naam beroemd maken, Zodat hij ten zegen zal zijn.
    1203Ik zal zegenen, die u zegent, Vervloeken, die u vervloekt. En in u zullen alle geslachten der aarde worden gezegend.
    1204Toen vertrok Abram, zoals Jahweh hem bevolen had, en Lot ging met hem mee; Abram was vijf en zeventig jaar oud, toen hij uit Charan wegtrok.
    1205Abram nam Sarai, zijn vrouw, en zijn neef Lot met zich mee, met heel hun bezit, en al de slaven, die zij in Charan hadden verworven; ze gingen op weg naar het land Kanašn, en kwamen daar aan.
    1206Abram trok het land door tot de plaats Sikem, en de eik van More. De Kanašnieten woonden toen nog in het land.
    1207Nu verscheen Jahweh aan Abram, en sprak: Dit land zal Ik aan uw nageslacht geven. Toen bouwde hij daar een altaar ter ere van Jahweh, die hem verschenen was.
    1208Vandaar reisde hij verder naar het bergland ten oosten van Betel, en sloeg zijn tent op tussen Betel ten westen en Ai ten oosten; daar bouwde hij een altaar voor Jahweh, en riep de naam van Jahweh aan.
    1209Daarna trok Abram steeds verder naar het zuiden.
    1210Toen er in het land eens hongersnood uitbrak, zakte Abram naar Egypte af, om daar enige tijd te verblijven; want de hongersnood teisterde het land hevig.
    1211Maar op het punt Egypte binnen te trekken, zeide hij tot Sarai, zijn vrouw: Luister; ik weet, dat gij een mooie vrouw zijt.
    1212Als de Egyptenaren u zien, en denken: dat is zijn vrouw, dan zullen ze mij vermoorden, maar u in leven laten.
    1213Zeg dus, dat gij mijn zuster zijt, dan zal het mij goed gaan om wille van u, en zal ik om uwentwil gespaard blijven.
    1214Zodra Abram nu in Egypte was gekomen, zagen de Egyptenaren, hoe buitengewoon mooi die vrouw was.
    1215En toen Farao's hovelingen haar zagen, roemden zij haar bij Farao, met het gevolg, dat de vrouw in het paleis van Farao werd gehaald.
    1216Hij overlaadde Abram om wille van haar met weldaden, zodat hij schapen, runderen en ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen ontving.
    1217Maar Jahweh trof Farao en zijn huis met zware slagen naar aanleiding van Sarai, de vrouw van Abram.
    1218Toen ontbood Farao Abram, en zeide: Wat hebt ge mij daar aangedaan; waarom hebt ge mij niet meegedeeld, dat het uw vrouw is?
    1219Waarom hebt ge gezegd: het is mijn zuster; zodat ik ze mij tot vrouw heb genomen. Daar hebt ge uw vrouw terug; neem haar mee en vertrek.
    1220En Farao gaf aan enige mannen bevel, om hem en zijn vrouw, met alles wat hem toebehoorde, uitgeleide te doen.
    1301Zo trok Abram met zijn vrouw en al zijn bezittingen uit Egypte weg, de Nťgeb in, en Lot met hem.
    1302Abram was zeer rijk aan vee, aan zilver en goud.
    1303Van de Nťgeb trok hij geleidelijk voort naar Betel, naar de plaats tussen Betel en Ai, waar al eerder zijn tent had gestaan,
    1304en waar hij vroeger een altaar had gebouwd; daar riep Abram de naam van Jahweh aan.
    1305Ook Lot, die met Abram was meegetrokken, bezat schapen, runderen en tenten.
    1306De landstreek echter liet niet toe, dat zij bij elkaar bleven wonen; want hun bezittingen waren zo groot, dat zij onmogelijk bij elkaar konden blijven.
    1307Telkens rees er twist tussen de veeherders van Abram en de veeherders van Lot; bovendien woonden ook de Kanašnieten en de Perizzieten nog in die streek.
    1308Daarom zei Abram tot Lot: Laat er toch geen onenigheid zijn tussen mij en u, tussen mijn en uw herders; want we zijn toch broers van elkaar.
    1309Ligt niet het hele land voor u open? Trek dus liever van mij weg; gaat gij links, dan ga ik rechts; gaat gij rechts, dan ga ik links.
    1310Lot sloeg zijn ogen op en zag, dat de hele Jordaanstreek overvloed van water had; voordat Jahweh Sodoma en Gomorra had verdelgd, was ze, tot Sůar toe, als de tuin van Jahweh, als het land van Egypte.
    1311Daarom koos Lot de hele Jordaanstreek voor zich, en trok op naar het oosten. Zo gingen ze uiteen.
    1312Abram bleef in het land Kanašn wonen, maar Lot vestigde zich in de steden van de Jordaanstreek, en sloeg zijn tenten op tot Sodoma toe,
    1313ofschoon de mannen van Sodoma zeer slecht waren en zwaar zondigden tegen Jahweh.
    1314Jahweh sprak tot Abram, nadat Lot zich van hem gescheiden had: Sla uw ogen op, en blik van de plaats, waar ge staat Naar het noorden en zuiden, het oosten en westen.
    1315Al het land, dat ge ziet, zal Ik geven aan u En uw kroost voor altijd.
    1316Ik zal uw nageslacht talrijk maken Als het stof der aarde. Als iemand het stof der aarde kan tellen, Dan zal hij ook uw geslacht kunnen tellen.
    1317Sta op, doorkruis het land in zijn lengte en breedte, Want aan u zal Ik het geven!
    1318Toen brak Abram zijn tenten op, en ging te Hebron wonen bij de eik van Mamre, en bouwde daar een altaar voor Jahweh.
    1401Het gebeurde in die dagen, dat Amrafel de koning van Sjinar, Arjok de koning van Ellasar, Kedor-Laůmer de koning van Elam, en Tidal de koning der volken,
    1402oorlog voerden tegen Bťra den koning van Sodoma, Birsja den koning van Gomorra, Sjinab den koning van Adma, Sjemťber den koning van Seboim en den koning van Bťla (dat is Sůar),
    1403en dat al deze laatsten met vereende krachten optrokken naar de vlakte van Siddim, dat is de Zoutzee.
    1404Twaalf jaar lang hadden zij Kedor-Laůmer gediend, maar in het dertiende jaar waren zij in opstand gekomen.
    1405In het veertiende jaar waren Kedor-Laůmer en de koningen, die zijn bondgenoten waren, opgerukt, hadden de Refaieten bij Asjterot-KarnŠim verslagen, de Zoezieten bij Ham, de Emieten in de vlakte van KirjatŠim,
    1406en de Chorieten in het gebergte van SeÔr tot aan de eik van Paran, aan de rand der woestijn.
    1407Op hun terugtocht waren zij naar En-Misjpat getrokken, dat is Kadesj, en hadden al de vorsten der Amalekieten verslagen en eveneens de Amorieten, die in Chasason-Tamar wonen.
    1408Nu trok de koning van Sodoma op met den koning van Gomorra, den koning van Adma, den koning van Seboim en den koning van Bťla (dat is Sůar), en gezamenlijk stelden zij zich in de vlakte van Siddim in slagorde
    1409tegenover Kedor-Laůmer den koning van Elam, Tidal den koning der volken, Amrafel den koning van Sjinar en Arjok den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf.
    1410In de vlakte van Siddim nu waren talrijke asfaltputten; en toen de koningen van Sodoma en Gomorra moesten vluchten, sprongen zij daarin, terwijl de overigen in de bergen ontkwamen.
    1411De vijanden maakten alle bezittingen en alle levensmiddelen van Sodoma en Gomorra buit, en trokken af;
    1412ook Lot, den zoon van Abrams broer, namen zij met al zijn have en goed op hun terugtocht mee; want hij woonde in Sodoma.
    1413Een vluchteling kwam het Abram, den HebreŽr, berichten; deze woonde toen bij de eik van Mamre, den Amoriet, den broer van Esjkol en Aner, die bondgenoten waren van Abram.
    1414Toen Abram hoorde, dat zijn broer gevangen was meegevoerd, riep hij zijn beproefde mannen op, de driehonderd achttien, die in zijn huis waren geboren, zette de tot Dan achterna,
    1415overviel ze des nachts van verschillende kanten met zijn dienaars, versloeg ze en joeg ze na tot Choba, ten noorden van Damascus.
    1416Hij heroverde heel de buit, en voerde ook zijn broer Lot met zijn have, met vrouwen en manschappen terug.
    1417Toen hij nu terugkeerde van zijn overwinning op Kedor-Laůmer en de koningen, die zijn bondgenoten waren, trok de koning van Sodoma hem tegemoet naar de vallei van Sjawe, dat het koningsdal is.
    1418En Melkisťdek, de koning van Salem, die priester was van den allerhoogsten God, offerde brood en wijn,
    1419zegende hem en sprak: Gezegend zijt gij Abram, door den allerhoogsten God, Den Schepper van hemel en aarde.
    1420En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand heeft geleverd. En Abram gaf hem de tienden van alles.
    1421Nu sprak de koning van Sodoma tot Abram: Geef mij de mensen terug, dan kunt gij de goederen voor u behouden.
    1422Maar Abram zei tot den koning van Sodoma: Ik steek mijn hand tot Jahweh op, den allerhoogsten God, den Schepper van hemel en aarde:
    1423geen draad en geen schoenriem, niets van wat u toebehoort neem ik aan, opdat gij niet zoudt kunnen zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt.
    1424Dat zij verre van mij! Enkel wat mijn slaven hebben verteerd, en het deel van Aner, Esjkol en Mamre, de mannen, die met mij zijn uitgetrokken: dat mogen ze als hun aandeel behouden.
    1501Na deze gebeurtenissen werd in een gezicht het woord van Jahweh gericht tot Abram: Vrees niet Abram: Ik ben u tot schild; Overgroot zal uw loon zijn!
    1502Toen zei Abram: Jahweh, mijn Heer, wat kunt Gij me geven? Kinderloos ga ik heen, en Eliťzer uit Damascus zal de bezitter zijn van mijn huis.
    1503En Abram ging voort: Zie, Gij hebt mij geen nazaat gegeven, en een mijner onderhorigen zal mijn erfgenaam zijn.
    1504Weer werd het woord van Jahweh tot hem gericht: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw eigen lichaam wordt geboren, zal uw erfgenaam zijn.
    1505Hij voerde hem naar buiten, en sprak: Zie op naar de hemel en tel de sterren, als ge dat kunt: zů talrijk zal uw nageslacht zijn, zeide Hij hem.
    1506Hij geloofde in Jahweh, en Deze rekende het hem tot gerechtigheid aan.
    1507Daarop sprak Hij tot hem: Ik ben Jahweh, die u uit Oer der ChaldeŽn heb geleid, om u dit land in eigendom te geven.
    1508Hij antwoordde: Jahweh, mijn Heer, waaraan zal ik erkennen, dat ik het eens zal bezitten?
    1509Hij zeide: Breng Mij een driejarige koe en een driejarigen bok en een driejarigen ram, met een tortel en een jonge duif.
    1510Hij haalde die alle, sneed ze middendoor, en legde de stukken tegenover elkaar; maar de vogels sneed hij niet door.
    1511En toen de roofvogels neerstreken op de dode rompen, joeg Abram ze weg.
    1512Bij het ondergaan der zon werd Abram door een diepe slaap overvallen, en een sombere, geweldige angst greep hem aan.
    1513Toen sprak Hij tot Abram: Weet wel, dat uw nakomelingen als vreemden in een land zullen toeven, dat hun niet toebehoort. Zij zullen daar als slaven dienen, en men zal hen vierhonderd jaar lang verdrukken.
    1514Maar van het volk, dat zij als slaven dienen, zal Ik rekenschap eisen; en daarna zullen zij uittrekken met rijke buit.
    1515Gij zelf zult in vrede tot uw vaderen gaan, en in hoge ouderdom worden begraven.
    1516Eerst het vierde geslacht zal hier terugkeren; want eerder is de maat van de misdaden der Amorieten niet vol.
    1517En toen de zon was ondergegaan, en er een diepe duisternis heerste, verscheen er een rokende oven en een brandende fakkel; deze gingen tussen die stukken door.
    1518Op die dag sloot Jahweh met Abram het volgend verbond: Aan uw nakomelingschap geef Ik dit land in bezit van de beek van Egypte af tot aan de grote rivier de Eufraat;
    1519met de Kenieten, Kenizzieten en Kadmonieten,
    1520de Chittieten, Perizzieten en Refaieten,
    1521de Amorieten, Kanašnieten, Girgasjieten en Jeboesieten.
    1601Sarai, de vrouw van Abram, had hem geen kinderen geschonken. Maar zij had een egyptische slavin, Hagar genaamd.
    1602En Sarai zeide tot Abram: Zie, Jahweh heeft mijn schoot gesloten; ga dus tot mijn slavin: misschien krijg ik kinderen van haar. Abram stemde met Sarai in.
    1603En Sarai, Abrams vrouw, nam Hagar, haar egyptische slavin, en gaf ze tot vrouw aan Abram, haar man; Abram woonde toen al tien jaar in het land Kanašn.
    1604Hij hield gemeenschap met Hagar, en zij werd zwanger. Toen zij bemerkte, dat zij zwanger was, zag zij minachtend op haar meesteres neer.
    1605Daarom sprak Sarai tot Abram: Gij zijt de schuld van mijn smaad. Ik zelf heb mijn slavin in uw schoot gelegd, en nu zij ziet, dat ze zwanger is, veracht ze mij. Moge Jahweh richten tussen mij en u.
    1606Abram gaf Sarai ten antwoord: Welnu, uw slavin is in uw macht; doe met haar wat ge wilt. Toen begon Sarai haar te kwellen, zodat zij de vlucht voor haar nam.
    1607De engel van Jahweh trof haar bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sjoer.
    1608Hij sprak: Hagar, dienstmaagd van Sarai, waar komt ge vandaan, en waar gaat ge heen? Zij zeide: Ik ben op de vlucht voor Sarai, mijn meesteres.
    1609De engel van Jahweh sprak toen tot haar: Keer terug naar uw meesteres, en verneder u voor haar.
    1610En de engel van Jahweh ging voort: Uw kroost zal Ik zů talrijk maken, dat men het om zijn menigte niet meer kan tellen.
    1611Nog sprak de engel van Jahweh tot haar: Zie, ge zijt zwanger; een zoon zult ge baren, En hem de naam van JisjmaŽl geven; Want Jahweh heeft naar uw schreien gehoord.
    1612Hij zal een menselijke woudezel zijn, Zijn hand zal tegen allen wezen, En de hand van allen tegen hem; Verwijderd van al zijn broers zal hij wonen.
    1613Toen noemde zij Jahweh, die met haar had gesproken: Gij zijt een God, dien ik zie. Want ze zeide: Waarachtig, ik heb God gezien; en ik leef nog, nadat ik gezien heb.
    1614Die put heet daarom de put Lachai-RoÔ; hij ligt tussen Kadesj en Bťred.
    1615Zo schonk Hagar aan Abram een zoon, en Abram noemde den zoon, dien Hagar hem baarde, JisjmaŽl.
    1616Abram was zes en tachtig jaar oud, toen Hagar hem JisjmaŽl baarde.
    1701Toen Abram negen en negentig jaar oud was, verscheen Jahweh hem, en sprak tot hem: Ik ben God, de Almachtige: Wandel voor mijn aanschijn, en wees volmaakt!
    1702Dan zal Ik mijn Verbond sluiten tussen Mij en u, En u talrijk maken uitermate.
    1703Toen viel Abram op zijn aangezicht neer, en God sprak tot hem:
    1704Zie, dat is van mijn kant het Verbond met u: Gij zult de vader worden van een menigte volken!
    1705Niet langer zal men u Abram noemen, Maar uw naam zal Abraham zijn: Want Ik maak u tot vader van een menigte volken.
    1706Zeer vruchtbaar zal Ik u maken: Ik zal u tot volken doen groeien, En koningen zullen uit u voortspruiten.
    1707Ik zal mijn Verbond gestand doen tussen Mij en u, En uw zaad na u, Van geslacht tot geslacht, als een eeuwig Verbond: Uw God zal Ik zijn, en van uw kroost na u!
    1708Ik schenk u, en uw zaad na u Het land, waar ge thans als vreemdeling toeft, Het hele land Kanašn, tot een eeuwig bezit: Hun God zal Ik zijn.
    1709Nog sprak God tot Abraham: Maar gij van ķw kant moet mijn Verbond onderhouden, Gij en uw nazaat van geslacht tot geslacht.
    1710Dit is mijn Verbond, dat gij moet onderhouden, Tussen Mij en tussen u, en uw kinderen na u: Al wat man onder u is, moet worden besneden,
    1711Het vlees van uw voorhuid moet ge laten besnijden: Dat zal het teken zijn van het Verbond Tussen Mij en tussen u.
    1712Ieder mannelijk kind onder u, dat acht dagen oud is, Moet worden besneden, van geslacht tot geslacht; Ook de slaaf, die in uw huis is geboren, Of van vreemden voor geld is gekocht, En niet tot uw nazaten hoort:
    1713Ook zij moeten worden besneden, Die in uw huis zijn geboren, Of voor geld zijn gekocht. Zo zal mijn verbond in uw vlees Tot een eeuwig Verbond zijn!
    1714Maar de man, die onbesneden zal zijn, Wien het vlees van de voorhuid niet is besneden, Die man zal uitgeroeid worden uit zijn volk, Omdat hij mijn Verbond heeft verbroken.
    1715Nog sprak God tot Abraham: Sarai, uw vrouw, zal geen Sarai meer heten, Maar Sara zal zij worden genoemd.
    1716Ik zal haar zegenen, En ook uit hŠŠr een zoon u schenken; Haar zegenen, zodat zij tot volken zal worden, En koningen van volken uit haar zullen voortspruiten!
    1717Toen viel Abraham op zijn aangezicht neer, en lachte; want hij dacht bij zich zelf: kan dan een honderdjarige nog een zoon worden geboren, en kan Sara nog baren, ofschoon zij negentig jaar oud is?
    1718Daarom zei Abraham tot God: Moge JisjmaŽl voor uw aanschijn leven.
    1719Toen sprak God: Neen: Sara uw vrouw zal u een zoon baren, En Isašk zult ge hem noemen. Met hem zal Ik mijn Verbond gestand doen voor eeuwig: Zijn God zal Ik zijn, en van zijn kinderen na hem.
    1720Ook aangaande JisjmaŽl heb Ik u verhoord: Ik zal hem zegenen, vruchtbaar maken, zeer talrijk doen zijn: Twaalf vorsten zal hij verwekken, En een groot volk zal Ik hem maken.
    1721Maar mijn Verbond doe Ik aan Isašk gestand, Dien Sara u zal baren op deze tijd van het volgende jaar.
    1722Toen brak God zijn gesprek met hem af, en steeg op van Abraham weg.
    1723Nu nam Abraham zijn zoon JisjmaŽl, en alle mannelijke huisgenoten, die bij hem in huis waren geboren of die hij voor geld had gekocht, en besneed nog op diezelfde dag het vlees van hun voorhuid, zoals God hem gezegd had.
    1724Abraham was negen en negentig jaar oud, toen zijn voorhuid besneden werd;
    1725zijn zoon JisjmaŽl was dertien jaar oud, toen zijn voorhuid besneden werd.
    1726Op dezelfde dag werden Abraham en zijn zoon JisjmaŽl besneden;
    1727en al de mannelijke huisgenoten, die in zijn huis waren geboren of die hij van vreemden voor geld had gekocht, werden met hem besneden.
    1801Daarna verscheen Jahweh hem bij de eik van Mamre. Eens, toen hij op een hete middag in de opening van zijn tent zat,
    1802en zijn ogen opsloeg, zag hij drie mannen voor zich staan. Zodra hij ze zag, liep hij ze van de tentingang tegemoet, boog zich ter aarde,
    1803en sprak: Heer; als ik genade gevonden heb in uw ogen, ga dan uw dienaar niet voorbij.
    1804Sta mij toe, wat water te laten brengen; dan kunt Gij u de voeten wassen, en uitrusten onder de boom.
    1805Ik zal ook een stuk brood laten halen, om u wat te verkwikken, eer ge verder trekt; gij zijt nu toch langs uw dienaar gekomen. Zij zeiden: Doe, wat ge zegt.
    1806Vlug ging Abraham zijn tent binnen, naar Sara, en sprak: Neem gauw drie maten fijne bloem, kneed ze en bak er broodkoeken van.
    1807Zelf liep Abraham naar de kudde, om een mals en mooi kalf te halen; hij gaf het aan zijn knecht, die zich haastte, het klaar te maken.
    1808Dan nam hij room en melk met het kalf, dat hij had laten toebereiden, en diende het op; terwijl zij aten, bleef hij zelf bij hen onder de boom staan.
    1809Nu zeiden zij hem: Waar is Sara, uw vrouw? Hij antwoordde: Hier in de tent.
    1810Toen zeide Hij: Als Ik over een jaar om deze tijd bij u terugkom, zal uw vrouw Sara een zoon hebben. Sara stond achter hem te luisteren bij de opening van de tent.
    1811Nu waren Abraham en Sara beiden oud en hoogbejaard, en het ging Sara niet meer naar de wijze der vrouwen.
    1812Daarom moest Sara heimelijk lachen, en dacht: Zal er dan nog liefdegenot voor mij zijn, nu ik zelf verwelkt ben, en ook mijn heer al oud is!
    1813Maar Jahweh sprak tot Abraham: Waarom lacht Sara toch, en denkt ze: zal ik dan werkelijk nog baren op mijn oude dag?
    1814Is er dan iets te moeilijk voor Jahweh? Over een jaar om deze tijd kom Ik bij u terug, en dan heeft Sara een zoon.
    1815Sara ontkende het in haar angst, en zei: Ik heb niet gelachen. Maar Hij sprak: Ge hebt wŤl gelachen.
    1816Daarop stonden de mannen op, en namen de richting van Sodoma, terwijl Abraham mee ging, om ze uitgeleide te doen.
    1817Toen dacht Jahweh bij Zichzelf: Waarom zou Ik voor Abraham geheim houden, wat Ik ga doen?
    1818Want Abraham zal zeker een groot en machtig volk worden, en alle volken der aarde zullen in hem worden gezegend.
    1819Daarom juist heb Ik hem uitverkoren, opdat hij aan zijn zonen en zijn nageslacht zou bevelen, de weg van Jahweh te bewaren door gerechtigheid en recht te beoefenen; en Jahweh dus aan Abraham vervullen kan, wat Hij hem heeft beloofd.
    1820Daarom sprak Jahweh: Luid schreit het wraakgeroep over Sodoma en Gomorra, en hun zonde is buitengewoon zwaar.
    1821Ik wil er heen, om te zien, of zij zich werkelijk zo gedragen, als het wraakgeroep klinkt, dat tot Mij is doorgedrongen; Ik wil Mij ervan op de hoogte stellen.
    1822Maar toen de mannen vandaar de weg naar Sodoma wilden inslaan, bleef Abraham voor Jahweh staan,
    1823trad nader, en sprak: Zult Gij nu werkelijk den goede met den kwade verdelgen?
    1824Misschien dat er toch vijftig rechtvaardigen in de stad worden gevonden; zoudt Gij de plaats dan verdelgen, of zoudt Gij haar niet liever vergiffenis schenken om die vijftig rechtvaardigen, die er worden gevonden?
    1825Het zij verre van U, zo te handelen, en de goeden met de kwaden te doden, zodat het den rechtvaardige vergaat als den boze. Neen, dat zij verre van U! Zou Hij, die heel de aarde richt, geen recht laten gelden?
    1826Jahweh sprak: Als Ik vijftig rechtvaardigen in de stad Sodoma vind, dan zal Ik de hele plaats om hunnentwil vergiffenis schenken.
    1827Abraham hernam: Zie, ik waag het, tot mijn Heer te spreken, ofschoon ik maar stof ben en as.
    1828Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf; zoudt Gij dan toch om die vijf de hele stad verdelgen? Hij sprak: Ik zal ze niet verdelgen, als Ik er maar vijf en veertig vind.
    1829Nu ging hij voort: Misschien worden er veertig gevonden? Hij sprak: Dan zal Ik het niet doen om wille van die veertig.
    1830Nu zeide hij weer: Laat mijn Heer nu niet toornig worden, als ik blijf spreken; misschien worden er maar dertig gevonden. Hij sprak: Ik zal het niet doen, als Ik er dertig vind.
    1831Hij zeide opnieuw: Zie, ik heb het nu toch al gewaagd, tot mijn Heer te spreken; misschien dat er twintig worden gevonden. Hij sprak: Ik zal ze niet verdelgen om wille van die twintig.
    1832Hij hield aan: Laat mijn Heer niet toornig worden, als ik nu nog ťťn keer spreek; misschien worden er maar tien gevonden. Hij zeide: Ik zal ze niet verdelgen om die tien.
    1833Toen Jahweh het gesprek met Abraham had beŽindigd, ging Hij heen, en keerde Abraham naar zijn woonplaats terug.
    1901De beide engelen kwamen tegen de avond te Sodoma aan, terwijl Lot juist in de poort van Sodoma was gezeten. Toen Lot hen zag, stond hij op, ging ze tegemoet, boog zich neer met zijn gezicht tegen de grond,
    1902en zeide: Ik bid u, mijne heren; neemt toch uw intrek in het huis van uw dienaar, om daar te overnachten, en uw voeten te wassen; dan kunt ge morgenvroeg uw reis vervolgen. Zij gaven ten antwoord: Neen, we zullen liever op straat overnachten.
    1903Maar hij nodigde hen zů dringend uit, dat zij naar zijn huis gingen, en hun intrek bij hem namen. Hij richtte een maaltijd voor hen aan, liet ongedesemde broden bakken, en zij aten.
    1904Nog hadden ze zich niet ter ruste gelegd, of de mannen van de stad omringden het huis: de mannen van Sodoma, jong en oud, het hele volk tot den laatste toe.
    1905Zij riepen tot Lot: Waar zijn de mannen, die vanavond bij u gekomen zijn? Breng ze naar buiten bij ons, opdat wij er omgang mee hebben.
    1906Lot ging naar buiten naar hen toe, maar sloot de deur achter zich dicht.
    1907En hij sprak: Broeders, dat kwaad moet ge niet doen.
    1908Luistert eens: ik heb twee dochters, die nog nooit bij een man zijn geweest; die wil ik naar buiten tot u brengen, en ge kunt met haar doen, wat ge wilt. Maar deze mannen moogt ge niets doen; want zij staan onder de schutse van mijn dak.
    1909Zij schreeuwden: Ruk in! Die komt hier als vreemdeling, en wil ons de les lezen. We konden je nog wel eens erger krijgen dan die anderen! Onstuimig drongen ze op tegen den man Lot, en kwamen al dichter en dichter bij, om de deur open te breken.
    1910Toen staken de mannen hun hand uit, trokken Lot naar zich toe, het huis in, en sloten de deur;
    1911en de mannen, die voor de huisdeur stonden, klein en groot, sloegen zij met verblinding, zodat zij de ingang niet konden vinden.
    1912Nu zeiden de mannen tot Lot: Wie ge nog hier hebt: uw schoonzoon, uw zonen en dochters en al de uwen hier in de stad, breng ze hier vandaan.
    1913Waarachtig, we gaan deze plaats verdelgen, want het wraakgeroep over hen schreit luid bij Jahweh; Jahweh heeft ons gezonden, om haar te vernielen.
    1914Lot ging naar buiten, om met zijn schoonzoons te spreken, die met zijn dochters waren verloofd; en hij zeide: Staat op, trekt gauw hier vandaan; want Jahweh gaat de stad verdelgen. Doch die schoonzoons dachten, dat hij maar schertste.
    1915Maar toen de dageraad aanbrak, drongen de engelen bij Lot aan, en zeiden: Vlug; neem uw vrouw en uw beide dochters mee, die bij u in huis zijn; anders komt ge nog om bij de bestraffing van de stad.
    1916En toen hij nog talmde, namen de mannen hem, zijn vrouw en zijn twee dochters bij de hand, en brachten hem in veiligheid buiten de stad, omdat Jahweh hem wilde sparen.
    1917En toen zij hen buiten hadden gebracht, zeiden zij: Vlucht, want het gaat om uw leven; kijk niet om, blijf nergens in de buurt staan, maar vlucht naar de bergen, als ge niet mee wilt omkomen.
    1918Maar Lot zeide tot hen: Och neen, Heer.
    1919Zie, uw dienaar heeft genade gevonden in uw ogen, en gij hebt me reeds grote barmhartigheid bewezen, door mijn leven te redden; het is mij onmogelijk, het gebergte nog te bereiken, eer het onheil mij achterhaalt, en ik sterf.
    1920Zie, het gindse stadje is genoeg dichtbij, om daarheen te vluchten. Het is toch zo klein. Laat me nu daarheen vluchten, en mijn leven behouden. Ach, het is toch zo klein!
    1921Hij sprak tot hem: Ook deze bede van u heb ik verhoord; het stadje, dat ge bedoelt, zal ik niet verwoesten.
    1922Vlucht er nu haastig heen; want ik kan niets beginnen, eer ge daar zijt aangekomen. Daarom wordt die stad Sůar genoemd.
    1923Toen de zon over de aarde was opgegaan, en Lot te Sůar was aangekomen,
    1924liet Jahweh zwavel en vuur van Jahweh uit de hemel regenen over Sodoma en Gomorra.
    1925Hij vernietigde die steden en de hele streek tot de grond toe, met al de bewoners van die steden en al wat op de akkers stond.
    1926De vrouw van Lot, die achter hem aanliep, keek om, en werd in een zoutklomp veranderd.
    1927Vroeg in de morgen begaf Abraham zich naar de plaats, waar hij voor het aanschijn van Jahweh had gestaan.
    1928Toen hij in de richting van Sodoma en Gomorra en het hele land in de omtrek keek, zag hij een walm van de aarde opstijgen als de rook van een smeltoven.
    1929Zo was God Abraham indachtig, toen Hij de steden van die streek verwoestte, en liet Hij ook Lot aan de verdelging ontkomen, waarmede Hij de steden trof, waarin Lot had gewoond.
    1930Daar Lot niet in Sůar durfde blijven, trok hij uit Sůar weg, ging met zijn twee dochters in het gebergte wonen, en huisde met zijn beide dochters in een grot.
    1931Nu zeide de oudste tot de jongste: Onze vader wordt oud, en er is geen man in het land, om op de gebruikelijke manier gemeenschap met ons te houden.
    1932Kom, we moeten onzen vader wijn laten drinken, en bij hem gaan slapen; dan zullen we tenminste van onzen vader kroost verwekken.
    1933Zij gaven haar vader die avond dan wijn te drinken, en de oudste ging bij haar vader liggen; maar hij was er zich niet van bewust, noch dat ze ging liggen, noch dat ze opstond.
    1934De volgende morgen zei de oudste tot de jongste: Zie, ik heb vannacht bij vader geslapen; laten wij hem vanavond weer wijn geven, en dan moet gij bij hem slapen; dan zullen we van onzen vader kroost verwekken.
    1935Ook die avond gaven ze haar vader wijn te drinken, en nu ging de jongste bij hem liggen; maar hij was er zich niet van bewust, noch dat ze ging liggen, noch dat ze opstond.
    1936Zo werden de beide dochters van Lot zwanger van haar vader.
    1937De oudste baarde een zoon, en noemde hem Moab; hij werd de vader der tegenwoordige Moabieten.
    1938Ook de jongste baarde een zoon, en noemde hem Ben-Ammi; hij is de vader der tegenwoordige Ammonieten.
    2001Abraham trok vandaar de Nťgeb in, en vestigde zich tussen Kadesj en Sjoer. Zolang Abraham in Gerar verbleef,
    2002vertelde hij van zijn vrouw Sara, dat ze zijn zuster was; zo liet Abimťlek, de koning van Gerar, Sara schaken.
    2003Maar God verscheen Abimťlek des nachts in een droom, en sprak tot hem: Zie, ge zult sterven, omdat ge die vrouw hebt geschaakt; want ze is al gehuwd.
    2004Abimťlek, die haar nog niet was genaderd, sprak: Heer, zoudt Gij dan een rechtschapen man willen doden?
    2005Heeft hij mij niet gezegd: Het is mijn zuster; en heeft ook zij zelf niet gezegd: Het is mijn broer? Met onschuldig hart en reine handen heb ik dit gedaan.
    2006En God sprak tot hem in de droom: Omdat Ik wist, dat gij dit met onschuldig hart hebt gedaan, heb Ik er u voor bewaard, tegen Mij te zondigen, en u daarom belet, haar aan te raken.
    2007Geef nu de vrouw van dien man terug; want hij is een profeet. Hij zal voor u bidden, en ge zult blijven leven; maar als ge haar niet terugzendt, weet dan, dat ge zeker zult sterven, gij en al de uwen:
    2008De volgende morgen riep Abimťlek al zijn dienaren bijeen, en deelde hun de hele toedracht mee; zijn mannen schrokken er geweldig van.
    2009Nu liet Abimťlek Abraham roepen, en zei hem: Wat hebt ge ons aangedaan? Wat heb ik tegen u misdreven, dat gij op mij en op mijn koninkrijk zo'n zware schuld hebt geladen. Ge hebt met mij iets gedaan, wat nog nooit is voorgekomen.
    2010En Abimťlek vervolgde tot Abraham: Wat was eigenlijk uw bedoeling, toen ge dat deedt?
    2011Abraham antwoordde: Ik dacht, er mocht eens in deze stad volstrekt geen vrees voor God worden gevonden; dan zou men er mij om mijn vrouw vermoorden.
    2012Trouwens ze is ook werkelijk mijn zuster: de dochter van mijn vader, maar niet van mijn moeder; zo is ze mijn vrouw geworden.
    2013En toen God mijn rondzwervingen ver van mijn vaderlijk huis liet beginnen, zei ik tot haar: Ge moet me deze liefdedienst bewijzen: overal waar we komen, moet ge van mij vertellen: hij is mijn broer.
    2014Toen liet Abimťlek schapen en runderen, slaven en slavinnen halen, gaf ze Abraham ten geschenke, en zond hem ook zijn vrouw Sara terug.
    2015Abimťlek sprak bovendien: Zie, mijn land ligt voor u open; ga wonen, waar het u bevalt.
    2016En tot Sara zeide hij: Ziehier, ik geef duizend zilverstukken aan uw broer; dat zal in de ogen van al de uwen een vergoeding voor u zijn; en dan hebt ge in alles voldoening gekregen.
    2017Nu bad Abraham tot God; en God genas Abimťlek, zijn vrouw en zijn slavinnen, zodat zij kinderen konden krijgen.
    2018Want Jahweh had iedere schoot van Abimťleks huis gesloten om Sara, de vrouw van Abraham.
    2101En Jahweh trok Zich Sara aan, zoals Hij gezegd had; Jahweh deed Sara zijn belofte gestand.
    2102Zij werd zwanger, en schonk Abraham op zijn oude dag een zoon, juist op de tijd, die God had voorzegd.
    2103Abraham noemde den zoon, die hem was geboren, en dien Sara hem geschonken had, Isašk.
    2104En Abraham besneed zijn zoon Isašk, toen hij acht dagen oud was, zoals God hem bevolen had.
    2105Abraham was bij de geboorte van zijn zoon Isašk honderd jaar oud.
    2106Sara zeide: God heeft mij reden tot lachen gegeven; en ook iedereen, die het hoort, zal lachen.
    2107En zij zeide: Wie had tot Abraham durven zeggen: Sara zal nog kinderen voeden? Toch heb ik een zoon gebaard op zijn oude dag.
    2108Het kind groeide op, en werd aan de borst ontwend; en toen Isašk van de borst werd afgenomen, richtte Abraham een groot feestmaal aan.
    2109Maar toen Sara den zoon, dien Hagar de Egyptische aan Abraham geschonken had, haar eigen zoon Isašk zag uitlachen,
    2110sprak ze tot Abraham: Jaag die slavin met haar zoon weg; want de zoon van die slavin mag geen erfgenaam worden met mijn zoon Isašk.
    2111Dit woord verdroot Abraham om zijn zoon.
    2112Maar God sprak: Wees niet verdrietig om den knaap en om uw slavin. Willig alles in, wat Sara u zegt; want alleen wat van Isašk afstamt, zal uw nakomelingschap worden genoemd.
    2113Toch zal Ik ook van den zoon der slavin een volk maken, omdat hij uw kind is.
    2114Daarom nam Abraham de volgende morgen brood en een zak water, gaf ze aan Hagar, zette het kind op haar schouder, en zond haar weg. Zij ging heen, maar verdwaalde in de woestijn van BeŽr-Sjťba.
    2115Toen het water uit de zak op was, legde zij den jongen onder een der struiken neer.
    2116Zelf ging zij op een boogschot afstand daar tegenover zitten; want ze zei: Ik kan het kind niet zien sterven. En terwijl ze zo tegenover hem zat, begon ze hardop te snikken.
    2117God hoorde ook den knaap schreien; en de engel van God riep uit de hemel tot Hagar, en zeide tot haar: Wat is er toch Hagar? Wees maar niet bang; want God heeft het schreien van den jongen gehoord; dat betekent immers zijn naam.
    2118Sta op, neem den knaap op, en houd hem goed vast; want Ik zal een groot volk van hem maken.
    2119Toen opende God haar ogen, zodat zij een waterput zag; zij ging de zak met water vullen, en gaf den jongen te drinken.
    2120En God was met den knaap. Toen hij groot was geworden, vestigde hij zich in de woestijn, en werd een boogschutter.
    2121Hij woonde in de woestijn van Paran, en zijn moeder nam hem een vrouw uit het land van Egypte.
    2122Het was ongeveer in dezelfde tijd, dat Abimťlek en zijn legerhoofd Pikol tot Abraham zeiden: God is met u bij al wat ge doet.
    2123Zweer mij hier dus bij God, dat ge mij, noch mijn geslacht en mijn stam, ontrouw zult worden; maar dat ge mij en het land, waarin ge als gast verblijft, dezelfde vriendschap zult bewijzen, als ik u heb getoond.
    2124En Abraham zeide: Ik zweer het.
    2125Maar tegelijk deed Abraham bij Abimťlek zijn beklag, dat de knechten van Abimťlek zich met geweld van zijn waterput hadden meester gemaakt.
    2126Abimťlek zeide: Ik weet niet, wie dat gedaan heeft; ge hebt er mij ook nooit van gesproken, en ik heb er tot nu toe niets van gehoord.
    2127Daarop haalde Abraham schapen en runderen, gaf ze aan Abimťlek ten geschenke, en zij sloten een verbond met elkander.
    2128Toen Abraham zeven lammetjes had afgezonderd,
    2129zei Abimťlek tot Abraham: Wat betekenen die zeven lammetjes, die ge afgezonderd houdt?
    2130Hij antwoordde: Zeven lammetjes moet ge van mij aannemen; dit zal mij tot getuigenis dienen, dat ik die put heb gegraven.
    2131Daarom wordt die plaats BeŽr-Sjťba genoemd, omdat zij daar beiden een eed hebben gezworen.
    2132En nadat zij dus een verbond te BeŽr-Sjťba hadden gesloten, brak Abimťlek met zijn legeroverste Pikol op, en keerde naar het land der Filistijnen terug.
    2133Abraham plantte een tamarisk te BeŽr-Sjťba, en riep daar de naam van Jahweh aan, den eeuwigen God.
    2134Nog lang bleef hij in het land der Filistijnen wonen.
    2201Enige tijd later stelde God Abraham op de proef. Hij sprak tot hem: Abraham! Deze antwoordde: Hier ben ik.
    2202Hij sprak: Neem Isašk, uw enigen zoon, dien ge liefhebt, ga naar het land van de Moria, en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen, die Ik u aanwijs.
    2203De volgende morgen zadelde Abraham zijn ezel, ontbood twee van zijn knechten en zijn zoon Isašk, en kloofde brandhout voor het offer. Toen trok hij op, en ging naar de plaats, die God hem genoemd had.
    2204De derde dag sloeg Abraham zijn ogen op, en zag de plaats in de verte.
    2205Nu sprak Abraham tot zijn knechten: Blijft hier met den ezel; ik en de jongen gaan daarheen, om te aanbidden; daarna keren we tot u terug.
    2206Daarop nam Abraham het hout voor het offer, en gaf het zijn zoon Isašk te dragen; zelf droeg hij het vuur en het mes. Zo gingen ze samen op weg.
    2207Maar Isašk zei tot zijn vader Abraham: Vader! Hij antwoordde: Wat is er, mijn jongen? Hij zeide: Zie, we hebben wel vuur en offerhout, maar waar is het schaap voor het offer?
    2208Abraham antwoordde: God zelf zal wel voor het offerschaap zorgen, mijn kind. En samen gingen ze verder.
    2209Toen zij aan de plaats waren gekomen, die God hem genoemd had, bouwde Abraham daar een altaar, en stapelde het hout op. Dan bond hij zijn zoon Isašk, en legde hem op het altaar boven op het hout.
    2210En Abraham strekte zijn hand uit, om het mes te grijpen, en zijn zoon te doden.
    2211Daar riep de engel van Jahweh uit de hemel hem toe, en sprak: Abraham, Abraham! Hij zeide: Hier ben ik.
    2212Hij sprak: Sla uw hand niet aan den knaap, en doe hem geen kwaad. Want nu weet Ik, dat gij God vreest; want ge hebt Mij uw enigen zoon niet willen onthouden.
    2213Nu sloeg Abraham zijn ogen op, en zag een ram, die met zijn horens in het struikgewas zat verward; Abraham greep den ram, en droeg hem als brandoffer op, in plaats van zijn zoon.
    2214Abraham gaf die plaats de naam: Jahweh draagt zorg, daarom wordt ook nu nog gezegd: op de berg van Jahweh wordt zorg gedragen.
    2215Voor de tweede maal riep de engel van Jahweh Abraham uit de hemel toe,
    2216en sprak: Ik zweer bij Mijzelf, Luidt de godsspraak van Jahweh! Omdat ge dit hebt gedaan, En uw enigen zoon niet gespaard hebt:
    2217Daarom zal Ik u zegenen, En uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, En als het zand aan het strand van de zee; Uw kroost zal de poorten van zijn vijanden bezitten.
    2218In uw zaad zullen alle volken der aarde worden gezegend, Omdat gij naar mijn stem hebt gehoord.
    2219Toen keerde Abraham terug naar zijn knechten; zij trokken op, en gingen naar BeŽr-Sjťba terug. Abraham bleef te BeŽr-Sjťba wonen.
    2220Enige tijd later berichtte men Abraham: Ook Milka heeft uw broer Nachor zonen geschonken.
    2221Het waren Oes zijn eerstgeborene, en Boez zijn broer; verder KemoeŽl, de vader van Aram,
    2222en Kťsed, Chazo, Pildasj, Jidlaf en BetoeŽl.
    2223Deze BetoeŽl verwekte Rebekka. Deze acht baarde Milka aan Nachor, den broer van Abraham.
    2224En zijn bijvrouw, die Reoema heette, baarde Tťbach en GŠcham, TŠchasj en Maška.
    2301Toen Sara honderd zeven en twintig jaren oud was (dat was de leeftijd van Sara),
    2302stierf Sara te Kirjat-Arba, nu Hebron genoemd, in het land Kanašn. En nadat Abraham lijkklacht over Sara had gehouden, en haar had beweend,
    2303verliet Abraham zijn afgestorvene, om met de zonen van Chet te gaan spreken.
    2304Hij zeide: Ik leef maar als gast en vreemde bij u; maar staat mij toch een familiegraf bij u af, waar ik mijn dode, die van mij is heengegaan, kan begraven.
    2305De zonen van Chet gaven Abraham ten antwoord:
    2306Heer, hoor ons aan. Gij zijt een vorst Gods onder ons! Begraaf dus uw afgestorvene in het mooiste onzer graven; niemand van ons zal u zijn eigen grafstede weigeren, om er uw afgestorvene in te begraven.
    2307Toen stond Abraham op, boog zich ter aarde voor de Chittieten, de bewoners van het land,
    2308en zeide tot hen: Zo gij er in toestemt, dat ik mijn dode, die van mij is heengegaan, begraaf, weest mij dan terwille, en doet een goed woord voor mij bij Efron, den zoon van Sůchar.
    2309Laat hij mij de grot van Makpela verkopen, die zijn eigendom is, en die aan de rand van zijn akker ligt. Laat hij ze mij in uwe tegenwoordigheid voor de volle prijs tot familiegraf afstaan.
    2310Daar ook Efron zelf in de kring der Chittieten zat, stond dus Efron, de Chittiet, Abraham te woord ten aanhoren van al de zonen van Chet, die naar de poort van zijn stad waren gekomen. Hij sprak:
    2311Zo niet, heer: maar luister naar mij: Ik geef u het land ten geschenke met de grot, die er op ligt; in tegenwoordigheid van mijn stamgenoten sta ik ze u af; begraaf er uw dode.
    2312Weer boog Abraham voor de bewoners van het land zich ter aarde,
    2313en sprak tot Efron ten aanhoren van alle bewoners van het land: Zo gij de eigenaar zijt, hoor mij dan aan: Ik wil toch liever het land betalen; neem het geld van mij aan, dan kan ik mijn dode daar begraven.
    2314Maar Efron antwoordde weer aan Abraham:
    2315Toch niet, heer, maar luister naar mij: Een stuk land van vierhonderd zilveren sikkels, wat betekent dat nu voor u of mij; begraaf dus uw dode.
    2316Abraham ging in op het aanbod van Efron, en woog het zilver af, dat Efron ten aanhoren van de zonen van Chet had gevraagd: vierhonderd zilveren sikkels, zoals ze bij de kooplui gangbaar zijn.
    2317Zo werd de akker van Efron, die in Makpela ten oosten van Mamre ligt, zowel de akker zelf als de grot, die er op ligt, met de bomen, die op de akker stonden, en die het hele terrein omringden,
    2318Abrahams eigendom in tegenwoordigheid van al de Chittieten, die naar de poort van zijn stad waren gekomen.
    2319Nu begroef Abraham zijn vrouw Sara in de grot op de akker van Makpela, ten oosten van Mamre, dat Hebron is, in het land Kanašn.
    2320Zo ging de akker en de grot, die er op ligt, van de zonen van Chet aan Abraham over als familiegraf.
    2401Abraham was oud en hoogbejaard, en Jahweh had Abraham in alles gezegend.
    2402Daarom sprak Abraham tot den oudsten dienaar van zijn huis, die het opzicht had over heel zijn bezit: Leg uw hand onder mijn heup;
    2403want ik wil u doen zweren bij Jahweh, den God des hemels en den God der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw zult kiezen uit de dochters der Kanašnieten, in wier midden ik woon;
    2404maar dat gij naar mijn land en mijn familie zult gaan, om dŠŠr een vrouw voor mijn zoon Isašk te zoeken.
    2405De dienaar antwoordde: Maar als nu de vrouw mij niet wil volgen naar dit land, moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land, waaruit gij zijt weggetrokken?
    2406Maar Abraham zeide hem: Pas op, dat ge mijn zoon daar niet terugbrengt.
    2407Jahweh, de God des hemels, die mij uit mijn vaderlijk huis en uit mijn geboorteland heeft geleid, en die mij gezegd en bezworen heeft: Aan uw nageslacht geef Ik dit land: Hij zal zijn engel voor u uit zenden, en u daar voor mijn zoon een vrouw laten vinden.
    2408Mocht die vrouw u niet willen volgen, dan verplicht mijn eed u niet langer; maar in geen geval moogt ge mijn zoon daar terugbrengen.
    2409Toen legde de dienaar zijn hand onder de heup van Abraham, zijn meester, en zwoer hem de gevraagde eed.
    2410Nu nam de dienaar tien kamelen uit de kudde van zijn meester, pakte allerlei kostbaarheden van zijn meester bijeen, trok op en reisde naar Aram-NaharŠim, naar de stad van Nachor.
    2411Buiten de stad bij de waterput liet hij de kamelen neerknielen; het was tegen de avond, dus tegen de tijd, dat de vrouwen naar buiten gaan, om water te putten.
    2412Toen sprak hij: Jahweh, God van mijn heer Abraham; ik bid U, laat mij nu slagen, en wees Abraham, mijn meester, genadig.
    2413Zie, ik sta bij de bron, en de dochters van de burgers der stad komen naar buiten, om water te putten.
    2414Wanneer het meisje, tot wie ik zeg: reik mij uw kruik, om te drinken, ten antwoord geeft: drink, en ook uw kamelen zal ik water geven; dan zal dŗt het meisje zijn, dat Gij voor uw dienaar Isašk hebt bestemd; en daaraan zal ik erkennen, dat Gij mijn heer genadig zijt.
    2415Nog had hij niet uitgesproken, of Rebekka kwam met een kruik op haar schouder naar buiten; zij was de dochter van BetoeŽl, den zoon van Milka, de vrouw van Nachor, Abrahams broer.
    2416Het was een bijzonder mooi meisje; een maagd, die nog met geen man omgang had gehad. Zij daalde af naar de bron, vulde haar kruik, en kwam weer naar boven.
    2417De dienaar liep op haar toe, en sprak: Laat mij een beetje water drinken uit uw kruik.
    2418Zij antwoordde: Drink, heer. En terstond liet zij de kruik op haar hand zakken, en gaf hem te drinken.
    2419En toen zij hem had laten drinken, zeide zij nog: Ook voor uw kamelen zal ik water putten, tot ze genoeg hebben.
    2420Vlug goot ze haar kruik in de drinkbak leeg, repte zich weer naar de put, om opnieuw te gaan scheppen, en water te putten voor al zijn kamelen.
    2421Zwijgend nam de man haar nauwkeuriger op, om te weten, of Jahweh zijn reis had doen slagen, of niet.
    2422En nadat de kamelen volop hadden gedronken, nam de man een gouden neusring ter waarde van een halve sikkel, stak die in haar neus, deed om haar polsen twee armbanden ter waarde van tien gouden sikkels,
    2423en vroeg: Wiens dochter zijt gij; vertel me dat eens? Is er in het huis van uw vader plaats voor ons, om te overnachten?
    2424Ze gaf hem ten antwoord: Ik ben de dochter van BetoeŽl, den zoon van Milka, dien zij aan Nachor heeft gebaard.
    2425En zij ging voort: We hebben stro en voedsel in overvloed, ook plaats om te overnachten.
    2426Toen viel de man op zijn knieŽn, aanbad Jahweh,
    2427en sprak: Gezegend zij Jahweh, de God van Abraham, mijn meester, die zijn genade en trouw aan mijn heer niet onthoudt; want Jahweh heeft mij geleid naar het huis van den broer van mijn heer.
    2428Het meisje was al naar huis gelopen, en vertelde thuis aan haar moeder, wat er gebeurd was.
    2429Nu had Rebekka een broer, die Laban heette. Laban liep naar den man, die buiten bij de bron stond;
    2430want hij had de neusring gezien met de armbanden om de polsen van zijn zuster, en zijn zuster Rebekka horen vertellen: zo en zo heeft de man met mij gesproken. Hij trad op hem toe, terwijl hij nog met de kamelen bij de bron stond te wachten,
    2431en sprak: Kom, gezegende van Jahweh; waarom blijft ge nog buiten staan, terwijl ik het huis en een plaats voor de kamelen al gereed heb?
    2432Hij leidde den man naar huis, zadelde de kamelen af, en gaf ze stro en voer; dan bracht hij voor hem en zijn mannen water, om zich de voeten te wassen.
    2433Maar toen hem spijzen werden voorgezet, zeide hij: Ik eet niet, eer ik gezegd heb, wat ik moet zeggen. Hij zeide: Spreek op.
    2434En hij sprak: Ik ben de dienaar van Abraham.
    2435Jahweh heeft mijn heer overvloedig gezegend, zodat hij rijk is geworden; Hij heeft hem schapen en runderen, zilver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels geschonken.
    2436En Sara, de vrouw van mijn meester, heeft mijn heer een zoon gebaard, toen ze reeds oud was; en aan hem heeft hij heel zijn bezit vermaakt.
    2437Nu heeft mijn meester mij een eed laten zweren: Gij moogt voor mijn zoon geen vrouw nemen uit de dochters der Kanašnieten, in wier land ik woon;
    2438maar ge moet naar het huis van mijn vader gaan en naar mijn stam, om daar een vrouw voor mijn zoon te halen.
    2439Ik zeide tot mijn heer: Maar als die vrouw mij niet wil volgen?
    2440Hij antwoordde mij: Jahweh voor wiens aanschijn ik heb geleefd, Hij zal zijn engel met u zenden, en uw reis doen gelukken; gij zult een vrouw voor mijn zoon krijgen uit mijn stam en uit het huis van mijn vader.
    2441Eerst dan zijt gij van de eed, die ik u opleg, ontslagen, als ge bij mijn stam zijt gekomen, en men er u geen geven wil; dan verplicht mijn eed u niet meer.
    2442Toen ik dan vandaag bij de bron was gekomen, zeide ik: Jahweh, God van mijn heer Abraham; ach, laat toch de reis gelukken, die ik heb ondernomen.
    2443Zie, ik sta nu bij de waterbron. Wanneer de maagd, die naar buiten komt, om water te putten, en tot wie ik zeg: geef mij een beetje water te drinken uit uw kruik,
    2444mij ten antwoord geeft: drink, en ook voor uw kamelen zal ik putten, dan zal zij de vrouw zijn, die Jahweh voor den zoon van mijn heer heeft bestemd.
    2445Nog had ik bij mezelf niet uitgesproken, of daar kwam Rebekka naar buiten met haar kruik op haar schouder, en daalde af naar de bron, om te putten. En toen ik haar zeide: laat mij wat drinken,
    2446liet ze dadelijk haar kruik zakken, en sprak: drink, en ook uw kamelen zal ik water geven. Ik dronk, en ze liet ook de kamelen drinken.
    2447Ik vroeg haar: Wiens dochter zijt gij? Zij antwoordde: De dochter van BetoeŽl, den zoon van Nachor, dien Milka hem geschonken heeft. Toen stak ik een ring in haar neus, en deed armbanden om haar polsen.
    2448Ik viel op mijn knieŽn om Jahweh te aanbidden, en ik zegende Jahweh, den God van mijn heer Abraham, die mij op de rechte weg had geleid, om voor zijn zoon de dochter van den broer van mijn meester te gaan halen.
    2449Welnu dan, als gij mijn heer liefde en trouw wilt bewijzen, zegt het mij dan; maar zo niet, laat het mij eveneens weten, dan kan ik naar rechts of naar links gaan.
    2450Laban en BetoeŽl gaven ten antwoord: Dit is een beschikking van Jahweh; we kunnen er niets tegen inbrengen.
    2451Zie Rebekka staat te uwer beschikking; neem haar met u mee, opdat zij de vrouw wordt van den zoon van uw heer, zoals Jahweh gezegd heeft.
    2452Toen de dienaar van Abraham had gehoord wat ze zeiden, wierp hij zich ter aarde voor Jahweh neer.
    2453Hij haalde zilveren en gouden sieraden en klederen te voorschijn, en schonk ze aan Rebekka; ook aan haar broer en haar moeder gaf hij kostbare geschenken.
    2454Toen eerst aten en dronken hij en zijn mannen, en bleven ze overnachten. Zodra men de volgende morgen was opgestaan, sprak hij: Laat mij nu terug gaan naar mijn heer.
    2455Maar haar broer en haar moeder zeiden: Laat het meisje nog een dag of tien bij ons blijven; dan kan ze vertrekken.
    2456Maar hij antwoordde hun: Houdt me niet tegen, nu Jahweh mijn reis heeft doen slagen; staat mij dus toe, naar mijn heer te vertrekken.
    2457Ze zeiden: We zullen het meisje roepen, en het haar zelf vragen.
    2458Zij riepen Rebekka, en vroegen haar: Wilt ge met dien man meegaan? Zij antwoordde: Ja!
    2459Nu lieten ze hun zuster Rebekka vertrekken, vergezeld van haar min en den dienaar van Abraham met zijn volk.
    2460Zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: Zuster, moogt ge tot duizend maal tienduizenden groeien, En moge uw kroost de poorten bezitten van die het haten.
    2461Toen maakten Rebekka en haar dienstmaagd zich klaar, stegen op de kamelen, en sloten zich aan bij den man; de dienaar nam Rebekka mee, en vertrok.
    2462Intussen was Isašk naar de woestijn bij de bron van Lachai-RoÔ getrokken, en woonde hij in het land van de Nťgeb.
    2463Eens was Isašk bij het vallen van de avond het veld ingegaan, om zich wat te verzetten; toevallig sloeg hij zijn ogen op, en zie: daar kwamen kamelen aan.
    2464Ook Rebekka sloeg haar ogen op; en toen zij Isašk zag, liet zij zich van haar kameel afglijden,
    2465en sprak tot den dienaar: Wie is die man daar, die ons in het veld tegemoet komt? De dienaar antwoordde: Dat is mijn meester. Toen nam ze haar sluier, en bedekte zich.
    2466En nadat de dienaar alles, wat hij gedaan had, aan Isašk had verteld,
    2467leidde Isašk Rebekka naar de tent van Sara zijn moeder, en nam haar tot vrouw. Isašk kreeg haar lief, en troostte zich over de dood van zijn moeder.
    2501Abraham had nog een andere vrouw genomen, Ketoera geheten.
    2502Zij baarde hem Zimran, Joksjan, Medan, Midjan, Jisjbak en Sjůeach.
    2503Joksjan verwekte Sjeba en Dedan. De zonen van Dedan waren de Assjoerieten, de Letoesjieten en de Leoemmieten.
    2504De zonen van Midjan waren Efa, Efer, Chanok, Abida en Eldaš. Dat waren allen nakomelingen van Ketoera.
    2505Abraham gaf alles, wat hij bezat aan Isašk.
    2506Aan de zonen van zijn bijvrouwen gaf Abraham geschenken, en zond ze nog tijdens zijn leven weg, uit de omgeving van zijn zoon Isašk naar de overkant, het land van het oosten.
    2507Dit is het getal van Abrahams levensjaren; honderd vijf en zeventig jaar.
    2508Op hoge leeftijd is Abraham ontslapen; oud en afgeleefd is hij gestorven, en werd hij bij zijn volk verzameld.
    2509Zijn zonen Isašk en JisjmaŽl begroeven hem in de grot van Makpela, die ten oosten van Mamre ligt, op de akker van Efron, den zoon van Sůchar, den Chittiet.
    2510Het was de akker, die Abraham van de Chittieten gekocht had. Daar liggen Abraham en zijn vrouw Sara begraven.
    2511Toen Abraham gestorven was, zegende God zijn zoon Isašk. Isašk bleef wonen bij de bron van Lachai-RoÔ.
    2512Dit is de geslachtslijst van JisjmaŽl, den zoon van Abraham, dien Hagar, de egyptische slavin van Sara, Abraham gebaard heeft.
    2513Dit zijn de namen van JisjmaŽls zonen volgens de naam van hun geslacht. De eerstgeborene van JisjmaŽl was Nebajot; verder Kedar, AdbeŽl en Mibsam,
    2514Misjma, Doema en Massa,
    2515Chadad, Tema, Jetoer, Nafisj en Kťdma.
    2516Dit zijn de zonen van JisjmaŽl, en dat zijn hun namen naar hun nederzettingen en kampementen: twaalf vorsten overeenkomstig het getal van hun stammen.
    2517De levensjaren van JisjmaŽl bedroegen honderd zeven en dertig jaar. Toen ontsliep hij en stierf, en werd bij zijn volk verzameld.
    2518Hij woonde van Chawila tot Sjoer, dat tegenover Egypte ligt, en tot Assjoer toe, verwijderd van al zijn broeders.
    2519Dit is de geslachtslijst van Isašk, den zoon van Abraham. Abraham verwekte Isašk.
    2520Toen Isašk veertig jaar oud was, huwde hij Rebekka, de dochter van BetoeŽl, den ArameŽr van Paddan-Aram, en zuster van den ArameŽr Laban.
    2521Omdat zijn vrouw onvruchtbaar bleef, bad Isašk tot Jahweh voor haar; en Jahweh verhoorde hem, zodat zijn vrouw Rebekka zwanger werd.
    2522Maar toen de kinderen in haar schoot tegen elkaar opdrongen, zeide zij: Als dit zo moet gaan, waarom blijf ik dan in leven! Daarom ging zij Jahweh raadplegen.
    2523En Jahweh sprak tot haar: Twee volken draagt gij in uw schoot, Twee naties gaan uiteen van uw moederlijf af. De ene natie zal machtiger zijn dan de andere, De oudste zal de jongste dienen.
    2524Toen het ogenblik was aangebroken, waarop zij moest baren, was er inderdaad een tweeling in haar schoot.
    2525De eerste, die te voorschijn kwam, was rossig en helemaal als in een pels gewikkeld; men noemde hem Esau.
    2526Daarna kwam zijn broertje, die met zijn hand de hiel van Esau vasthield; daarom noemde men hem Jakob. Isašk was zestig jaar oud, toen hij hen verwekte.
    2527Toen de jongens groot waren geworden, werd Esau een behendig jager, een buitenmens; maar Jakob was een rustig man, die in tenten verbleef.
    2528Isašk hield van Esau, omdat zijn wild hem smaakte; maar Rebekka beminde Jakob.
    2529Eens was Jakob een gerecht aan het koken, toen Esau moe uit het veld thuiskwam.
    2530En Esau zeide tot Jakob: Laat me eens gauw eten van dat rode kooksel daar; want ik ben uitgeput. Daarom werd hij ook Edom genoemd.
    2531Jakob antwoordde: Verkoop me dan eerst uw eerstgeboorterecht.
    2532Esau hernam: Wel, ik ga toch dood; wat heb ik dan aan een eerstgeboorterecht.
    2533Jakob sprak: Zweer het mij eerst! En hij zwoer het hem. Zo verkocht hij aan Jakob zijn eerstgeboorterecht.
    2534Toen gaf Jakob aan Esau brood met het linzenmoes. Deze at en dronk, stond op en ging heen. Zo weinig telde Esau het eerstgeboorterecht.
    2601Toen er eens na de vroegere hongersnood, die in Abrahams dagen had geheerst, opnieuw hongersnood in het land ontstond, vertrok Isašk naar Gerar, naar Abimťlek, den koning der Filistijnen.
    2602Daar verscheen hem Jahweh, en sprak tot hem: Daal niet af naar Egypte, maar blijf in het land, dat Ik u aanwijs.
    2603Vestig u in dit land, en Ik zal met u zijn en u zegenen; want aan u en uw geslacht zal Ik al deze landen geven, en Ik zal de eed, die Ik uw vader Abraham gezworen heb, gestand doen.
    2604Ik zal uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en aan uw nageslacht al deze landen schenken. In uw zaad zullen alle volken der aarde worden gezegend,
    2605omdat Abraham naar mijn stem heeft gehoord, en mijn gebod en bevelen, mijn instellingen en wetten heeft onderhouden.
    2606Zo bleef Isašk te Gerar wonen.
    2607Toen nu de inwoners van die stad hem polsten over zijn vrouw, zeide hij: Het is mijn zuster. Want hij durfde niet zeggen: Het is mijn vrouw. Hij was bang, dat de inwoners van die stad hem om Rebekka zouden vermoorden; want zij was een knappe verschijning.
    2608Nadat hij daar al geruime tijd had vertoefd, gebeurde het eens, dat Abimťlek, de koning der Filistijnen, uit zijn venster keek en zag, dat Isašk zijn vrouw Rebekka aan het liefkozen was.
    2609Nu liet Abimťlek Isašk roepen, en zeide hem: Vast en zeker: het is uw vrouw! Hoe hebt ge dan kunnen zeggen: Het is mijn zuster! Isašk gaf hem ten antwoord: Ik was bang, dat ik om haar zou worden vermoord.
    2610Abimťlek hernam: Maar wat hebt ge ons gedaan! Hoe gemakkelijk had iemand van ons volk met uw vrouw gemeenschap kunnen houden; ge zoudt dan een zware schuld op ons hebben geladen.
    2611Toen liet Abimťlek aan heel het volk afkondigen: Wie dezen man of zijn vrouw enig leed durft doen, zal sterven.
    2612Nu begon Isašk in dat land te zaaien, en won dat jaar een honderdvoudige oogst; want Jahweh zegende hem.
    2613De man werd al rijker en rijker, totdat hij grote overvloed bezat.
    2614Hij had talrijke schapen en runderen en een groot aantal slaven, zodat de Filistijnen afgunstig op hem werden.
    2615Daarom begonnen de Filistijnen alle putten, die de knechten van zijn vader in de dagen van zijn vader Abraham gegraven hadden, te verstoppen en met zand dicht te werpen.
    2616En Abimťlek zeide tot Isašk: Ga van ons heen; want gij wordt ons te machtig!
    2617Isašk trok dus vandaar weg, sloeg zijn tent op in het dal van Gerar, en bleef daar wonen.
    2618Daar groef Isašk de waterputten weer open, die men tijdens het leven van zijn vader Abraham had gegraven, maar die de Filistijnen na de dood van Abraham hadden dichtgeworpen; hij gaf ze weer dezelfde namen als zijn vader gedaan had.
    2619Terwijl dus de knechten van Isašk in het Gerardal aan het graven waren, vonden ze daar een put met stromend water.
    2620Maar de herders van Gerar begonnen met de herders van Isašk te twisten, en zeiden: Dat water behoort ons. Daarom noemde hij die put …sek, omdat ze daar met hem hadden getwist.
    2621Nu groeven zij een andere put, maar ook daarover ontstond strijd; men noemde die Sitna.
    2622Toen trok hij ook vandaar weg, en groef weer een andere put, waarover geen twist meer ontstond. Hij noemde hem Rechobot; want hij zeide: Nu heeft Jahweh ons ruimte gemaakt, zodat we in het land kunnen groeien.
    2623Vandaar trok hij op naar BeŽr-Sjťba.
    2624Daar verscheen Jahweh hem zekere nacht, en sprak tot hem: Ik ben de God van Abraham, uw vader! Vrees niet, want Ik ben met u. Ik zal u zegenen en uw geslacht talrijk maken, Om wille van Abraham, mijn dienaar.
    2625Daarom bouwde hij daar een altaar, en riep de naam van Jahweh aan. Isašk sloeg er zijn tent op, en zijn knechten groeven er een put.
    2626Nu kwam Abimťlek van Gerar uit hem bezoeken in gezelschap van Achoezzat, zijn vertrouweling, en Pikol, zijn legeroverste.
    2627Maar Isašk zei hem: Waarom komt gij naar mij toe, terwijl gij mij haat en mij van u hebt weggejaagd?
    2628Ze antwoordden: We hebben nu duidelijk ingezien, dat Jahweh met u is. Daarom hebben we gedacht: er moest een eedverdrag tussen ons beiden bestaan, tussen ons en u. Wij willen een verbond met u sluiten,
    2629dat gij ons geen kwaad zult doen, evenmin als wij u enig leed hebben gedaan, maar u enkel vriendschap hebben bewezen, en u in vrede lieten gaan. Waarachtig, gij zijt door Jahweh gezegend!
    2630Hierop richtte hij een gastmaal voor hen aan, en zij aten en dronken.
    2631De volgende morgen zwoeren zij elkander de eed. Toen liet Isašk hen vertrekken, en zij gingen van hem in vrede heen.
    2632Nog diezelfde dag kwamen de knechten van Isašk hem berichten over een welput, die zij hadden gegraven, en zeiden hem: We hebben water gevonden.
    2633Hij noemde die Sjiba; en daarom heet die stad BeŽr-Sjťba tot op de huidige dag.
    2634Toen Esau veertig jaar oud was, huwde hij Jehoedit, de dochter van den Chittiet BeŽri, en Basemat, de dochter van den Chittiet Elon.
    2635Zij waren de oorzaak van bitter verdriet voor Isašk en Rebekka.
    2701Intussen was Isašk oud geworden en werden zijn ogen zo zwak, dat hij niet meer kon zien. Daarom riep hij zijn oudsten zoon Esau, en zei hem: Mijn zoon! Deze antwoordde: Hier ben ik!
    2702Hij sprak: Zie, ik ben oud geworden, en weet niet, wanneer ik zal sterven.
    2703Neem daarom uw jachttuig, pijlkoker en boog, ga het veld in, en schiet voor mij een stuk wild;
    2704maak het smakelijk voor me klaar, zoals ik het graag heb, en breng het me hier, om op te eten. Dan zal ik u zegenen, vůůr ik sterf.
    2705Maar Rebekka had afgeluisterd, wat Isašk tot zijn zoon Esau had gezegd. En toen Esau het veld was ingegaan, om een stuk wild voor zijn vader te schieten,
    2706zei Rebekka tot haar zoon Jakob: Ik heb zo juist uw vader tegen uw broer Esau horen zeggen:
    2707Breng mij een stuk wild, en maak er een smakelijke schotel van, waarvan ik kan eten; dan zal ik u zegenen voor het aanschijn van Jahweh, eer ik sterf.
    2708Luister nu naar mij, mijn jongen, en doe wat ik u zeg.
    2709Ga naar de kudde en haal mij twee malse geitebokjes; dan maak ik daarvan een smakelijke schotel voor uw vader gereed, zoals hij het gaarne heeft.
    2710Die moet ge naar uw vader brengen, dan kan hij ervan eten. Dan zal hij u zegenen, eer hij sterft.
    2711Doch Jakob zei tot zijn moeder Rebekka: Maar mijn broer Esau is ruig, en ik ben onbehaard.
    2712Als mijn vader mij nu eens betast, zal hij denken, dat ik de spot met hem drijf; en ik zal vloek over mij brengen in plaats van zegen.
    2713Zijn moeder verzekerde hem: Die vloek over u neem ik op mij, mijn jongen; luister maar naar mij, en ga ze halen.
    2714Hij ging ze dus halen, en bracht ze naar zijn moeder; en zijn moeder maakte er een smakelijke schotel van, zoals zijn vader het gaarne had.
    2715Daarna nam Rebekka de beste kleren van haar oudsten zoon Esau, die ze bij zich thuis had, en trok die haar jongsten zoon Jakob aan;
    2716de vellen van de geitebokjes trok ze over zijn handen en over het onbehaarde deel van zijn hals.
    2717Vervolgens reikte zij haar zoon Jakob de smakelijke schotel met het brood, dat zij gebakken had.
    2718Nu ging hij naar zijn vader en sprak: Vader! Deze antwoordde: Ja, mijn jongen, wie zijt ge?
    2719En Jakob zei tot zijn vader: Ik ben Esau, uw eerstgeborene; ik heb gedaan, wat ge mij gezegd hebt. Ga dus overeind zitten, en eet van het wild; dan kunt ge me zegenen.
    2720Maar Isašk vroeg zijn zoon: Hoe hebt ge dat zo gauw kunnen vinden, mijn jongen? Deze antwoordde: Jahweh, uw God, heeft het mij tegemoet gestuurd.
    2721Maar nu beval Isašk aan Jakob: Kom dichter bij, mijn jongen; dan kan ik u eens betasten, of ge werkelijk mijn zoon Esau zijt of niet.
    2722Jakob trad dus op zijn vader Isašk toe. Deze betastte hem en sprak: De stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Esau.
    2723Hij herkende hem niet, omdat zijn handen behaard waren als de handen van Esau, zijn broer. En toen hij hem wilde zegenen,
    2724sprak hij nog: Ge zijt toch wezenlijk mijn zoon Esau? Hij antwoordde: Ja, dat ben ik.
    2725Toen zei hij: Dien het mij op, en laat mij eten van het wild van mijn zoon; dan zal ik u zegenen. Hij zette het hem voor, en hij at; daarna bracht hij hem wijn, die hij dronk.
    2726Nu sprak zijn vader Isašk tot hem: Kom hier, mijn zoon, en kus mij.
    2727Hij trad nader, en kuste hem. En toen hij de geur van zijn kleren rook, zegende hij hem, en sprak: Zie, de geur van mijn zoon Is als de geur van een akker, Door Jahweh gezegend.
    2728God schenke u dauw van de hemel, En het vette der aarde, Met overvloed van koren en most.
    2729Volken zullen u dienen, En naties zich voor u buigen. Wees een vorst over uw broeders, De zonen uwer moeder werpen zich voor u neer. Vervloekt, die u vloekt, Maar gezegend, die u zegent!
    2730Nauwelijks had Isašk Jakob gezegend, en was Jakob van zijn vader Isašk heengegaan, of zijn broer Esau kwam terug van de jacht.
    2731Ook hij maakte een smakelijke schotel gereed, bracht die naar zijn vader, en sprak tot zijn vader: Kom overeind zitten, vader, en eet van het wild van uw zoon; dan kunt ge me zegenen.
    2732Zijn vader Isašk sprak tot hem: Wie zijt gij? Hij antwoordde: Ik ben uw zoon Esau, uw eerstgeborene.
    2733Hevig ontsteld vroeg Isašk: Maar wie was het dan, die het wild heeft geschoten en het mij heeft gebracht, zodat ik voor uw komst reeds volop heb gegeten? Dien heb ik gezegend, en hij blijft gezegend!
    2734Toen Esau dit van zijn vader vernam, brak hij in luide en bittere jammerklachten los, en zei tot zijn vader: Vader, zegen ook mij!
    2735Deze antwoordde: Uw broer heeft u listig de zegen ontnomen.
    2736En hij zeide: Terecht wordt hij Jakob genoemd; want hij heeft mij reeds tweemaal bedrogen. Hij heeft mij mijn eerstgeboorterecht ontroofd, en zie, nu steelt hij mijn zegen. En hij ging voort: Hebt ge voor mij geen zegen meer?
    2737Isašk gaf Esau ten antwoord: Zie, ik heb hem over u tot vorst gesteld, hem al zijn broeders tot dienaars gegeven, en koren en most hem geschonken. Mijn jongen, wat kan ik dan voor ķ nog doen?
    2738Maar Esau zei tot zijn vader: Was dat dan uw enige zegen, vader? Ach, vader, zegen ook mij! En Esau snikte het uit.
    2739Toen sprak zijn vader Isašk tot hem: Zie, ver van het vette der aarde zult ge wonen, Ver van de hemeldauw uit den hogen,
    2740Van uw zwaard zult ge leven! Uw broeder zult ge dienstbaar zijn; Maar als ge tot macht komt, Schudt ge zijn juk van uw nek!
    2741Esau haatte Jakob om de zegen, die zijn vader over hem had uitgesproken. En Esau dacht bij zichzelf: De tijd komt spoedig, dat men rouwt over mijn vader; dan zal ik mijn broer Jakob vermoorden.
    2742Toen men aan Rebekka dit plan van haar oudsten zoon Esau overbracht, liet zij haar jongsten zoon Jakob roepen, en zei tot hem: Hoor eens, uw broer Esau wil wraak op u nemen en u vermoorden.
    2743Luister nu naar mij, mijn jongen. Maak u gereed, om naar mijn broer Laban in Charan te vluchten,
    2744en blijf enige tijd bij hem, totdat de woede van uw broer is bekoeld.
    2745Wanneer de toorn van uw broer over u is bedaard, en hij vergeten is, wat ge hem hebt gedaan, zal ik bericht zenden en u terug laten halen. Waarom zou ik u beiden op ťťn dag verliezen!
    2746Toen zei Rebekka tot Isašk: Het leven walgt me al om de dochters van Chet. Als nu ook Jakob een vrouw neemt uit de meisjes van het land, wat heb ik dan aan mijn leven?
    2801Toen riep Isašk Jakob, zegende hem, en beval hem: Neem geen vrouw uit de kanašnietische meisjes.
    2802Maar maak u gereed, om naar Paddan-Aram te gaan, naar het huis van uw grootvader BetoeŽl; kies u daar een vrouw uit de dochters van uw oom Laban.
    2803Moge de almachtige God u zegenen, en u vruchtbaar en talrijk maken, zodat gij tot een grote menigte volken zult uitgroeien.
    2804Hij moge de zegen van Abraham aan u en uw nageslacht schenken, zodat gij het land moogt bezitten, waar ge als vreemdeling woont, maar dat God aan uw vader Abraham gaf.
    2805Zo zond Isašk Jakob heen, en deze ging naar Paddan-Aram naar Laban, den zoon van den ArameŽr BetoeŽl, en broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Esau.
    2806Esau had gemerkt, dat Isašk Jakob had gezegend en hem naar Paddan-Aram had gezonden, om daar een vrouw te nemen; dat hij hem ook bij zijn zegening had verboden, een vrouw uit de kanašnietische meisjes te nemen,
    2807en dat Jakob aan zijn vader en moeder had gehoorzaamd en naar Paddan-Aram was gegaan.
    2808Esau begreep daaruit, dat de kanašnietische vrouwen aan zijn vader Isašk mishaagden;
    2809daarom begaf hij zich naar JisjmaŽl, en nam Machalat, de dochter van JisjmaŽl, Abrahams zoon, de zuster van Nebajot tot vrouw bij de andere vrouwen, die hij al had.
    2810Toen Jakob van BeŽr-Sjťba was afgereisd en naar Charan trok,
    2811kwam hij op een plaats, waar hij wilde overnachten, omdat de zon reeds was ondergegaan. Hij legde dus een van de stenen, die daar lagen, bij wijze van kussen onder zijn hoofd, en begaf zich op die plaats ter ruste.
    2812Daar had hij een droom: zie, op de aarde stond een ladder, waarvan de top tot de hemel reikte; en de engelen Gods klommen erop en daalden eraf.
    2813En zie, Jahweh stond naast hem, en sprak: Ik ben Jahweh, de God van uw vader Abraham En de God van Isašk! Het land, waarop ge ligt, Zal Ik u en uw nageslacht geven.
    2814Uw geslacht zal wezen Als het stof van de aarde: Gij zult u uitbreiden naar het westen en het oosten, Naar het noorden en het zuiden; In u en uw zaad Zullen alle geslachten der aarde worden gezegend!
    2815Ik ben met u; Ik zal u behoeden, waar gij ook gaat, En u terugvoeren naar dit land. Neen, Ik zal u niet verlaten, Totdat Ik heb volbracht, wat Ik u heb beloofd!
    2816Jakob ontwaakte uit zijn slaap, en sprak: Waarachtig; Jahweh is hier, en ik wist het niet.
    2817Hij werd met ontzetting vervuld, en sprak: Hoe ontzagwekkend is deze plaats; dit is het huis van God en de poort van de hemel.
    2818De volgende morgen nam Jakob de steen, waarop zijn hoofd had gerust, richtte die tot een gedenksteen op, en goot er olie over uit.
    2819Hij noemde die plaats Betel, terwijl de stad vroeger Loez had geheten.
    2820Daarna deed Jakob de volgende gelofte: Als God met mij is, mij behoedt op de reis, die ik onderneem, mij voedsel geeft om te eten, een kleed om mij te kleden,
    2821en mij in vrede terugbrengt naar mijn vaderlijk huis: dan zal Jahweh mij tot God zijn,
    2822de steen, die ik als gedenkteken heb opgericht, een Godshuis worden, en zal ik U het tiende schenken van alles, wat Gij mij geeft!
    2901Toen begaf Jakob zich weer op weg, en ging naar het land der Oosterlingen.
    2902Daar zag hij in het veld een put, waarbij drie kudden schapen waren gelegerd; want uit die put werden de kudden gedrenkt. Daar de steen, die de put bedekte, groot was,
    2903rolde men eerst de steen van de opening van de put, als alle kudden daar waren verzameld; en als men de kudden had laten drinken, wentelde men de steen weer op zijn plaats, op de opening van de put.
    2904Jakob sprak hen aan: Broeders, waar komt gij vandaan? Zij antwoordden: Wij zijn van Charan.
    2905Hij vervolgde: Kent gij dan Laban, den zoon van Nachor? Zij zeiden: Ja!
    2906Hij vroeg hun: Gaat het hem goed? Ze zeiden: Uitstekend; zie, daar komt juist zijn dochter Rachel aan met de kudde.
    2907Toen hernam hij: Het is nog volop dag, en nog lang geen tijd, om de kudden bijeen te drijven; geeft dus de kudden te drinken, en laat ze nog grazen.
    2908Ze zeiden: Dat kunnen we niet, voordat alle kudden bijeen zijn; dan wordt de steen van de put gewenteld, en kunnen we het vee te drinken geven.
    2909Nog was hij met hen in gesprek, toen Rachel naderde met de kudde van haar vader; want zij was een herderin.
    2910Zodra Jakob Rachel, de dochter van zijn oom Laban, met de kudde van zijn oom Laban zag, trad hij vooruit, om de steen van de putopening te wentelen en de kudde van zijn oom Laban te drenken.
    2911Daarop kuste Jakob Rachel, en weende hardop.
    2912En toen Jakob Rachel had meegedeeld, dat hij de neef van haar vader was en de zoon van Rebekka, ging Rachel het vlug aan haar vader vertellen.
    2913Zodra Laban het nieuws over Jakob, den zoon van zijn zuster, vernam, liep hij hem tegemoet, omhelsde en kuste hem, en leidde hem zijn huis binnen. Daar vertelde hij Laban al wat er gebeurd was.
    2914En Laban zeide hem: Waarachtig, gij zijt mijn gebeente en vlees! En hij bleef een volle maand bij hem.
    2915Daarna zei Laban tot Jakob: Zoudt ge, omdat ge mijn broeder zijt, mij dienen om niet? Zeg me, wat voor loon ge wilt hebben.
    2916Nu had Laban twee dochters: de oudste heette Lea, de jongste Rachel;
    2917Lea had fletse ogen, maar Rachel was kloek van gestalte en knap van uiterlijk.
    2918En daar Jakob Rachel beminde, gaf hij ten antwoord: Ik zal u zeven jaar dienen voor Rachel, uw jongste dochter.
    2919En Laban antwoordde: Ik geef ze liever aan u dan aan een vreemde; blijf dus bij mij.
    2920Zo diende Jakob om Rachel zeven jaar lang; doch ze leken hem maar enkele dagen, zoveel hield hij van haar.
    2921Toen zei Jakob tot Laban: Geef mij mijn vrouw; want mijn tijd is om, en ik wil gemeenschap met haar houden.
    2922Nu nodigde Laban alle mannen van de stad uit, en richtte een feestmaal aan.
    2923Maar toen het avond was geworden, haalde hij zijn dochter Lea, en leidde haar tot hem; en hij hield gemeenschap met haar.
    2924Laban gaf zijn dienstmaagd Zilpa mee als slavin voor zijn dochter Lea.
    2925De volgende morgen: daar was het Lea! Nu zei hij tot Laban: Wat hebt ge me nu gedaan? Heb ik u niet om Rachel gediend? Waarom hebt ge me dan bedrogen?
    2926Laban antwoordde: Het is hier in ons land geen gewoonte, om de jongste vůůr de oudste uit te huwen.
    2927Breng dus eerst maar met deze de bruiloftsweek door, dan zal ik u ook de andere geven, als ge me opnieuw zeven jaren wilt dienen.
    2928Jakob deed het, en bracht met haar de bruiloftsweek door. Toen gaf Laban hem zijn dochter Rachel tot vrouw.
    2929Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha als slavin mee.
    2930Ook met Rachel had Jakob gemeenschap; en hij hield meer van haar dan van Lea. Zo diende hij hem opnieuw zeven jaren.
    2931Toen Jahweh zag, dat Lea achteruit werd gezet, opende Hij haar schoot, terwijl Rachel kinderloos bleef.
    2932Lea werd zwanger en baarde een zoon. Zij noemde hem Ruben, want ze zeide: Jahweh heeft mijn ellende gezien; nu zal mijn man van mij houden.
    2933Zij werd een tweede maal zwanger, en baarde een zoon. Nu sprak zij: Jahweh heeft gehoord, dat ik een verschoppeling ben, en heeft mij ook dezen gegeven. En ze noemde hem Simeon.
    2934Nog eens werd ze zwanger, en baarde een zoon. En ze sprak: Nu zal mijn man zich toch wel aan mij hechten; want ik heb hem al drie zonen gebaard. Daarom noemde zij hem Levi.
    2935Opnieuw werd ze zwanger en baarde een zoon. En ze sprak: Nu loof ik Jahweh! Daarom noemde zij hem Juda. Daarna kreeg zij een geen kinderen meer.
    3001Toen Rachel zag, dat zij Jakob geen kinderen schonk, werd zij jaloers op haar zuster, en zei tegen Jakob: Geef mij zonen, anders ga ik dood.
    3002Toornig gaf Jakob Rachel ten antwoord: Neem ik soms de plaats in van God, die een vrucht aan uw schoot heeft geweigerd?
    3003Nu sprak ze: Hier hebt ge Bilha, mijn slavin; houd gemeenschap met haar, dan kan zij op mijn knieŽn baren, en ook ik door middel van haar uw geslacht opbouwen.
    3004Zij gaf hem dus haar slavin Bilha tot vrouw, en Jakob hield gemeenschap met haar.
    3005Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon.
    3006En Rachel sprak: God heeft mij recht gedaan; Hij heeft ook naar mijn smeken geluisterd en mij een zoon geschonken; daarom noemde ze hem Dan.
    3007Weer werd Bilha, de slavin van Rachel, zwanger en baarde Jakob een tweeden zoon.
    3008Nu sprak Rachel: Een heftige kamp heb ik met mijn zuster gestreden, en ik heb overwonnen. En ze noemde hem Neftali.
    3009Toen Lea zag, dat zij geen kinderen meer kreeg, nam zij Zilpa haar dienstmaagd, en gaf haar aan Jakob tot vrouw.
    3010Ook Zilpa, de slavin van Lea, baarde Jakob een zoon.
    3011En Lea zeide: Wat een weelde! En ze noemde hem Gad.
    3012Nog baarde Zilpa, de slavin van Lea, Jakob een zoon.
    3013Nu sprak Lea: Wat een geluk! Nu prijzen de vrouwen mij gelukkig. En ze noemde hem Aser.
    3014Eens ging Ruben in de tijd van de tarweoogst het veld in, en vond er liefdesappeltjes, die hij naar zijn moeder Lea bracht. Nu vroeg Rachel aan Lea: Geef mij een paar appeltjes van uw zoon.
    3015Maar zij gaf haar ten antwoord: Is het al niet genoeg, dat ge mij mijn man hebt ontstolen; wilt ge me nu ook nog de appeltjes van mijn zoon ontroven? Rachel zeide: Dan mag hij vannacht bij u slapen, in ruil voor de appeltjes van uw zoon.
    3016Toen Jakob dus in de avond van het veld kwam, ging Lea hem tegemoet en sprak: Bij mij moet ge komen; want ik heb er eerlijk voor betaald met de appeltjes van mijn zoon. Die nacht sliep hij dus bij haar.
    3017En God verhoorde Lea: zij werd zwanger, en baarde Jakob een vijfden zoon.
    3018En Lea sprak: God heeft mij er voor beloond, dat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven. En zij noemde hem Issakar.
    3019Wederom werd Lea zwanger, en baarde Jakob een zesden zoon.
    3020Nu sprak Lea: God heeft mij een mooi geschenk gegeven; nu zal mijn man wel bij me blijven, want ik heb hem zes zonen gebaard. En ze noemde hem Zabulon.
    3021Daarna baarde ze nog een dochter, die ze Dina noemde.
    3022Nu gedacht God ook Rachel; Hij verhoorde haar, en opende haar schoot.
    3023Ook zij werd zwanger, en baarde een zoon. Nu zeide ze: God heeft mijn schande weggenomen.
    3024Zij noemde hem Josef; want ze sprak: Jahweh geve me nog een anderen zoon.
    3025Toen Rachel dan Josef had gebaard, zei Jakob tot Laban: Laat mij nu heengaan, en naar mijn stad en vaderland trekken.
    3026Geef mij mijn vrouwen en kinderen, voor wie ik u heb gediend; dan kan ik vertrekken. Want ge weet, hoe ik voor u heb gezwoegd.
    3027Maar Laban zeide hem: Laat mij genade vinden in uw ogen; want ik heb de tekens waargenomen, dat Jahweh mij om uwentwille heeft gezegend.
    3028En hij ging voort: Bepaal zelf het loon, dat ge van mij wilt hebben, en ik zal het u geven.
    3029Hij gaf hem ten antwoord: Gij weet, hoe ik u heb gediend, en hoe het onder mijn hoede met uw kudde is gegaan.
    3030Want vůůr mijn komst was uw bezit slechts gering, maar sedert dien is het geweldig vermeerderd; Jahweh heeft u gezegend bij iedere stap, die ik zette. Wanneer zal ik nu eindelijk eens voor mijn eigen gezin kunnen zorgen?
    3031zeide: Wat moet ik u geven? Jakob antwoordde: Ge behoeft me eigenlijk helemaal niets te geven; als ge het volgende voorstel aanvaardt, zal ik opnieuw uw kudde weiden en hoeden.
    3032Ik zal vandaag uw hele kudde langs gaan, om alle gevlekte en gespikkelde geiten en alle zwarte schapen af te zonderen. Alle gespikkelde en gevlekte geiten en alle zwarte schapen zullen mijn loon zijn.
    3033In mijn eerlijkheid leg ik voor later deze getuigenis af: Wanneer gij mijn loon zult komen bezien, zal alles, wat niet gevlekt en gespikkeld is onder de geiten en zwart onder de schapen, als door mij gestolen gelden.
    3034Laban ging er op in: Goed, laat het zijn, zoals ge gezegd hebt.
    3035Nog diezelfde dag zonderde Laban de gestreepte en gespikkelde bokken met alle gevlekte en gespikkelde geiten af, alles, waar maar iets wits aan was, en eveneens alle zwarte schapen, en liet ze door zijn zonen hoeden.
    3036Hij stelde een afstand van drie dagmarsen tussen hen en Jakob, die de overige kudde van Laban hoedde.
    3037Maar nu nam Jakob jonge takken van gomboom, amandel en plataan, en schilde ze zo, dat het spint van de stokken in witte strepen bloot kwam te liggen.
    3038Toen legde hij de stokken, die hij aldus van hun schors had ontdaan, vlak voor de geiten in de drinkbakken en waterbekkens, waaruit het vee kwam drinken. En als het vee dan bronstig werd, wanneer het kwam drinken,
    3039besprong het elkaar bij de stokken, en wierp dus gestreepte, gevlekte en gespikkelde lammeren,
    3040die door Jakob werden afgezonderd. Maar de schapen keerde hij met de koppen naar alle gevlekte en zwarte schapen van de kudde van Laban. Zo vormde hij een afzonderlijke kudde, die hij niet bij de kudde van Laban liet komen.
    3041Wanneer nu de sterke beesten bronstig waren, legde Jakob de stokken voor de kudde in de drinkbakken, zodat ze elkander bij de stokken besprongen.
    3042Maar bij de zwakke dieren deed hij dat niet. Op die manier kreeg Laban de zwakke dieren en Jakob de sterke.
    3043Zo werd die man buitengewoon rijk, en kreeg hij talrijke kudden, slavinnen en slaven, kamelen en ezels.
    3101Jakob vernam, dat de zonen van Laban zeiden: Jakob heeft zich meester gemaakt van heel het vermogen van onzen vader, en zich uit de bezittingen van onzen vader al die rijkdom verworven.
    3102Ook zag Jakob aan Labans gezicht, dat hij hem niet meer zo gunstig gezind was als vroeger.
    3103Daarenboven sprak Jahweh tot Jakob: Keer terug naar het land uwer vaderen en naar uw familie; Ik zal u bijstaan.
    3104Toen zond Jakob een boodschap naar Rachel en Lea, en liet haar naar het veld bij zijn kudde roepen.
    3105Hij zeide tot haar: Ik zie, dat uw vader mij niet meer zo gunstig gezind is als vroeger; maar de God van mijn vader staat mij bij.
    3106Gij weet zelf, dat ik naar best vermogen uw vader gediend heb,
    3107ofschoon uw vader mij heeft bedrogen, en wel tienmaal mijn loon heeft gewijzigd. Maar God stond hem niet toe, mij te benadelen.
    3108Wanneer hij zeide: de gevlekte dieren zullen uw loon zijn, wierp de hele kudde gevlekte jongen. En als hij zeide: de gestreepte dieren zullen uw loon zijn, wierp de hele kudde gestreepte.
    3109Zo ontnam God aan uw vader wat hij bezat, en gaf het aan mij.
    3110Ook gebeurde het eens in de bronstijd der kudde, dat ik in een droom mijn ogen opsloeg en zag, hoe de gestreepte, gespikkelde en gevlekte bokken de geiten besprongen.
    3111En de engel van Jahweh sprak tot mij in de droom: Jakob! Ik antwoordde: Hier ben ik!
    3112Hij sprak: Sla uw ogen op en zie, hoe alle bokken, die de geiten bespringen, gestreept, gespikkeld of gevlekt zijn. Want Ik heb alles gezien, wat Laban u aandoet.
    3113Ik ben de God van Betel, waar gij de gedenksteen hebt gezalfd, en Mij een gelofte hebt gedaan. Maak u nu gereed, om uit dit land te vertrekken en terug te keren naar uw geboortegrond.
    3114Rachel en Lea antwoordden hem: Hebben we soms nog deel of erfenis in het huis van onzen vader?
    3115Zijn we door hem niet als vreemden beschouwd. Ja, hij heeft ons verkocht, en bovendien onze bruidsprijs verteerd.
    3116Waarachtig, heel het vermogen, dat God onzen vader heeft ontnomen, behoort aan ons en onze kinderen. Doe dus alles wat God u gezegd heeft.
    3117Toen stond Jakob op, zette zijn zonen en vrouwen op kamelen,
    3118en voerde zijn vee en al zijn have, die hij bezat, en heel het vermogen, dat hij in Paddan-Aram had verworven, met zich mee, om naar zijn vader Isašk in het land Kanašn te vertrekken.
    3119En terwijl Laban afwezig was, om zijn schapen te scheren, stal Rachel de terafim van haar vader.
    3120Jakob bedroog Laban, den ArameŽr, door zijn vlucht voor hem verborgen te houden.
    3121Zo nam hij de wijk met alles, wat hij bezat, stak de rivier over, en sloeg de weg in naar het gebergte van Gilad.
    3122Op de derde dag kwam men Laban boodschappen, dat Jakob de vlucht had genomen.
    3123Aanstonds verzamelde hij zijn verwanten, zette hem zeven dagen lang achterna, en haalde hem bij het gebergte van Gilad in.
    3124Maar die nacht verscheen God in een droom aan Laban, den ArameŽr, en sprak tot hem: Pas er voor op, Jakob ook maar iets te verwijten.
    3125Laban had Jakob ingehaald, toen deze zijn tent had gespannen in het gebergte: en nadat ook Laban zijn tent in het gebergte Gilad had opgeslagen,
    3126zei Laban tot Jakob: Wat hebt ge gedaan, met mij zo te bedriegen en mijn dochters weg te slepen, als waren ze geroofd met het zwaard in de vuist?
    3127Waarom zijt ge heimelijk gevlucht; waarom hebt ge mij misleid, en mij niets laten weten? Ik zou u uitgeleide hebben gedaan onder jubel en gezang, met tamboerijn en harp.
    3128Ge hebt me zelfs belet, om mijn zonen en dochters vaarwel te kussen. Hoe dom hebt ge gedaan!
    3129Ik heb het in mijn hand, u kwaad te doen; maar de God van uw vader zeide deze nacht tot mij: Pas er voor op, Jakob ook maar iets te verwijten.
    3130Maar als ge zijt heengegaan, enkel omdat ge zo vurig naar uw vaderlijk huis verlangt, waarom hebt ge dan mijn goden gestolen? Toen gaf Jakob Laban ten antwoord:
    3131Omdat ik bang was en dacht, dat gij mij anders met geweld uw dochters zoudt ontnemen.
    3132Maar hij, bij wien gij uw goden vindt, blijft niet in leven! Onderzoek dus in tegenwoordigheid van onze verwanten, wat er van u bij mij wordt gevonden, en neem dat mee. Want Jakob wist niet, dat Rachel ze gestolen had.
    3133Laban ging dus de tent van Jakob binnen, en daarna de tenten van Lea en van de beide slavinnen, maar hij vond niets. Uit de tent van Lea gekomen, ging hij de tent van Rachel binnen.
    3134Maar Rachel had de terafim weggenomen, ze in het zadel van haar kameel verstopt, en was er op gaan zitten. Laban doorzocht de hele tent, maar vond niets.
    3135Want ze zei tot haar vader: Mijn heer neme het mij niet kwalijk, dat ik niet voor u kan opstaan; want het gaat me naar de wijze der vrouwen. Hoe hij ook zocht, hij vond de terafim niet.
    3136Toen ontstak Jakob in toorn, en beet Laban nijdig toe: Wat is eigenlijk mijn vergrijp en mijn misdaad, dat ge me zo verwoed achtervolgt,
    3137en heel mijn hebben en houden doorsnuffelt? Hebt ge soms iets van uw eigen huisraad gevonden? Leg het dan neer voor mijn en uw verwanten, en laten zij tussen ons beiden beslissen.
    3138Twintig jaar lang ben ik bij u geweest. Uw schapen en geiten hebben geen misdracht gehad, de rammen van uw kudden heb ik niet opgegeten.
    3139Wat door wilde dieren verscheurd werd, heb ik op u niet verhaald, maar het telkens vergoed. Van mij hebt ge terug durven eisen, wat mij des daags of des nachts werd ontstolen.
    3140Overdag verging ik van hitte en van koude des nachts, en de slaap vluchtte weg van mijn ogen.
    3141Twintig jaar lang ben ik nu in uw huis; veertien jaar diende ik u om uw twee dochters, zes jaar om uw kudde, en mijn loon hebt ge wel tienmaal veranderd.
    3142Als de God van mijn vader, de God van Abraham en de Gevreesde van Isašk, mij niet had geholpen, dan hadt ge me nu met lege handen laten gaan. Maar God heeft mijn ellende en mijn moeizame arbeid gezien, en in de afgelopen nacht heeft Hij vonnis gewezen.
    3143Toen nam Laban het woord, en zeide tot Jakob: Het zijn mijn eigen dochters en zonen, het is mijn eigen vee, en alles wat gij hier ziet, is van mij. Hoe zou ik dan nu mijn eigen dochters leed kunnen doen, of haar zonen, die zij hebben gebaard?
    3144Kom, laten we liever een verbond met elkaar sluiten; en al is er ook niemand anders bij, zie God zal getuige zijn tussen mij en u.
    3145Toen nam Jakob een steen, en richtte die als gedenkteken op.
    3146En Jakob sprak tot zijn verwanten: Raapt stenen bijeen. Ze verzamelden dus stenen, maakten een steenhoop, en hielden daar op die steenhoop een maaltijd.
    3147Laban noemde hem Jegar-Sahadoeta, en Jakob noemde hem Gal-Ed.
    3148Nu sprak Laban: Deze steenhoop zij heden een getuige tussen mij en u. Daarom noemde hij hem Gal-Ed
    3149en Mispa. Want hij ging voort: Jahweh zij de Wacht tussen mij en u, wanneer we ons van elkander hebben gescheiden:
    3150Ge zult mijn dochters nooit mishandelen, en geen andere vrouwen nemen buiten mijn dochters. En al is er ook niemand bij, zie, God is getuige tussen mij en u.
    3151En Laban vervolgde tot Jakob: Zie deze steenhoop en deze gedenksteen, die ik heb opgericht, staan tussen ons in.
    3152Deze steenhoop is getuige, en getuige is ook deze gedenksteen: Ik zal nooit voorbij deze steenhoop met kwade bedoelingen naar u toe komen, en gij voorbij deze steenhoop en deze gedenksteen niet naar mij!
    3153De God van Abraham, en de God van Nachor moge oordelen tussen ons beiden. En Jakob zwoer het bij den Gevreesde van Isašk, zijn vader.
    3154Nu slachtte Jakob een offerande op de berg, en nodigde zijn verwanten tot de maaltijd uit; en nadat zij hadden gegeten, bleven ze op de berg overnachten.
    3155De volgende morgen brak Laban op, kuste zijn zonen en dochters vaarwel, zegende hen en ging heen, om naar zijn woonplaats terug te keren.
    3201Toen ook Jakob op weg was gegaan, traden hem Gods engelen tegemoet.
    3202Bij hun aanblik riep Jakob uit: Dit is het leger van God! En hij noemde die plaats MachanŠim.
    3203Nu zond Jakob boden voor zich uit naar zijn broer Esau in het land SeÔr, dat in het gebied van Edom ligt.
    3204Hij beval hen: Aldus moet ge spreken tot Esau, mijn heer! Zo spreekt uw dienaar Jakob: Ik heb bij Laban gewoond, en daar tot nu toe vertoefd.
    3205Ik bezit runderen, ezels en schapen, slaven en slavinnen. Ik bericht dit aan mijn heer, om genade in uw ogen te vinden.
    3206Maar de boden keerden tot Jakob terug met de tijding: Wij zijn uw broer Esau al tegen gekomen; hij trok u al met vierhonderd man tegemoet.
    3207Toen raakte Jakob in hevige angst en benauwdheid. Hij verdeelde het volk, dat hem vergezelde, met de schapen, runderen en kamelen in twee groepen.
    3208Want hij dacht: Als Esau de ene groep overvalt en verslaat, dan zal ten minste de andere ontkomen.
    3209En Jakob sprak: O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isašk, Jahweh, die tot mij hebt gezegd: Keer terug naar uw land en uw familie, en Ik zal u weldaden bewijzen!
    3210Ik ben alle weldaden en goedheid niet waardig, die Gij uw dienaar hebt willen bewijzen; want alleen met mijn stok trok ik over deze Jordaan, en nu bezit ik twee legerscharen.
    3211Ach, red mij toch uit de hand van mijn broer, uit Esau's hand; want ik ben bang, dat hij komt, om mij met moeder en kinderen te doden.
    3212Gij hebt mij toch beloofd: Ik zal u overvloedige gunsten bewijzen, en uw nageslacht maken als het zand aan de zee, dat niemand vanwege de massa kan tellen.
    3213Terwijl hij daar die nacht nog verbleef, nam hij uit wat hij bezat een geschenk voor zijn broer Esau:
    3214twee honderd geiten en twintig bokken, twee honderd schapen en twintig rammen,
    3215dertig zogende kamelen met haar jongen, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelsveulens.
    3216Elke kudde afzonderlijk vertrouwde hij aan een zijner slaven toe, en zeide hun: Trekt voor mij uit, en laat een afstand open tussen de verschillende kudden.
    3217En hij beval aan den eersten: Wanneer mijn broer Esau u ontmoet en u vraagt: wien behoort ge toe, waar gaat ge heen, en van wien is dit alles, wat gij voor u uitdrijft?
    3218dan moet ge antwoorden: Het is van Jakob, uw dienaar; het is een geschenk, dat hij zendt aan Esau, mijn heer; zie, hij zelf komt achter ons aan.
    3219Ook den tweeden, den derden en allen, die achter de kudde liepen, beval hij: Ge moet juist hetzelfde zeggen, als ge Esau ontmoet;
    3220en ge voegt er ook nog aan toe: Zie, uw dienaar Jakob komt achter ons aan. Want hij dacht: ik wil hem eerst door het geschenk, dat mij vooruitgaat, verzoenen, en hem dan onder de ogen komen; misschien dat hij mij dan genadig behandelt.
    3221Zo trok het geschenk voor hem uit, terwijl hij zelf die nacht in de legerplaats bleef.
    3222Maar nog in diezelfde nacht stond hij op, nam zijn twee vrouwen, zijn beide slavinnen en zijn elf zonen, en stak het wed van de Jabbok over.
    3223Hij nam ze mee, en zette ze over de stroom; ook heel zijn bezit bracht hij naar de overkant.
    3224Jakob zelf bleef alleen achter, en een man worstelde met hem tot het morgenrood rees.
    3225Toen deze zag, dat hij hem niet kon overwinnen, stiet hij hem tegen de bovenheup, zodat de heup van Jakob bij de worsteling werd ontwricht.
    3226Nu sprak de man: Laat mij gaan, want het morgenrood rijst. Maar hij antwoordde: Ik laat u niet gaan, tenzij ge mij zegent.
    3227Hij sprak tot hem: Hoe is uw naam? Hij antwoordde: Jakob.
    3228Hij zeide toen: Voortaan zult ge geen Jakob meer heten, maar IsraŽl; want ge hebt met God en met mensen gestreden, en de overwinning behaald.
    3229Nu vroeg Jakob: Zeg mij uw naam! Hij sprak: Hoe vraagt ge nog naar mijn naam. Toen gaf hij hem daar zijn zegen.
    3230Jakob noemde die plaats PenoeŽl; want ik heb God gezien van aanschijn tot aanschijn, en ben toch in leven gebleven!
    3231De zon ging juist op, toen hij PenoeŽl voorbij was. Hij bleef echter mank aan zijn heup.
    3232Daarom eten tot heden toe de zonen IsraŽls de heupspier niet, die aan de bovenheup ligt; want hij had Jakob tegen de bovenheup gestoten, tegen de spier van het heupgewricht.
    3301Nu sloeg Jakob zijn ogen op en keek rond; en zie, daar kwam Esau aan met vierhonderd man. Toen verdeelde hij zijn kinderen onder Lea, Rachel en zijn beide slavinnen.
    3302De slavinnen met haar kinderen plaatste hij voorop, Lea met haar kinderen daar achter, en Rachel met Josef achteraan.
    3303Zelf stelde hij zich aan hun spits, boog zich zevenmaal ter aarde neer, tot hij zijn broer genaderd was.
    3304Maar Esau snelde hem tegemoet, en omhelsde hem; hij viel hem om de hals, en kuste hem wenend.
    3305Toen hij zijn ogen opsloeg en de vrouwen met de kinderen zag, vroeg hij: Wie hebt ge daar? Hij antwoordde: Het zijn de kinderen, die het God heeft behaagd, aan uw dienaar te schenken.
    3306Nu traden de slavinnen met haar kinderen naar voren, en bogen zich voor hem neer.
    3307Ook Lea trad met haar kinderen vooruit, en boog zich neer; daarna kwamen ook Josef en Rachel, en bogen zich neer.
    3308Toen sprak hij: Wat moet ge met heel dat leger, dat ik heb ontmoet? Hij antwoordde: Genade vinden in de ogen van mijn heer!
    3309Maar Esau hernam: Ik bezit meer dan genoeg, mijn broeder; behoud wat ge hebt.
    3310Jakob hield aan: Neen, als ik genade gevonden heb in uw ogen, neem dan het geschenk van mij aan; want, daar gij vriendelijk voor mij waart, heb ik uw gelaat gezien, zoals men Gods aanschijn aanschouwt.
    3311Wil toch het blijk van mijn hulde aanvaarden, dat ik u heb aangeboden; want God is mij genadig geweest, zodat ik overvloed heb. Toen hij zo bij hem aandrong, nam hij het aan.
    3312Daarop sprak: Laten we opbreken en verder trekken; ik zal u dan begeleiden.
    3313Maar hij antwoordde: Mijn heer, gij ziet, dat de kinderen nog zwak zijn. Bovendien moet ik voor de schapen en zogende runderen zorgen; als die ťťn dag te veel gejaagd worden, gaat heel de kudde te gronde.
    3314Laat dus mijn heer zijn dienaar vooruitgaan; ik zal op mijn gemak mijn tocht vervolgen in de pas van het vee, dat voor mij uittrekt, en in de pas van de kinderen, tot ik in SeÔr kom bij mijn heer.
    3315Esau hernam: Dan zal ik tenminste enkele van de mannen, die mij vergezellen, te uwer beschikking stellen. Maar hij antwoordde: Waar is dat voor nodig; als ik maar genade vind in de ogen van mijn heer?
    3316Zo keerde Esau nog diezelfde dag naar SeÔr terug.
    3317Maar Jakob trok naar Soekkot; hij bouwde daar een huis voor zichzelf, en maakte er hutten voor zijn vee. Daarom wordt die plaats Soekkot genoemd.
    3318Na zijn terugkeer uit Paddan-Aram kwam Jakob behouden aan in de stad Sikem, die in het land Kanašn ligt, en legerde zich ten oosten der stad.
    3319Voor honderd goudstukken kocht hij van de zonen van Hemor, den vader van Sikem, de strook grond, waarop hij zijn tent had gespannen.
    3320Hij richtte daar een altaar op, en riep den God van IsraŽl aan.
    3401Eens ging Dina, de dochter, die Lea aan Jakob had gebaard, uit, om de meisjes van het land te bezoeken.
    3402Sikem, de zoon van Hemor, den Chiwwiet, en vorst van dat land, zag haar; hij schaakte haar, ging met haar slapen en verkrachtte haar.
    3403Maar daar Sikem zijn hart aan Dina, de dochter van Jakob, had verloren, het meisje beminde en het vriendelijk bejegende,
    3404zei hij tot zijn vader Hemor: Neem mij dat meisje tot vrouw.
    3405Nu had Jakob wel gehoord, dat zijn dochter Dina onteerd was; maar omdat zijn zonen met de kudde in het veld waren, hield Jakob zich stil tot hun terugkomst.
    3406Hemor, de vader van Sikem, ging dus naar Jakob, om eens met hem te spreken.
    3407Intussen waren de zonen van Jakob van het land teruggekeerd. Toen de mannen vernamen, wat er gebeurd was, werden ze verontwaardigd en ontstaken in hevige toorn; door de dochter van Jakob te verkrachten, was er een schanddaad aan IsraŽl begaan. Zo iets was er nog nooit gebeurd.
    3408Hemor sprak tot hen: Mijn zoon Sikem hangt met heel zijn hart aan uw dochter; geef haar dus aan hem tot vrouw.
    3409Laten we onder elkander huwen; geeft uw dochters aan ons, en neemt gij de onzen.
    3410Ge kunt gerust bij ons blijven wonen; het land ligt voor u open. Blijft hier; trekt er rond, of neemt er een vaste woonplaats.
    3411En Sikem zeide tot haar vader en haar broeders: Als ik genade vind in uw ogen, zal ik u geven, wat gij vraagt.
    3412Ge moogt de bruidsprijs en het geschenk verhogen, zoveel ge wilt; ik geef wat ge mij vraagt; maar geeft me het meisje tot vrouw.
    3413Toen gaven de zonen van Jakob, wier zuster Dina onteerd was, aan Sikem en aan zijn vader Hemor een listig antwoord.
    3414Ze zeiden: Wij kunnen daar niet op ingaan; we mogen onze zuster niet aan een onbesnedene geven, want dat is een schande voor ons.
    3415Alleen op deze voorwaarde geven wij u onze toestemming: ge moet alle mannen onder u laten besnijden, zoals wij zijn besneden.
    3416Dan zullen wij u onze dochters geven, en wij de uwe nemen, bij u blijven wonen, en ťťn volk met u vormen.
    3417Maar wanneer ge hierop niet ingaat, nemen we onze dochters mee en gaan heen.
    3418Hun voorstel beviel aan Hemor en aan zijn zoon Sikem,
    3419en de jonge man draalde niet, het ten uitvoer te brengen. Want de dochter van Jakob behaagde hem; ook had hij de meeste invloed in de familie.
    3420Hemor en zijn zoon Sikem gingen dus naar de stadspoort, en spraken tot hun medeburgers:
    3421Deze mannen zijn ons vreedzaam gezind. Zij willen in het land blijven wonen, en er in rondtrekken; want het land biedt hun aan alle kanten ruimte genoeg. Laten wij hun dochters tot vrouw nemen, en de onzen aan hen geven.
    3422Maar alleen onder deze voorwaarde willen die mannen onder ons blijven wonen, en ťťn volk met ons vormen: wij moeten alle mannen onder ons laten besnijden, zoals zij zelf besneden zijn.
    3423Dan zal hun bezit, hun have en al hun vee ons eigendom worden. We hoeven slechts op hun voorstel in te gaan, dan blijven ze bij ons.
    3424Alle medeburgers van Hemor en zijn zoon Sikem stemden er in toe, en alle mannen van de stad lieten zich besnijden.
    3425Maar op de derde dag, toen zij met wondkoorts lagen, grepen Simeon en Levi, de twee zonen van Jakob en broers van Dina, hun zwaard, overvielen de stad, die zich in veiligheid waande en vermoordden alle mannen.
    3426Ook Hemor en zijn zoon Sikem joegen zij over de kling, haalden Dina uit het huis van Sikem, en trokken af.
    3427Nadat de zonen van Jakob zo de zieken hadden overvallen, plunderden ze de stad, omdat men hun zuster had onteerd.
    3428Hun schapen, hun runderen en ezels, met alles wat in de stad was of wat op het land stond, roofden ze weg.
    3429Al hun bezittingen met alle kinderen en vrouwen voerden ze mee, en alles wat in de huizen was, maakten ze buit.
    3430Maar Jakob sprak tot Simeon en Levi: Gij stort mij in het ongeluk, door mij in kwade reuk te brengen bij de bewoners van het land, de Kanašnieten en de Perizzieten. Ik heb maar weinig volk; als zij dus tegen mij samenspannen en mij overvallen, word ik met mijn gezin vernietigd.
    3431Zij gaven ten antwoord: Mocht hij dan onze zuster als een deerne behandelen?
    3501Nu sprak God tot Jakob: Sta op, vertrek naar Betel, en vestig u daar. Richt daar een altaar op voor den God, die u is verschenen, toen ge op de vlucht waart voor uw broer Esau.
    3502Daarom sprak Jakob tot zijn gezin en tot allen, die hem vergezelden: Verwijdert de vreemde goden, die ge bij u hebt; reinigt u en verwisselt van kleren.
    3503Dan trekken we naar Betel op, waar ik een altaar zal bouwen voor den God, die mij heeft verhoord op de dag van mijn ellende, en die met mij was op de weg, die ik ging.
    3504Toen leverden zij aan Jakob alle vreemde goden uit, die in hun bezit waren, met de ringen, die ze in de oren droegen; en Jakob begroef ze onder de eik, die bij Sikem stond.
    3505Daarna trokken zij op. En de schrik Gods kwam over alle steden in het rond, zodat men de zonen van Jakob niet durfde achtervolgen.
    3506Zo kwam Jakob met al het volk, dat hem vergezelde, te Loez, ook Betel genoemd, dat in het land Kanašn ligt.
    3507Hij bouwde daar een altaar, en noemde die plaats Betel, omdat God zich daar aan hem had geopenbaard, toen hij op de vlucht was voor zijn broer.
    3508Daar stierf Debora, de voedster van Rebekka; zij werd begraven bij Betel onder de eik, die hij daarom Klaageik noemde.
    3509Toen Jakob dus uit Paddan-Aram was teruggekeerd, verscheen God hem opnieuw, en zegende hem.
    3510En God sprak tot hem: Uw naam is Jakob; voortaan zult ge geen Jakob meer heten, maar IsraŽl zult ge worden genoemd. Zo gaf Hij hem de naam IsraŽl.
    3511En God sprak tot hem: Ik ben de almachtige God! Wees vruchtbaar en vermenigvuldig u. Een volk, een reeks van volken komt uit u voort, En koningen zullen uw lendenen ontspruiten.
    3512Het land, dat Ik aan Abraham en Isašk schonk, Zal Ik geven aan u; En aan uw kroost na u Geef Ik dit land in bezit!
    3513Toen steeg God op, en verdween uit zijn ogen.
    3514Jakob stichtte een stenen gedenkteken op de plaats, waar Hij met hem had gesproken, stortte er een plengoffer op, en goot er olie over uit.
    3515En Jakob noemde de plaats, waar God met hem had gesproken, Betel.
    3516Toen ze nu ook van Betel waren opgetrokken, en nog slechts op korte afstand van EfrŠta waren, beviel Rachel en had een zware verlossing.
    3517En terwijl ze in zware barensnood lag, sprak de vroedvrouw tot haar: Wees maar niet bang; want ook ditmaal hebt ge een zoon.
    3518Onder het sterven nog, want ze ging dood, noemde ze hem Ben-Oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.
    3519Zo stierf Rachel; zij werd begraven op de weg naar EfrŠta of Betlehem.
    3520Jakob plaatste een gedenkteken op haar graf; dit grafmonument van Rachel staat er tot op de huidige dag.
    3521IsraŽl trok nu verder, en spande zijn tent voorbij Migdal-…der.
    3522Terwijl IsraŽl in deze streek vertoefde, hield Ruben gemeenschap met Bilha, de bijvrouw van zijn vader. Toen IsraŽl het vernam, was hij er hoogst verontwaardigd over. De zonen van Jakob waren twaalf in getal.
    3523De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, Simeon, Levi, Juda, Issakar en Zabulon.
    3524De zonen van Rachel: Josef en Benjamin.
    3525De zonen van Bilha, de slavin van Rachel: Dan en Neftali.
    3526De zonen van Zilpa, de slavin van Lea: Gad en Aser. Dit waren de zonen van Jakob, die hem geboren waren in Paddan-Aram.
    3527Zo bereikte Jakob zijn vader Isašk te Mamre bij Kirjat-Arba, of Hebron, waar Abraham en Isašk zich hadden gevestigd.
    3528En toen Isašk honderd tachtig jaar oud was,
    3529gaf hij de geest en stierf; oud en afgeleefd werd hij bij zijn volk verzameld. Zijn zonen Esau en Jakob begroeven hem.
    3601Dit zijn de nakomelingen van Esau of Edom.
    3602Esau had zich de volgende vrouwen uit de kanašnietische meisjes genomen: Ada, de dochter van den Chittiet Elon; Oholibama, de dochter van Ana, de kleindochter van den Chiwwiet Sibon;
    3603Basemat, de dochter van JisjmaŽl, de zuster van Nebajot.
    3604Ada baarde aan Esau Elifaz; Basemat ReoeŽl;
    3605Oholibama baarde Jeoesj, Jalam en Kůrach. Dit zijn de zonen van Esau, die hem in het land Kanašn werden geboren.
    3606Daarna nam Esau zijn vrouwen, zonen en dochters en allen, die tot zijn gezin behoorden, met zijn kudde, runderen en al de bezittingen, die hij in het land Kanašn verworven had, en trok van zijn broer Jakob weg naar een ander land.
    3607Want zij bezaten te veel, om bij elkander te blijven; het land, waar zij woonden, kon hen wegens hun kudden niet onderhouden.
    3608Esau of Edom ging zich dus in het gebergte SeÔr vestigen.
    3609Dit is de geslachtslijst van Esau, den vader van Edom, in het gebergte SeÔr.
    3610Dit zijn de namen van Esau's zonen: Elifaz, de zoon van Esau's vrouw Ada; ReoeŽl, de zoon van Esau's vrouw Basemat.
    3611De zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Sefo, Gatam en Kenaz.
    3612Timna was een bijvrouw van Esau's zoon Elifaz, en zij baarde aan Elifaz Amalek. Dit waren dus zonen van Esau's vrouw Ada.
    3613Dit waren de zonen van ReoeŽl: NŠchat en Zťrach, Sjamma en Mizza. Ze waren dus zonen van Esau's vrouw Basemat.
    3614Dit waren de zonen van Esau's vrouw Oholibama, de dochter van Ana, en kleindochter van Sibon. Zij baarde aan Esau Jeoesj, Jalam en Kůrach.
    3615Dit zijn de stamhoofden van Esau's zonen: De zonen van Elifaz, den eerstgeborene van Esau, zijn de stamhoofden van Teman, Omar, Sefo en Kenaz,
    3616Kůrach, Gatam en Amalek. Ze zijn de stamhoofden van de groep Elifaz in het land Edom. Ze zijn zonen van Ada.
    3617Dit zijn de zonen van Esau's zoon ReoeŽl: De stamhoofden van NŠchat, Zťrach, Sjamma en Mizza. Ze zijn de stamhoofden van de groep ReoeŽl in het land van Edom. Ze zijn zonen van Esau's vrouw Basemat.
    3618Dit zijn de zonen van Esau's vrouw Oholibama. De stamhoofden van Jeoesj, Jalam en Kůrach. Ze zijn de stamhoofden van de groep Oholibama, de dochter van Ana, de vrouw van Esau.
    3619Dit zijn dus de zonen van Esau of Edom met hun stamhoofden.
    3620En dit zijn de zonen van den Choriet SeÔr, de eigenlijke bewoners van het land: Lotan, Sjobal, Sibon, en Ana.
    3621Verder Disjon, …ser en Disjan. Ze zijn de stamhoofden van de Chorieten, de zonen van SeÔr, in het land Edom.
    3622De zonen van Lotan waren Chori en Hemam; de zuster van Lotan was Timna.
    3623Dit zijn de zonen van Sjobal: Alwan, ManŠchat, Ebal, Sjefo en Onam.
    3624Dit zijn de zonen van Sibon: Ajja en Ana; dit is de Ana, die de hete bronnen vond in de woestijn, toen hij de ezels van zijn vader Sibon weidde.
    3625Dit zijn de kinderen van Ana: Disjon en Oholibama, de dochter van Ana.
    3626Dit zijn de zonen van Disjon: Chemdan, Esjban, Jitran en Keran.
    3627Dit zijn de zonen van …ser: Bilhan, Zašwan en Akan.
    3628Dit zijn de zonen van Disjan: Oes en Aran.
    3629Dit zijn dus de stamhoofden van de Chorieten: de stamhoofden van Lotan, Sjobal, Sibon, Ana,
    3630Disjon, …ser en Disjan. Het zijn de stamhoofden van de verschillende chorietische stammen in het land SeÔr.
    3631En dit zijn de koningen, die over het land Edom regeerden, eer er een koning heerste over de zonen IsraŽls.
    3632.pBťla, de zoon van Beor regeerde in Edom; zijn hofstad heette Dinhaba.
    3633Na de dood van Bťla regeerde Jobab, de zoon van Zťrach uit Bosra in zijn plaats.
    3634Na de dood van Jobab regeerde Choesjam uit het land der Temanieten in zijn plaats.
    3635Na de dood van Choesjam regeerde Hadad, de zoon van Bedad in zijn plaats. Hij was het, die Midjan in de vlakten van Moab versloeg; zijn stad heette Awit.
    3636Na de dood van Hadad regeerde Samla uit Masreka in zijn plaats.
    3637.pNa de dood van Samla regeerde Sjaoel uit Rechobot aan de rivier in zijn plaats.
    3638Na de dood van Sjaoel regeerde BŠal-Chanan, de zoon van Akbor in zijn plaats.
    3639Na de dood van BŠal-Chanan, den zoon van Akbor, regeerde Hadar in zijn plaats zijn hofstad heette Paoe. Zijn vrouw heette Mehetabel, en was de dochter van Matred en kleindochter van Me-Zahab.
    3640En dit zijn de namen van de stamhoofden van Esau volgens hun familie, en naar de naam van hun woonplaats. De stamhoofden van Timna, Alwa en Jetet,
    3641Oholibama, Ela en Pinon,
    3642Kenaz, Teman en Mibsar,
    3643MagdiŽl en Iram. Dit zijn dus de stamhoofden van Edom volgens hun woonplaats in het land, dat zij in bezit hadden genomen. Tot zover over Esau, den stamvader van Edom.
    3701Jakob bleef in het land Kanašn wonen, waar ook zijn vader had vertoefd.
    3702En dit is de familiegeschiedenis van Jakob: Toen Josef zeventien jaar oud en dus nog een knaap was, en hij met zijn broers, met de zonen van Bilha en de zonen van Zilpa, de vrouwen van zijn vader, de kudde weidde, bracht hij de kwade geruchten, die over hen liepen, aan hun vader over.
    3703Ook hield IsraŽl meer van Josef dan van zijn andere zonen, omdat hij hem nog op zijn oude dag geboren was; daarom liet hij hem een kleurig gewaad maken.
    3704Toen zijn broeders dus bemerkten, dat hun vader hem meer beminde dan al zijn broers, begonnen zij hem te haten, en gunden hem geen vriendelijk woord meer.
    3705Bovendien had Josef eens een droom, die hij aan zijn broers vertelde, met het gevolg, dat zij hem nog meer gingen haten.
    3706Hij sprak tot hen: Luistert eens naar de droom, die ik heb gehad.
    3707Ziet, wij waren op het veld aan het schoven binden, toen mijn schoof overeind rees en recht bleef staan, terwijl uw schoven zich er omheen plaatsten, en voor de mijne begonnen te buigen.
    3708Maar zijn broers zeiden tot hem: Wilt ge soms koning over ons worden, of over ons heersen? En ze haatten hem nog meer om die droom, die hij had verhaald.
    3709Later had hij nog een andere droom, die hij eveneens aan zijn broers vertelde. Hij sprak: Ik heb een nieuwe droom gehad. Zie, de zon, de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer.
    3710Maar toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, berispte hem zijn vader en zei: Wat moet dat met die droom, die ge gehad hebt; moeten ik, uw moeder en broers ons soms voor u ter aarde komen buigen?
    3711Maar terwijl zijn broers nijdig op hem bleven, prentte zijn vader dat verhaal in zijn geheugen.
    3712Nu gebeurde het eens, dat zijn broers naar Sikem waren gegaan, om de kudden van hun vader te weiden.
    3713Toen sprak IsraŽl tot Josef: De broers zijn in Sikem de kudden aan het weiden; ik wilde u er wel eens heen zenden. Hij antwoordde: Heel goed!
    3714Hij hernam: Ga dan eens zien, of alles in orde is met uw broers en ook met het vee, en kom het mij dan vertellen. Zo zond hij hem uit de vallei van Hebron op pad. Toen hij bij Sikem was gekomen,
    3715en daar in de velden ronddoolde, ontmoette hem iemand, die hem vroeg, wat hij zocht.
    3716Hij antwoordde: Ik ben op zoek naar mijn broers; kunt ge me zeggen, waar zij hun kudde weiden?
    3717De man gaf ten antwoord: Zij zijn van hier weg; want ik heb ze horen zeggen, dat ze naar Dotan wilden gaan. Josef ging dus zijn broers achterna, en trof hen in Dotan.
    3718Zij zagen hem al uit de verte. En eer hij hen nog had bereikt, hadden ze al het plan beraamd, hem te doden.
    3719Ze zeiden tot elkander: Zie, daar komt de dromer aan!
    3720Vooruit nu, laten we hem vermoorden, in een van de putten gooien, en zeggen, dat een wild beest hem heeft verslonden; dan zullen we eens zien, wat er van zijn dromen terecht komt.
    3721Toen Ruben dit hoorde, wilde hij hem uit hun handen redden. Daarom zei hij: We moeten hem niet om het leven brengen.
    3722En Ruben vervolgde: Ge moet geen bloed vergieten; werpt hem liever in die put daar, in de woestijn, maar raakt hem niet aan. Zo wilde hij hem aan hun handen onttrekken, om hem naar zijn vader terug te brengen.
    3723Toen Josef dan bij zijn broers was gekomen, trokken zij hem het veelkleurig kleed uit, dat hij aanhad,
    3724grepen hem vast, en wierpen hem in de put. De put was leeg, en er stond geen water in.
    3725Terwijl ze daarna zaten te eten, keken ze op, en bemerkten een karavaan van JisjmaŽlieten, die van Gilad kwam; hun kamelen waren belast met gom, balsem en hars, en waren op weg naar Egypte.
    3726Nu zei Juda tot zijn broers: Wat hebben we er aan, onzen broer te vermoorden en zijn bloed te bedekken?
    3727Laten we hem liever aan de JisjmaŽlieten verkopen en niet onze handen aan hem slaan; want hij is toch onze broer en ons eigen vlees. Zijn broers stemden er in toe.
    3728En toen de midjanietische kooplieden voorbijkwamen, trokken zij Josef uit de put omhoog, en verkochten hem voor twintig zilverstukken aan de JisjmaŽlieten, die Josef naar Egypte voerden.
    3729Toen Ruben weer naar de put kwam, maar Josef niet meer in de put was, scheurde hij zijn kleren.
    3730Hij liep terug naar zijn broers, en riep: De jongen is weg, wat moet ik nu gaan beginnen!
    3731Nu namen zij het kleed van Josef, slachtten een geitebokje, en doopten het kleed in het bloed.
    3732Ze stuurden het kleurige kleed naar hun vader, en lieten hem zeggen: Dit hebben we gevonden; zie eens, of dit het kleed van uw zoon is, of niet?
    3733Hij herkende het en zei: Het is het kleed van mijn zoon; een wild beest heeft hem verslonden; ach, Josef is in stukken gescheurd!
    3734En Jakob scheurde zijn kleren, deed een zak om zijn lenden, en treurde lange tijd om zijn zoon.
    3735Al zijn zonen en dochters kwamen hem troosten; maar hij wilde geen troost. Want hij sprak: Treurend daal ik naar mijn zoon in het dodenrijk af. Zo bleef zijn vader om hem wenen.
    3736Intussen hadden de Midjanieten Josef in Egypte verkocht aan Potifar, een hoveling van Farao, en overste van de lijfwacht.
    3801Omstreeks diezelfde tijd verliet Juda zijn broers, en begaf zich naar een man in Adoellam, Chira genaamd.
    3802Daar zag Juda de dochter van een Kanašniet, die Sjůea heette; hij nam haar tot vrouw, en hield gemeenschap met haar.
    3803Zij werd zwanger, en baarde een zoon, dien ze Er noemde.
    3804Zij werd nog eens zwanger, en baarde een zoon, dien zij de naam Onan gaf.
    3805Daarna baarde zij nog een zoon, dien zij Sjela noemde. Zij bevond zich te Kezib, toen zij hem baarde.
    3806Later nam Juda voor Er, zijn eerstgeborene, een vrouw, Tamar geheten.
    3807Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was slecht in de ogen van Jahweh, zodat Jahweh hem deed sterven.
    3808Toen zeide Juda tot Onan: Ga naar de vrouw van uw broer, sluit een zwagerhuwelijk met haar, en zorg dat ge kinderen verwekt voor uw broer.
    3809Maar Onan, die wist, dat die kinderen niet aan hem zouden behoren, liet telkens, als hij tot zijn schoonzuster kwam, het zaad op de grond verloren gaan, om geen kinderen voor zijn broer te verwekken.
    3810Zijn gedrag was slecht in de ogen van Jahweh; zodat Hij ook hem liet sterven.
    3811Toen sprak Juda tot zijn schoondochter Tamar: Blijf als weduwe in uw vaderlijk huis, tot mijn zoon Sjela volwassen is. Want hij dacht: anders zal ook hij sterven evenals zijn broers. En Tamar ging heen, en bleef in het huis van haar vader wonen.
    3812Geruime tijd later stierf de dochter van Sjůea, Juda's vrouw. Toen de rouwtijd voorbij was, ging Juda eens in gezelschap van zijn vriend Chira uit Adoellam naar Timna, om zijn schapenscheerders te bezoeken.
    3813Men bracht Tamar het bericht: Uw schoonvader komt naar Timna, om zijn schapen te scheren.
    3814Nu legde zij haar weduwkleed af, hulde zich in een sluier, en ging vermomd bij de poort van EnŠim zitten, dat op de weg naar Timna ligt. Want zij wist, dat Sjela groot was geworden, en zij hem toch niet tot vrouw werd gegeven.
    3815Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een deerne, omdat zij haar gelaat had gesluierd.
    3816Hij verliet de weg, ging naar haar toe en sprak: Kom, ik wil met u mee. Hij wist immers niet, dat het zijn schoondochter was. Zij antwoordde: Wat geeft ge mij, als ge bij me moogt komen?
    3817Hij zeide: Ik zal u een geitebokje van de kudde sturen. Zij antwoordde: Als ge een pand geeft, tot ge het mij hebt gestuurd.
    3818Hij hernam: Wat voor een pand moet ik u geven? Zij antwoordde: Uw zegel met snoer en de staf, die ge in uw hand hebt. Hij gaf ze haar, hield gemeenschap met haar, en zij ontving van hem.
    3819Nu stond zij op, en ging heen; ze legde haar sluier af en trok haar weduwkleed weer aan.
    3820Toen Juda nu door zijn vriend uit Adoellam een geitebokje liet brengen, om het pand uit de handen van de vrouw terug te krijgen, vond deze haar niet.
    3821Hij ondervroeg de bewoners van die plaats: Waar is de deerne, die hier bij EnŠim langs de weg zit? Maar zij antwoordden: Er is hier geen deerne.
    3822Toen keerde hij naar Juda terug, en zeide: Ik heb haar niet kunnen vinden; en de mensen van die plaats beweren, dat daar nooit een deerne geweest is.
    3823Juda sprak: Dan moet zij pand maar houden; we kunnen ons toch niet uit laten lachen. Ik heb het bokje gestuurd, maar gij hebt haar niet kunnen vinden.
    3824Ongeveer drie maanden later werd aan Juda bericht: Uw schoondochter Tamar heeft ontucht bedreven, en is zwanger geworden. Juda sprak: Brengt ze naar buiten, om ze te verbranden!
    3825Reeds werd ze naar buiten geleid, toen ze haar schoonvader liet zeggen: Van den man, aan wien deze dingen behoren, heb ik ontvangen. En zij liet er aan toevoegen: Kijk eens goed, wien dit zegel met snoer en die staf toebehoren.
    3826Juda herkende ze en sprak: Zij is tegenover mij in haar recht; want ik heb haar niet aan mijn zoon Sjela gegeven. Maar hij hield verder geen gemeenschap met haar.
    3827Toen de tijd van haar verlossing nabij was, bleek er een tweeling in haar schoot te zijn.
    3828Tijdens de verlossing stak er een zijn handje uit. De vroedvrouw greep het vast, bond er een purperen draad om, en zeide: Deze is het eerst gekomen.
    3829Maar hij trok zijn handje terug, en toen kwam zijn broertje te voorschijn. Nu sprak ze: Wat voor een bres hebt gij u gemaakt! En zij noemde hem Fares.
    3830Daarna kwam zijn broertje, die de purperen draad om zijn handje had, en zij noemde hem Zara.
    3901Josef was dus naar Egypte gevoerd, waar de Egyptenaar Potifar, een hoveling van Farao en overste van de lijfwacht, hem van de JisjmaŽlieten, die hem daarheen hadden gebracht, had gekocht.
    3902Maar Jahweh stond Josef bij, zodat het hem voorspoedig ging, en hij in het huis van zijn egyptischen meester mocht blijven.
    3903En toen zijn meester zag, dat Jahweh met hem was, en Jahweh alles, wat hij ondernam, deed gelukken,
    3904kwam Josef bij hem in de gunst, en moest hem persoonlijk bedienen. Hij gaf hem het toezicht over zijn huis, en vertrouwde hem al zijn bezittingen toe.
    3905En van het oogenblik af, dat hij hem over zijn huis en al zijn bezittingen had gesteld, zegende Jahweh het huis van den Egyptenaar terwille van Josef. En toen de zegen van Jahweh bleef rusten op heel zijn bezit, in huis en op het land,
    3906liet hij tenslotte al zijn bezittingen door Josef beheren, en bemoeide zich met niets meer, dan met het brood, dat hij at. Josef was kloek van gestalte en knap van uiterlijk.
    3907Zo gebeurde het na enige tijd, dat de vrouw van zijn meester het oog op Josef liet vallen en zeide: Kom bij mij liggen.
    3908Hij weigerde, en zeide tot de vrouw van zijn meester: Zie, mijn heer bemoeit zich met niets in zijn huis buiten mij om, en hij heeft mij al zijn bezittingen toevertrouwd.
    3909Hij zelf is hier in huis niet groter dan ik, en niets heeft hij aan mijn macht onttrokken behalve u, omdat ge zijn vrouw zijt. Hoe zou ik dan dit grote kwaad kunnen doen en zondigen tegen God?
    3910En ofschoon ze dag in dag uit bij Josef aandrong, dat hij bij haar zou komen liggen, en haar terwille zou zijn, luisterde hij niet naar haar.
    3911Maar op zekere dag gebeurde het, dat hij naar huis kwam, om zijn werk te verrichten, en er niemand van de huisgenoten binnen was.
    3912Toen greep ze hem bij zijn kleren vast en zei: Kom bij mij liggen. Doch hij liet zijn kleed in haar handen achter, en vluchtte haastig naar buiten.
    3913Toen zij zag, dat hij zijn kleed in haar handen had achtergelaten en naar buiten was gevlucht,
    3914schreeuwde zij haar huisgenoten bijeen, en zei hun: Daar hebt ge het nu; men heeft een HebreŽr in huis gebracht, om zijn spel met ons te drijven. Hij is naar mij toegekomen, om bij mij te liggen; maar ik ben gaan schreeuwen, zo hard ik kon.
    3915Toen hij mij zo hard hoorde schreeuwen en gillen, liet hij zijn kleed bij mij achter, en vluchtte haastig naar buiten.
    3916Ze hield het kleed bij zich achter, totdat zijn meester thuis kwam.
    3917Toen vertelde ze hem hetzelfde: Die hebreeuwse slaaf, dien ge in huis hebt gehaald, is bij mij binnengedrongen, om zijn spel met mij te drijven.
    3918Maar toen ik hard begon te schreeuwen en te gillen, liet hij zijn kleed bij mij achter, en vluchtte haastig naar buiten.
    3919Toen de heer van Josef zijn vrouw hoorde vertellen, hoe zijn slaaf haar zou hebben behandeld, werd hij zeer toornig;
    3920hij liet Josef grijpen en hem in de kerker werpen, waar de gevangenen van den koning zaten opgesloten. Maar ook toen Josef daar in de gevangenis zat,
    3921stond Jahweh hem bij, en strekte zijn genade over hem uit. Hij zorgde er voor, dat hij bij den gevangenbewaarder in de gunst kwam,
    3922zodat deze al die in de kerker zaten opgesloten aan Josef toevertrouwde, en er niets geschiedde buiten hem om.
    3923De gevangenbewaarder bemoeide zich met niets, van wat hij Josef had toevertrouwd; want Jahweh stond hem bij, en wat hij deed, liet Jahweh gelukken.
    4001Enige tijd daarna begingen de schenker en de bakker van den koning van Egypte een misdrijf tegen den koning van Egypte, hun heer.
    4002En daar Farao vertoornd was op zijn twee hovelingen, den opperschenker en den hofbakker,
    4003liet hij hen gevangen zetten in het huis van den overste der lijfwacht, de kerker waar ook Josef zat opgesloten;
    4004en de overste van de lijfwacht stelde Josef bij hen aan, om voor hen te zorgen. Zo bleven ze geruime tijd gevangen.
    4005Eens hadden beiden, de schenker zowel als de bakker van Egypte's koning, die in de kerker zaten opgesloten, dezelfde nacht een droom, elk met eigen betekenis.
    4006Toen Josef de volgende morgen bij hen kwam, zag hij aan hen, dat ze terneergeslagen waren.
    4007Hij vroeg toen aan de hovelingen van Farao, die met hem in het huis van zijn meester in hechtenis zaten: Waarom kijkt ge vandaag zo somber?
    4008Zij antwoordden hem: Wij hebben een droom gehad, en er is niemand, om hem uit te leggen. Josef zeide hun: God alleen legt dromen uit! Vertelt ze mij eens.
    4009De opperschenker verhaalde toen zijn droom aan Josef, en zeide hem: In mijn droom zag ik een wijnstok voor mij.
    4010Aan die wijnstok zaten drie ranken; zodra hij begon uit te lopen, zette hij bloesem en droegen zijn trossen rijpe druiven.
    4011Ik had de beker van Farao in mijn hand; ik nam de druiven, perste ze uit in Farao's beker, en reikte die aan Farao over.
    4012Toen zeide Josef tot hem: Dit is de uitleg ervan: de drie ranken betekenen drie dagen.
    4013Over drie dagen zal Farao uw hoofd in de hoogte heffen, door u in uw ambt te herstellen; dan zult ge Farao de beker weer reiken, zoals vroeger, toen ge zijn schenker waart.
    4014Maar wanneer het u goed gaat, denk dan ook eens aan mij, en bewijs mij de gunst, een goed woord voor me te doen bij Farao, en te zorgen, dat ik uit dit huis word bevrijd.
    4015Want ik ben weggeroofd uit het land der HebreŽn, en ook hier heb ik niets gedaan, waarvoor men mij in de gevangenis moest zetten.
    4016Toen de hofbakker zag, dat Josef een gunstige uitleg gaf, zeide hij tot hem: Ook ik heb een droom gehad. Zie, ik zag drie broodkorven op mijn hoofd.
    4017In de bovenste korf bevond zich gebak, allerlei soorten gerechten voor Farao; maar de vogels pikten het weg uit de korf op mijn hoofd.
    4018Josef gaf hem ten antwoord: Dit is de uitleg ervan: de drie korven betekenen drie dagen.
    4019Over drie dagen zal Farao ook uw hoofd in de hoogte heffen, door u aan een paal op te hangen; dan zullen de vogels uw vlees opeten.
    4020Op de derde dag, de verjaardag van Farao, richtte deze voor heel zijn hof een feestmaal aan. Toen hief hij werkelijk het hoofd van den opperschenker en van den hofbakker te midden van zijn dienaren omhoog.
    4021Den opperschenker herstelde hij in zijn ambt van schenker, zodat hij Farao weer de beker mocht reiken.
    4022den hofbakker hing hij op, zoals Josef het hun had uitgelegd.
    4023De opperschenker echter dacht niet eens meer aan Josef, maar vergat hem geheel.
    4101Twee jaren later had ook Farao een droom. Zie, hij stond aan de Nijl.
    4102Daar klommen uit de Nijl zeven koeien omhoog, prachtig en vet, die in het oevergras gingen weiden.
    4103Maar zie, daarna klommen zeven andere koeien uit de Nijl omhoog, lelijk en mager, die naast de eerste gingen staan aan de oever van de Nijl.
    4104De lelijke en magere koeien slokten de zeven prachtige en vette koeien op. Toen ontwaakte Farao.
    4105Hij sliep weer in, en droomde opnieuw. En zie, zeven aren schoten op uit ťťn halm, zwaar en prachtig.
    4106Maar daarna schoten zeven andere aren op, spichtig en door de oostenwind verschroeid.
    4107En de spichtige aren slokten de dikke en volle op. Toen ontwaakte Farao, en merkte dat het een droom was geweest.
    4108De volgende morgen was Farao erover verontrust. Hij ontbood alle geleerden en wijzen van Egypte, en verhaalde hun zijn droom. Maar er was niemand, die Farao uitleg kon geven.
    4109Toen sprak de opperschenker tot Farao: Nu moet ik eerlijk mijn schuld bekennen.
    4110Toen Farao indertijd vertoornd was op zijn dienaren, had hij mij en den hofbakker gevangen gezet in het huis van den overste van de lijfwacht.
    4111Daar hadden wij in dezelfde nacht een droom; ieder van ons had een droom met eigen betekenis.
    4112Nu was daar bij ons een hebreeuwse jongeman, een slaaf van den overste van de lijfwacht. We vertelden hem onze dromen, en hij legde ze voor ons uit, iedere droom met zijn eigen zin.
    4113En zoals hij het ons had uitgelegd, is het gebeurd. Men heeft mij in mijn ambt hersteld, hem hing men op.
    4114Toen liet Farao Josef roepen. Men haalde hem vlug uit de gevangenis; en nadat hij zich geschoren had en andere kleren had aangetrokken, begaf hij zich naar Farao.
    4115En Farao sprak Josef toe: Ik heb een droom gehad, en er is niemand, die hem kan uitleggen. Nu heb ik over u horen zeggen, dat gij een droom kunt uitleggen, zodra ge hem hoort.
    4116Josef gaf Farao ten antwoord: Ik zelf kan niets; maar God zal Farao openbaren, wat hem tot heil strekt.
    4117Toen sprak Farao tot Josef: In mijn droom stond ik aan de oever van de Nijl.
    4118En zie, uit de Nijl klommen zeven koeien omhoog, vet en prachtig, die in het oevergras gingen weiden.
    4119Maar zie, daarna klommen zeven andere koeien omhoog, schraal, erg lelijk en mager; zo lelijk, als ik ze in heel Egypte nog nooit heb gezien.
    4120De magere en lelijke koeien slokten de zeven eerste, de vette, op.
    4121Ze kwamen in haar buik terecht, maar men merkte er niets van; ze bleven even lelijk als vroeger. Toen werd ik wakker.
    4122Opnieuw zag ik in mijn droom. Zie, zeven aren schoten op uit ťťn halm, vol en prachtig.
    4123Maar daarna schoten zeven andere aren op, dor, spichtig en door de oostenwind verschroeid.
    4124En de spichtige aren slokten de zeven prachtige op. Ik heb het aan de geleerden verhaald, maar niemand kon mij uitleg geven.
    4125Nu sprak Josef tot Farao: De dromen van Farao zijn ťťn. God heeft Farao geopenbaard, wat Hij van plan is te doen.
    4126De zeven vette koeien betekenen zeven jaren; de zeven vette aren eveneens zeven jaren. Het is maar ťťn droom.
    4127Ook de zeven magere en lelijke koeien, die na haar omhoog klommen, betekenen zeven jaren, en de zeven spichtige aren, door de oostenwind verschroeid, eveneens zeven jaren van hongersnood.
    4128Dit bedoelde ik, toen ik tot Farao zeide, dat God aan Farao heeft getoond, wat Hij van plan is te doen.
    4129Zie, er gaan voor Egypte zeven jaren van grote overvloed komen.
    4130Daarna zullen er zeven jaren van hongersnood aanbreken, waarin heel de overvloed van Egypte zal worden vergeten, en hongersnood het land zal teisteren.
    4131Dan zal men in het land niets meer van overvloed merken door de hongersnood, die er op volgt; want die zal zeer hevig zijn.
    4132En dat de droom zich voor Farao herhaald heeft, betekent, dat God het vast heeft besloten en het spoedig ten uitvoer zal brengen.
    4133Farao moge dus omzien naar een verstandig en kundig man, en dien over Egypteland aanstellen.
    4134Laat Farao aldus te werk gaan: hij stelle opzichters aan over het land, om in de zeven jaren van overvloed het vijfde deel te heffen van de opbrengst van Egypte.
    4135Ze moeten in de goede jaren, die nu gaan komen, allerlei levensmiddelen verzamelen, en in de steden het koren opslaan en bewaren ter beschikking van Farao.
    4136Dan zullen die levensmiddelen de voorraad vormen voor het land voor de zeven jaren van hongersnood, die over Egypte gaan komen, en zal het land niet van honger te gronde gaan.
    4137Dit voorstel scheen Farao en heel zijn hof verstandig.
    4138En Farao sprak tot zijn hovelingen: Zou er een man zijn te vinden, in wien Gods geest is als in hem?
    4139En Farao zeide tot Josef: Nu God u dat alles heeft geopenbaard, is er niemand zo verstandig en kundig als gij.
    4140Gij zult dus niet enkel mijn huis besturen, maar heel het volk zal aan uw bevel gehoorzamen, en alleen door mijn troon zal ik boven u staan.
    4141En Farao vervolgde tot Josef: Hiermee stel ik u aan over heel het land van Egypte!
    4142En Farao trok de zegelring van zijn vinger, stak die aan de hand van Josef, trok hem een kostbaar linnen gewaad aan, en hing hem een gouden keten om de hals.
    4143Daarna liet hij hem zijn eigen wagen bestijgen, de beste op een na, en men riep voor hem uit: Op de knieŽn! Zo stelde Farao Josef aan over heel het land van Egypte.
    4144En hij zeide tot hem: Ik blijf Farao; maar buiten uw wil zal niemand hand of voet verroeren in heel het land van Egypte.
    4145Farao gaf Josef de naam Safenat-Panťach, en schonk hem Asenat, de dochter van Poti-Fťra, den priester van On, tot vrouw.
    4146Josef was dertig jaar oud, toen hij in dienst trad van Farao, den koning van Egypte. Nu ging Josef van Farao heen, en doorreisde heel het land van Egypte.
    4147En terwijl het land in de zeven jaren van overvloed volop droeg,
    4148verzamelde hij in die zeven jaren, dat er overvloed was in Egypte, allerlei levensmiddelen. Hij stapelde ze op in de steden; in iedere stad sloeg hij de oogst op van de velden rondom.
    4149En Josef hoopte het koren op als het zand aan de zee; zo ontzaggelijk veel, dat men ophield met meten, omdat het niet meer te meten was.
    4150Nog eer het jaar van de hongersnood kwam, kreeg Josef twee zonen, die Asenat, de dochter van Poti-Fťra, den priester van On, hem baarde.
    4151Josef noemde den oudste Manasse; want God heeft me al mijn ellende en heel mijn vaderlijk huis doen vergeten.
    4152Den tweede noemde hij EfraÔm; want God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land van mijn ongeluk.
    4153Toen nu de zeven jaren van overvloed, die in Egypte heerste, ten einde waren,
    4154braken de zeven jaren van hongersnood aan, zoals Josef voorspeld had. In alle landen was er gebrek, maar in heel het land van Egypte was brood.
    4155En toen ook heel Egypte honger begon te krijgen, en het volk tot Farao om brood riep, zeide Farao tot alle Egyptenaren: Gaat tot Josef, en doet wat hij u zegt.
    4156En toen er hongersnood heerste over het hele land, opende Josef de graanschuren, en verkocht het koren aan de Egyptenaren. En ofschoon er ook in Egypte hongersnood woedde,
    4157kwamen alle landen naar Egypte, om van Josef koren te kopen; want de hongersnood teisterde ook de hele wereld.
    4201Toen Jakob vernam, dat er in Egypte koren was, zeide hij tot zijn zonen: Wat talmt ge nog?
    4202Ik heb gehoord, dat er koren is in Egypte. Trekt daarheen, en gaat er wat voor ons kopen, zodat we in leven blijven en niet sterven.
    4203Tien broeders van Josef gingen dus op weg, om in Egypte graan te kopen.
    4204Maar Jakob liet Benjamin, den broer van Josef, niet met de andere broers meegaan; want hij was bang, dat hem een ongeluk zou overkomen.
    4205Zo kwamen de zonen van IsraŽl, tegelijk met vele anderen, daar aan, om koren te kopen; want er was hongersnood in het land Kanašn.
    4206Josef, die toen het land bestuurde, verkocht persoonlijk aan al de volken der aarde. Ook de broers van Josef gingen dus naar hem toe, en bogen zich voor hem ter aarde neer.
    4207Zodra Josef zijn broers zag, herkende hij hen, maar hij maakte zich zelf aan hen niet bekend. Bars sprak hij hen toe: Waar komt ge vandaan? Zij antwoordden: Uit het land Kanašn, om koren te kopen.
    4208Nu wist Josef zeker, dat het zijn broers waren, en dat zij hem niet hadden herkend;
    4209en hij herinnerde zich toen de dromen, die hij vroeger had gehad. Hij sprak tot hen: Gij zijt spionnen; ge zijt gekomen, om de zwakke punten van het land te verspieden.
    4210Zij antwoordden: Neen, heer; uw dienaars zijn enkel gekomen, om levensmiddelen te kopen.
    4211Wij allen zijn zonen van ťťn man, en wij zijn betrouwbare mensen; uw dienaars zijn geen spionnen.
    4212Hij herhaalde: Niet waar, ge zijt gekomen, om de zwakke punten van het land te verspieden.
    4213Ze zeiden: Uw dienaren zijn twaalf in getal geweest; wij zijn broeders en zonen van ťťn man uit het land Kanašn. De jongste is bij onzen vader gebleven, en ťťn is er niet meer.
    4214Josef hernam: Ik blijf er bij; ge zijt spionnen.
    4215Dat is nu juist een punt, om u op de proef te stellen; bij het leven van Farao, gij komt hier niet vandaan, eer uw jongste broer naar hier is gekomen.
    4216Stuur dus een van u, om uw broer te halen; gij blijft hier gevangen achter. Zo kan worden onderzocht, of ge de waarheid hebt gesproken. En zo dit niet het geval is: bij het leven van Farao, dan zijt ge verspieders.
    4217Nu liet hij hen drie dagen lang te zamen in de gevangenis opsluiten.
    4218Op de derde dag sprak Josef tot hen: Ge kunt uw leven redden, zo ge doet wat ik zeg; ook ik ben een godvrezend man.
    4219Wanneer gij betrouwbare mannen zijt, laat dan een van uw broers als gevangene in uw kerker achter; de anderen van u kunnen vertrekken, en koren meenemen, om de honger van uw gezinnen te stillen.
    4220Maar ge brengt uw jongsten broeder naar mij toe, om de waarheid van uw woorden te bewijzen; dan zult ge niet sterven. Daar gingen ze op in.
    4221Maar ze zeiden toch onder elkander: Waarachtig, we hebben het aan onzen broer verdiend. Wij hebben zijn doodsangst gezien, maar niet naar hem willen luisteren, toen hij ons om genade smeekte. Daarom komt deze ramp over ons.
    4222Ruben voegde er nog aan toe: Heb ik u niet gezegd, u niet aan den knaap te bezondigen? Maar gij hebt niet willen luisteren. Zie, nu wordt zijn bloed teruggeŽist.
    4223Ze wisten niet, dat Josef hen verstond; want ze hadden zich van een tolk bediend.
    4224Josef weende met de rug naar hen toe. Daarna keerde hij zich om, en onderhield zich met hen. Hij liet Simeon uit hun midden weghalen, en hem voor hun ogen in boeien slaan.
    4225Nu gaf Josef bevel, hun zakken met koren te vullen, maar in ieders zak het geld terug te leggen, en hun mondvoorraad mee te geven voor onderweg. Zo deed men.
    4226Zij laadden het koren op hun ezels, en trokken weg.
    4227Maar toen een van hen in het nachtverblijf zijn zak opendeed, om zijn ezel te voeren, vond hij het geld bovenop in de zak.
    4228Hij zei tot zijn broers: Mijn geld is terug; daar ligt het in mijn zak. Zij bestierven het van schrik, en zeiden tot elkander: Wat laat God ons nu overkomen?
    4229Zo kwamen zij dan bij hun vader Jakob in het land Kanašn terug, en verhaalden hem alles, wat hun overkomen was.
    4230Ze zeiden: Die man, die daar het land regeert, heeft ons bars toegesproken, en ons uitgemaakt voor verspieders van het land.
    4231Wij hebben hem geantwoord: Wij zijn betrouwbare mensen en geen spionnen.
    4232Wij zijn twaalf broeders geweest, zonen van ťťn vader; ťťn is er niet meer, en de jongste is bij zijn vader in het land Kanašn gebleven.
    4233Maar de man, die daar het land regeert, sprak tot ons: Dit zal voor mij het bewijs zijn, dat gij betrouwbare mensen zijt; ťťn van uw broers zal bij me blijven; de anderen van u kunnen vertrekken en koren meenemen, om de honger van uw gezinnen te stillen.
    4234Maar brengt uw jongsten broer tot mij; dan zal ik weten, dat gij geen verspieders zijt. Als gij betrouwbare mannen zijt, geef ik uw broer aan u terug, en kunt gij vrij door het land reizen.
    4235Toen zij hun zakken ledigden, vond ieder zijn buidel met geld in zijn zak. Bij het zien van hun buidels met geld, werden zij, zowel als hun vader, bevreesd.
    4236En hun vader Jakob zeide tot hen: Ge maakt me kinderloos; Josef is weg, Simeon is weg, en nu neemt ge ook nog Benjamin weg; het drukt me allemaal zwaar.
    4237Maar nu zei Ruben tot zijn vader: Ge moogt mijn beide zonen doden, als ik hem niet bij u terugbreng. Vertrouw hem mij toe; ik breng hem u terug.
    4238Maar hij antwoordde: Mijn zoon gaat niet met u mee; want zijn broer is dood, en hij alleen is nog over. Overkomt hem een ongeluk op de reis, die ge onderneemt, dan zoudt ge mijn grijze haren met kommer ten grave doen dalen.
    4301Maar de hongersnood bleef het land teisteren.
    4302En toen al het koren op was, dat zij van Egypte hadden meegebracht, zei hun vader tot hen: Gaat voor ons weer wat levensmiddelen kopen.
    4303Maar Juda sprak tot hem: Die man heeft ons uitdrukkelijk gewaarschuwd: Waagt het niet, mij onder de ogen te komen, als ge uw broer niet meebrengt.
    4304Zo gij dus onzen broer met ons meegeeft, zullen wij levensmiddelen voor u gaan kopen;
    4305maar zo ge hem niet laat gaan, vertrekken we niet. Want die man heeft ons gezegd: Waagt het niet, mij onder de ogen te komen, als uw broer niet bij u is.
    4306IsraŽl hernam: Waarom hebt gij mij dit leed aangedaan, met dien man te vertellen, dat gij nog een broer hadt.
    4307Zij antwoordden: Die man vroeg ons uitdrukkelijk naar ons en onze familie. Hij zeide: Leeft uw vader nog; hebt gij nog een anderen broer? Alleen op die vragen hebben we hem geantwoord. Konden we dan weten, dat hij zou zeggen: brengt uw broer hier?
    4308En Juda drong bij zijn vader IsraŽl aan: Geef den jongen maar met mij mee, en laten we vertrekken; dan kunnen we in leven blijven en behoeven we niet te sterven, wij, gijzelf en onze kinderen.
    4309Ik blijf borg voor hem; van mij moogt ge hem terugeisen. Als ik hem niet bij u terugbreng en weer voor u doe staan, blijf ik voor u mijn leven lang schuldig.
    4310Hadden we maar niet zo getalmd, dan waren we al voor de tweede keer terug.
    4311Toen sprak hun vader IsraŽl tot hen: Als het dan moet, doet het dan maar. Neemt het beste van het land in uw zakken mee, en biedt het dien man als geschenk aan: wat balsem en honing, wat gom en hars, met pimpernoten en amandelen.
    4312Neemt ook een dubbel bedrag aan geld met u mee. Want ge moet het geld teruggeven, dat boven in uw zakken werd gevonden; misschien was het maar een vergissing.
    4313Neemt dan uw broer mee, en gaat terug naar dien man.
    4314Geve de almachtige God, dat ge genade vindt bij dien man, en dat hij uw anderen broer en Benjamin met u laat vertrekken. Wat mij betreft, moet ik kinderloos worden, het zij zo.
    4315De mannen namen dus het geschenk en een dubbel bedrag aan geld met zich mee, vertrokken met Benjamin naar Egypte, en verschenen voor Josef.
    4316Toen Josef hen met Benjamin zag, beval hij zijn hofmeester: Breng die mannen naar binnen; laat het nodige slachten, en maak een maaltijd gereed; want die mannen zullen vanmiddag bij mij eten.
    4317De man deed zoals Josef beval, en bracht de mannen naar het huis van Josef.
    4318Toen de mannen naar het huis van Josef werden gebracht, werden zij bang en zeiden: We worden weggebracht om het geld, dat de vorige maal in onze zakken is teruggevonden. Men wil ons overrompelen en overvallen, ons tot slaven maken, en onze ezels in beslag nemen.
    4319Zij traden op den hofmeester van Josef toe, spraken hem aan bij de deur van het huis, en zeiden tot hem:
    4320Met uw verlof, heer; wij waren vroeger al hier, om koren te kopen.
    4321Maar toen wij in het nachtverblijf kwamen en onze zakken openden, lag ieders geld boven in zijn zak: ons eigen geld naar het volle bedrag. Dit hebben we nu weer meegebracht,
    4322tegelijk met het andere geld, dat we bij ons hebben, om levensmiddelen te kopen. Wij weten niet, wie ons geld weer in onze zakken heeft gelegd.
    4323Hij gaf hun ten antwoord: Weest maar gerust, vreest niet; uw God en de God van uw vader heeft heimelijk een schat in uw zakken gelegd; want ik heb uw geld ontvangen. Nadat de man ook Simeon bij hen had gebracht,
    4324leidde hij hen naar het huis van Josef, en gaf hun water, om hun voeten te wassen, en voer voor hun ezels.
    4325Zij legden hun geschenken gereed in afwachting van Josef, die tegen de middag zou komen; want zij hadden gehoord, dat hij daar zou eten.
    4326Toen Josef thuis kwam, boden zij hem de geschenken aan, die zij van huis hadden meegenomen, en bogen zich voor hem ter aarde neer.
    4327Hij vroeg hun, hoe zij het maakten, en zei: Maakt ook uw oude vader, van wien ge mij hebt gesproken, het nog goed; is hij nog in leven?
    4328Zij antwoordden: Onze vader, uw dienaar, maakt het goed, en is nog in leven; en weer bogen zij eerbiedig voor hem ter aarde.
    4329Toen hij rondkeek, en zijn broer Benjamin zag, den zoon van zijn moeder, zei hij: Is dat uw jongste broer, van wien ge mij hebt gesproken? En hij voegde er aan toe: God zij u genadig, mijn zoon.
    4330Dan snelde Josef weg, om uit te schreien; want bij het zien van zijn broer was hij diep ontroerd. Hij ging zijn kamer binnen en snikte het uit.
    4331Na zijn gelaat te hebben gewassen, kwam hij weer de kamer uit. Hij vermande zich en sprak: Dient de maaltijd op!
    4332Toen diende men voor ieder afzonderlijk het eten op, voor Josef, voor hen, en voor de Egyptenaren, die met hem aten. Want de Egyptenaren mogen niet met de HebreŽn eten: dit is voor de Egyptenaren een gruwel.
    4333Zo zaten de mannen tegenover hem, van den oudste tot den jongste, juist volgens hun leeftijd; verwonderd keken zij elkaar er op aan.
    4334Hij liet hen van de gerechten bedienen, die voor hem stonden; maar het deel van Benjamin was vijf maal zo groot als dat van ieder der anderen. Zij dronken met hem, en werden vrolijk.
    4401Daarna gaf hij zijn hofmeester het volgende bevel: Vul de zakken van die mannen met levensmiddelen, zoveel als ze maar kunnen dragen, en leg het geld van ieder boven in zijn zak.
    4402Maar mijn eigen zilveren beker moet ge boven in de zak van den jongste leggen bij het geld voor zijn koren. Hij deed, wat Josef hem bevolen had.
    4403Vroeg in de morgen liet men de mannen met hun ezels vertrekken.
    4404Maar zij waren nog niet ver buiten de stad, toen Josef tot zijn hofmeester zeide: Vooruit, jaag die mannen na, en als ge ze ingehaald hebt, zeg hun dan: Waarom vergeldt ge goed met kwaad?
    4405Waarom hebt ge de zilveren beker gestolen, en nog wel die, waar mijn heer uit drinkt en waaruit hij de toekomst voorspelt. Ge hebt daar slecht mee gedaan.
    4406Toen hij hen had ingehaald, sprak hij hen toe, zoals was bevolen.
    4407Zij antwoordden: Hoe kan mijn heer nu zo iets zeggen? Zo iets zouden uw dienaren zeker niet doen.
    4408Zie, het geld, dat wij boven in onze zakken hadden gevonden, hebben we u uit het land Kanašn teruggebracht. Hoe zouden we dan zilver of goud uit het huis van uw heer durven stelen?
    4409Hij, bij wien beker gevonden wordt, zal sterven; en de anderen van ons zullen de slaven zijn van uw heer.
    4410Hij zeide toen: Eigenlijk moest het gebeuren, zoals ge zegt. Maar zo zal het wezen: bij wien de beker gevonden wordt, hij zal mijn slaaf zijn; maar de anderen van u gaan vrij uit.
    4411Toen zette ieder van hen vlug zijn zak op de grond, en maakte hem open.
    4412Hij begon zijn onderzoek bij den oudste om te eindigen bij den jongste; en de beker werd in de zak van Benjamin gevonden.
    4413Nu scheurden zij allen hun kleren, laadden hun zak weer op hun ezels, en keerden terug naar de stad.
    4414Zo kwamen Juda en zijn broers aan het huis van Josef, waar deze nog altijd vertoefde, en wierpen zich voor hem op de grond.
    4415Josef sprak hen aan: Wat hebt ge gedaan; begreept ge dan niet, dat iemand als ik een goed waarzegger is?
    4416Juda zeide: Wat zullen we onzen heer antwoorden, wat zullen we zeggen, hoe ons rechtvaardigen? God wreekt de schuld van uw dienaren. Zie, wij zijn de slaven van onzen heer, wij met hem, bij wien de beker is gevonden.
    4417Hij sprak: Ik denk er niet aan, zo iets te doen; alleen de man, bij wien de beker is gevonden, zal mijn slaaf zijn, maar gij kunt in vrede naar uw vader gaan.
    4418Nu trad Juda naar voren, en sprak: Met uw verlof, heer! Laat uw dienaar een enkel woord tot mijn heer mogen spreken, zonder dat gij toornig wordt op uw dienaar; want gij zijt verheven als Farao!
    4419Mijn heer heeft aan zijn dienaars gevraagd: Hebt gij nog een vader of een broer?
    4420Wij hebben onzen heer toen geantwoord: Wij hebben een ouden vader en een jongen broer, die hem op zijn oude dag is geboren. Zijn broer is dood, zijn moeder heeft hem alleen nog over, en hij is de lieveling van zijn vader.
    4421Gij hebt toen tot uw dienaars gezegd: Brengt hem naar mij toe, opdat ik hem met eigen ogen kan zien.
    4422Wij hebben onzen heer geantwoord: De jongen kan niet weg van zijn vader; zijn vader zou sterven, als hij hem verliet.
    4423Maar gij hebt toen uw dienaars gedreigd: Waagt het niet, mij onder de ogen te komen, als uw jongste broer niet met u mee komt.
    4424Nadat wij dus waren teruggekeerd naar onzen vader, uw dienaar, hebben wij hem de woorden van onzen heer meegedeeld.
    4425En toen onze vader beval: Gaat weer wat levensmiddelen voor ons kopen
    4426hebben we geantwoord: Zo kunnen we niet gaan! Alleen als onze jongste broer met ons meegaat, zullen we vertrekken; want we durven dien man niet meer onder de ogen komen, als onze jongste broeder ons niet vergezelt.
    4427Toen sprak mijn vader, uw dienaar, tot ons: Ge weet, dat mijn vrouw mij maar twee zonen heeft geschonken.
    4428De een is van mij heengegaan; ik denk dat hij verscheurd is, want ik heb hem nooit meer gezien.
    4429Als ge nu ook dezen van mij wegneemt, en hem een ongeluk overkomt, dan zoudt ge mijn grijze haren met kommer ten grave doen dalen.
    4430Wanneer ik nu dus terugkom bij mijn vader, uw dienaar, en de knaap, aan wien hij met heel zijn ziel hangt, ons niet vergezelt,
    4431dan zal hij sterven, als hij ziet, dat de jongen er niet is, en uw dienaars zullen de grijze haren van onzen vader, uw dienaar, met kommer ten grave doen dalen.
    4432Waarachtig, uw dienaar is borg gebleven voor den knaap bij mijn vader, en heeft hem gezegd: Als ik hem niet bij u terugbreng, blijf ik mijn leven lang schuldig voor mijn vader.
    4433Laat dus uw dienaar, in plaats van den jongen, als slaaf van mijn heer achterblijven, maar laat de knaap met zijn broers vertrekken.
    4434Want hoe zou ik naar mijn vader durven terugkeren, als de jongen mij niet vergezelt! Ik zou de smart niet kunnen aanzien, die mijn vader zou treffen.
    4501Nu kon Josef zich voor al de omstanders niet langer bedwingen. Hij riep, dat allen zouden heengaan, zodat er niemand bij was, toen Josef zich aan zijn broeders bekend maakte.
    4502Hij begon hardop te schreien, zodat de Egyptenaren en het hof van Farao het hoorden.
    4503Hij zei tot zijn broers: Ik ben Josef! Leeft vader nog? Maar zijn broers waren niet in staat, hem te antwoorden; ze deinsden van schrik voor hem terug.
    4504Maar Josef sprak tot zijn broers: Komt toch dichter bij me! En toen zij dit hadden gedaan, herhaalde hij: Ik ben Josef, uw broer, dien ge naar Egypte verkocht hebt.
    4505Weest niet bedroefd en boos op uzelf, dat ge mij hierheen hebt verkocht. Neen, God heeft mij voor u uitgezonden, om uw leven te redden.
    4506Want twee jaren heerst er nu al hongersnood in het land, en nog vijf jaar lang zal men ploegen noch oogsten.
    4507God heeft me voor u uitgezonden, om uw geslacht op aarde te behouden en uw eigen leven te redden.
    4508Want niet gij hebt mij hierheen gezonden, maar God zelf. Hij heeft mij tot een vader voor Farao gemaakt, tot meester over heel zijn huis en heerser over heel het land van Egypte.
    4509Keert dus terstond terug naar mijn vader, en zegt hem: Zo spreekt uw zoon Josef! God heeft mij tot heer over heel Egypte verheven; talm dus niet, en kom naar mij toe.
    4510Gij kunt met uw zonen en kleinzonen, uw schapen en runderen en al wat u toebehoort in het land Gůsjen gaan wonen, zodat ge dicht bij me zult zijn.
    4511Ik zal u met uw huisgezin en heel uw bezit onderhouden, opdat gij niet tot armoede vervalt; want de hongersnood zal nog vijf jaren duren.
    4512Gij ziet het toch met eigen ogen, en mijn broer Benjamin ziet het ook, dat ik in eigen persoon tot u spreek.
    4513Vertelt dus mijn vader van al de glorie, die ik in Egypte geniet, en van alles wat gij hebt gezien, en brengt dan mijn vader zo spoedig mogelijk hier.
    4514Toen omhelsde hij onder tranen zijn broer Benjamin, en ook zijn broer Benjamin schreide bij de omhelzing.
    4515Dan kuste hij wenend al zijn broers. Toen eerst durfden zijn broers tot hem spreken.
    4516Het gerucht, dat de broers van Josef waren gekomen, drong door tot het paleis van Farao, en Farao en zijn hof waren erover verheugd.
    4517En Farao sprak tot Josef: Zeg aan uw broers, dat ze zů moeten doen! Zadelt uw dieren en trekt naar het land Kanašn,
    4518om uw vader en uw gezinnen te halen, en komt naar mij terug. Dan zal ik u het puik van Egypte schenken, en ge zult het beste genieten, wat het land opbrengt.
    4519Ook dit moet ge hun gelasten: Neemt uit Egypte wagens mee voor uw kleine kinderen en vrouwen; vervoert er ook uw vader mee en komt hierheen.
    4520Ge behoeft geen spijt om uw huisraad te hebben; want het allerbeste, wat Egypte kan bieden, is voor u!
    4521Zo deden de zonen van IsraŽl; Josef gaf hun op bevel van Farao wagens, en verschafte hun levensmiddelen voor de reis.
    4522Aan ieder van hen schonk hij een stel feestgewaden, maar aan Benjamin driehonderd zilverstukken en vijf stel feestgewaden.
    4523Eveneens zond hij aan zijn vader tien ezels, die de beste gaven van Egypte droegen, en tien ezelinnen beladen met koren en brood, en voedsel als voorraad voor de reis.
    4524Zo liet hij zijn broers vertrekken, en zei hun nog bij hun vertrek: Doet elkaar onderweg geen verwijten.
    4525Zij vertrokken nu uit Egypte, en gingen naar het land Kanašn, naar Jakob hun vader.
    4526Toen zij hem vertelden, dat Josef nog leefde, en over heel Egypte heerste, bleef hij er ongevoelig voor; want hij geloofde hen niet.
    4527Maar toen zij hem alles hadden verteld, wat Josef tot hen had gesproken, en hij de wagens zag, die Josef had gezonden, om hem te vervoeren, leefde de geest van hun vader Jakob weer op.
    4528En IsraŽl sprak: Genoeg! Mijn zoon Josef leeft nog. Ik wil hem gaan zien, eer ik sterf!
    4601Toen vertrok IsraŽl met al de zijnen, en ging naar BeŽr-Sjťba. Daar droeg hij een offer op aan den God van zijn vader Isašk.
    4602En God sprak tot IsraŽl in een nachtelijk visioen: Jakob, Jakob! Hij antwoordde: Hier ben ik!
    4603En Hij zeide: Ik ben God, de God van uw vader! Vrees niet, naar Egypte te trekken; want Ik zal daar een groot volk van u maken.
    4604Ik zelf ga met u mee naar Egypte; maar Ik breng u ook terug, en Josef zal u de ogen sluiten.
    4605Daarna trok Jakob uit BeŽr-Sjťba. De zonen van IsraŽl zetten hun vader Jakob met hun kinderen en vrouwen op de wagens, die Farao gezonden had, om hen te vervoeren,
    4606en namen hun vee en hun bezittingen mee, die ze in het land Kanašn hadden verworven. Zo trok Jakob met heel zijn geslacht naar Egypte.
    4607Zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters, heel zijn geslacht voerde hij mee naar Egypte.
    4608Dit zijn de namen van de zonen van IsraŽl, die naar Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen; de oudste zoon van Jakob was Ruben.
    4609De zonen van Ruben waren Chanok, Palloe, Chesron en Karmi.
    4610De zonen van Simeon: JemoeŽl, Jamin, Ohad, Jakin, Sůchar en Sjaoel, de zoon van een kanašnietische vrouw.
    4611De zonen van Levi: Gersjon, Kehat en Merari.
    4612De zonen van Juda: Er, Onan, Sjela, Fares en Zara. Er en Onan stierven in het land Kanašn. De zonen van Fares waren Esron en Chamoel.
    4613De zonen van Issakar: Tola, Poewwa, Job en Sjimron.
    4614De zonen van Zabulon: Sťred, Elon en JachleŽl.
    4615Dit waren de zonen van Lea, die zij Jakob in Paddan-Aram had geschonken; bovendien nog zijn dochter Dina. Allen tezamen drie en dertig zonen en dochters.
    4616De zonen van Gad waren: Sifjon, Chaggi, Sjoeni, Esbon, Eri, Arodi en Areli.
    4617De zonen van Aser: Jimna, Jisjwa, Jisjwi en Beria, en Sťrach hun zuster. De zonen van Beria waren Chťber en MalkiŽl.
    4618Dit waren de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea had gegeven; deze zestien had zij Jakob geschonken.
    4619De zonen van Jakobs vrouw Rachel waren Josef en Benjamin.
    4620In Egypte werden Manasse en EfraÔm aan Josef geboren uit Asenat, de dochter van Poti-Fťra, den priester van On.
    4621De zonen van Benjamin waren Bťla, Bťker, Asjbel, Gera, Našman, Echi, Rosj, Moeppim, Choeppim en Ard.
    4622Dit waren de zonen van Rachel, die zij Jakob had geschonken. In het geheel veertien personen.
    4623De zoon van Dan was Choesjim.
    4624De zonen van Neftali: JachseŽl, Goeni, Jťser en Sjillem.
    4625Dit waren de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel had gegeven. Dezen had zij Jakob geschonken; in het geheel zeven personen.
    4626Het volledig aantal personen uit Jakob geboren, die met hem naar Egypte trokken, bedroeg zes en zestig, behalve de vrouwen van zijn zonen.
    4627De zonen van Josef in Egypte geboren waren twee in getal. Dus bedroeg het hele geslacht van Jakob, dat naar Egypte kwam, zeventig personen.
    4628Nadat Jakob Juda vooruit had gezonden naar Josef, om hem bij zich in Gůsjen te ontbieden, kwamen zij in het land Gůsjen aan.
    4629En Josef spande zijn wagen in, en reed naar Gůsjen, om zijn vader IsraŽl te ontmoeten. Toen hij hem zag, viel hij hem snikkend om de hals.
    4630En IsraŽl sprak tot Josef: Thans kan ik gerust sterven, nu ik u heb teruggezien, en nu ik weet, dat ge nog leeft!
    4631Daarna sprak Josef tot zijn broers en tot het gezin van zijn vader: Ik zal Farao gaan berichten: Mijn broeders en het gezin van mijn vader, die in het land Kanašn woonden, zijn bij mij aangekomen.
    4632De mannen willen hun kudde weiden; want het zijn veebezitters, en ze hebben hun schapen en runderen met heel hun bezit met zich meegebracht.
    4633Wanneer Farao u dus ontbiedt en u vraagt, wat uw beroep is,
    4634moet ge antwoorden: Uw dienaars zijn als onze vaders veebezitters geweest van onze jeugd af tot heden toe. Dan zult gij u in het land Gůsjen mogen vestigen; want de Egyptenaren hebben een afkeer van schaapherders.
    4701Josef ging dus Farao berichten: Mijn vader en mijn broers zijn met hun schapen en runderen en met heel hun bezit uit het land Kanašn aangekomen, en bevinden zich in het land Gůsjen.
    4702Hij had vijf van zijn broers meegenomen, en stelde ze aan Farao voor.
    4703Farao vroeg aan zijn broers: Wat is uw beroep? Zij gaven Farao ten antwoord: Uw dienaren zijn schaapherders, van vader op zoon.
    4704En ze vervolgden tot Farao: We zijn gekomen, om de gastvrijheid van het land te genieten; want uw dienaars hadden geen weidegrond meer voor hun vee, daar de hongersnood het land Kanašn heeft geteisterd. Geef uw dienaren verlof, zich in het land Gůsjen te vestigen.
    4705Toen sprak Farao tot Josef: Nu uw vader en broers tot u zijn gekomen,
    4706staat het land van Egypte voor u open. Laat uw vader en broers in het beste deel van het land wonen; ze kunnen in het land Gůsjen blijven. En wanneer ge weet, dat er geschikte mannen onder hen zijn, stel ze dan tot opzichters over mijn eigen veestapel aan.
    4707Nu ging Josef zijn vader Jakob halen, en stelde ook hem aan Farao voor. Nadat Jakob Farao met een zegenwens had begroet,
    4708sprak Farao tot Jakob: Hoeveel jaren telt ge reeds?
    4709Jakob gaf Farao ten antwoord: Het getal van mijn pelgrimsjaren bedraagt honderd dertig: weinig in aantal, maar vol van verdriet zijn mijn levensjaren geweest, en zij hebben niet het getal van die mijner vaderen bereikt in de dagen van hun pelgrimstocht.
    4710Toen zegende Jakob Farao, en ging van Farao heen.
    4711Josef wees zijn vader en broers een woonplaats aan en gaf hun grondbezit in Egypte, en wel in de streek van Rašmses, in het beste deel van het land, zoals Farao bevolen had.
    4712En Josef voorzag zijn vader en broers van brood, en heel het gezin van zijn vader naar het getal van de kinderen.
    4713Daar intussen de hongersnood hevig bleef woeden, was er in heel het land geen voedsel meer, en raakten Egypte en Kanašn uitgeput van honger.
    4714Nu kreeg Josef al het geld in handen, dat in Egypte en Kanašn werd gevonden, in ruil voor het koren, dat men kocht; en al het geld stortte Josef in de schatkist van Farao.
    4715Toen er in Egypte en Kanašn geen geld meer was, kwamen alle Egyptenaren naar Josef toe, en zeiden: Geef ons brood; waarom moeten wij voor uw ogen sterven, omdat er geen geld meer is.
    4716Josef antwoordde: Als ge geen geld meer bezit, geeft dan uw vee, en ik geef u daarvoor brood in de plaats.
    4717Zij brachten dus Josef hun kudden, en Josef gaf hun voedsel in ruil voor hun paarden, schapen, runderen en ezels. Dat jaar voorzag hij hen van brood in ruil voor al hun kudden.
    4718Maar toen het jaar om was, kwamen zij ook in het volgende jaar naar hem toe, en zeiden: We behoeven het niet voor onzen heer te verbergen, dat het geld op is en de veestapel reeds in het bezit van onzen heer is gekomen; we hebben dus niets meer over voor onzen heer, dan onze eigen persoon en onze landerijen.
    4719Waarom zouden wij met onze landerijen voor uw ogen te gronde gaan? Koop onszelf en ons land in ruil voor brood; dan zullen wij met ons land dienstbaar zijn aan Farao. Geef ook koren, om te zaaien, dan kunnen we in leven blijven en behoeven we niet te sterven, en zal ook het land niet braak blijven liggen.
    4720Nu kocht Josef al het land van Egypte voor Farao op; want de Egyptenaren moesten allen hun akkers verkopen, omdat de honger hen kwelde. Zo werd het land Farao's eigendom.
    4721Bovendien bracht hij het hele volk in lijfeigenschap van het ene eind van Egypte tot het andere.
    4722Alleen het land van de priesters kon hij niet kopen. Want de priesters hadden een vaste toelage van Farao, en leefden van wat Farao hun gaf; daarom behoefden zij hun land niet te verkopen.
    4723Nu zei Josef tot het volk: Ik heb nu uw personen en akkers voor Farao gekocht, en gij hebt nu zaaikoren, om het land te bezaaien.
    4724Maar nu moet ge van de opbrengst een vijfde aan Farao afstaan; vier vijfden moogt ge voor u zelf behouden, om er uw velden mee te bezaaien, er met uw gezinnen van te leven, en uw kinderen te onderhouden.
    4725Zij zeiden: Gij hebt ons het leven gered! Laat ons genade vinden in de ogen van onzen heer, en de slaven van Farao zijn.
    4726Zo maakte Josef het tot wet, die nog heden voor de akkers in Egypte geldt, dat een vijfde aan Farao moet worden opgebracht. Alleen het land van de priesters bleef uitgezonderd, omdat het niet van Farao was.
    4727Zo vestigden de IsraŽlieten zich in Egypte, in het land Gůsjen. Ze kregen daar vaste bezittingen, waren er vruchtbaar, en werden zeer talrijk.
    4728Jakob leefde in Egypte nog zeventien jaar, zodat de hele levensduur van Jakob honderd zeven en veertig jaren bedroeg.
    4729Toen de dag van zijn sterven begon te naderen, ontbood hij zijn zoon Josef, en sprak tot hem: Als ik genade gevonden heb in uw ogen, leg dan uw hand onder mijn heup als bewijs van uw liefde en trouw, dat ge mij niet in Egypte zult begraven,
    4730maar dat ik bij mijn vaderen zal rusten. Breng me uit Egypte over, en begraaf mij in hun graf. Hij antwoordde: Ik zal doen, wat ge zegt.
    4731Hij sprak: Zweer het mij dan! En toen hij het hem had gezworen, boog IsraŽl zich aanbiddend neer op het hoofdeinde van zijn bed.
    4801Enige tijd later berichtte men Josef: Uw vader is ziek. Terstond ging hij naar Jakob, en nam zijn beide zonen, Manasse en EfraÔm, met zich mee.
    4802Toen men Jakob vertelde, dat zijn zoon Josef was gekomen, verzamelde IsraŽl zijn laatste krachten, en richtte zich in zijn bed overeind.
    4803En Jakob sprak tot Josef: De almachtige God is mij te Loez in het land Kanašn verschenen, en heeft mij gezegend.
    4804Hij heeft mij gezegd: Ik zal u vruchtbaar en talrijk maken, u tot een schaar van volken doen groeien, en dit land aan uw nageslacht schenken tot een eeuwig bezit.
    4805Welnu, uw beide zonen, die u in Egypte geboren zijn, voordat ik tot u in Egypte kwam, EfraÔm en Manasse, gelden als zonen van mij; EfraÔm en Manasse staan voor mij gelijk met Ruben en Simeon.
    4806Maar de kinderen, die ge na hen zult krijgen, zullen de uwen zijn, en onder de naam van hun broeders hun erfdeel ontvangen.
    4807Want toen ik uit Paddan-Aram kwam, is uw moeder Rachel in het land Kanašn op enige afstand van EfrŠta mij ontvallen, en heb ik haar op de weg naar EfrŠta, dat nu Betlehem heet, moeten begraven.
    4808Toen IsraŽl de zonen van Josef bemerkte, sprak hij: Wie hebt ge daar?
    4809Josef gaf zijn vader ten antwoord: Het zijn mijn zonen, die God mij hier heeft gegeven. Hij zeide: Breng ze bij mij; ik wil ze zegenen.
    4810Want de ogen van IsraŽl waren verzwakt van ouderdom, zodat hij niet kon zien. Toen Josef ze dus dicht bij hem had gebracht, kuste en omhelsde hij hen.
    4811En IsraŽl sprak tot Josef: Ik had niet gedacht, dat ik u nog zou weerzien; en zie, nu laat God mij nog uw kinderen aanschouwen.
    4812Nu nam Josef ze van zijn knieŽn weg, en zij bogen zich ter aarde neer.
    4813Dan nam Josef hen bij de hand: EfraÔm bij de rechterhand, dus links van IsraŽl; Manasse bij de linkerhand, dus rechts van IsraŽl; zo plaatste hij ze vůůr hem.
    4814Maar IsraŽl kruiste zijn armen: hij stak zijn rechterhand uit en legde die op het hoofd van EfraÔm, ofschoon hij de jongste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse, ofschoon hij de eerstgeborene was.
    4815Toen zegende hij hen en sprak: De God, voor wiens aanschijn mijn vaderen hebben gewandeld, Abraham en Isašk: De God, die mij heeft behoed van mijn geboorte af, Tot heden toe:
    4816De Engel, die mij uit alle nood heeft verlost, Zegene deze knapen! Moge in hen mijn naam blijven leven, en de naam van mijn vaderen, Abraham en Isašk, En mogen zij vruchtbaar en talrijk worden In het land!
    4817Josef zag tot zijn ontsteltenis, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van EfraÔm had gelegd. Hij greep de hand van zijn vader, om ze van het hoofd van EfraÔm weg te nemen en op het hoofd van Manasse te leggen.
    4818En Josef zei tot zijn vader: Zo niet vader; want dit is de oudste: leg uw rechterhand dus op zijn hoofd.
    4819Maar zijn vader weigerde het, en sprak: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het! Ook hij zal een volk worden, ook hij zal groot zijn; maar zijn jongere broer zal nog groter worden dan hij, en zijn geslacht een ganse schaar van volken.
    4820En hij zegende hen op die dag, en sprak: Met uw naam zal IsraŽl zegen wensen en zeggen: God make u als EfraÔm en Manasse! Zo stelde hij EfraÔm boven Manasse.
    4821Nu sprak IsraŽl tot Josef: Zie, ik ga sterven; maar God zal met u zijn, en u terugleiden naar het land uwer vaderen.
    4822Ik vermaak u ťťn deel meer dan uw broeders; de bergrug, die ik op de Amorieten met mijn zwaard en mijn boog heb veroverd.
    4901Daarna riep Jakob zijn zonen en sprak: Verzamelt u en ik zal u verkonden, Wat u in de verre toekomst geschiedt.
    4902Komt bijeen en luistert, zonen van Jakob; Hoort naar IsraŽl, uw vader!
    4903Ruben, gij mijn eerstgeborene, Mijn kracht en eersteling van mijn mannelijke rijpheid: De eerste moest ge in hoogheid zijn, De eerste in macht.
    4904Maar ge zijt een schuimende beek, Gij zult die voorrang niet hebben: Want ge hebt het bed van uw vader beklommen, Toen mijn sponde ontwijd.
    4905Simeon en Levi, echte broers: List en geweld zijn hun zwaarden:
    4906Mijn geest wil in hun plannen niet treden, Mijn hart heeft geen deel aan hun raad. Want in hun toorn hebben zij mannen verslagen, In hun moedwil stieren verminkt!
    4907Vervloekt hun toorn, zo heftig, Hun gramschap, zo fel: Ik zal ze verdelen in Jakob, Ze verstrooien in IsraŽl!
    4908Juda, u prijzen uw broeders; Uw hand drukt op de nek van uw vijand, De zonen van uw vader buigen zich voor u neer!
    4909Juda, als een leeuwenwelp Stijgt gij omhoog na de buit, mijn zoon! Hij kromt zich, hij vlijt zich neer als een leeuw, En als een leeuwin: wie durft hem wekken?
    4910De schepter zal van Juda niet wijken, De staf niet tussen zijn voeten, Totdat Hij komt, wien ze behoort, En voor wien de volken zich bukken.
    4911Dan bindt hij zijn lastdier aan de wijnstok, Het veulen van zijn ezelin aan de wingerd; Dan wast hij zijn kleren in wijn, En in het druivensap zijn gewaad;
    4912Van wijn worden zijn ogen dan donker, Van de melk zijn tanden wit!
    4913Zabulon woont langs de oever der zee, En aan het strand bij de schepen; Hij keert Sidon de rug toe!
    4914Issakar is een bonkige ezel, Die tussen de kudde blijft liggen;
    4915Daar hij het rusten heerlijk vindt, En lieflijk het land: Kromt hij zijn rug om te dragen, En verricht hij slavendienst!
    4916Dan richt zijn volk Als een van IsraŽls stammen.
    4917Dan is een slang op de weg, Een adder op het pad; Hij bijt het paard in de hielen, En zijn berijder slaat achterover.
    4919Gad: roverbenden stormen op hem aan, Maar hij zit hen op de hielen!
    4920Aser: heerlijk is zijn brood, Hij biedt koninklijke lekkernijen.
    4921Neftali: een wijdvertakte terebint, Die een prachtige kruin draagt!
    4922Een jonge vruchtboom is Josef, Een jonge vruchtboom aan de bron: Zijn ranken klimmen over de muur.
    4923Hoe men hem uitdaagt en tart, Hoe de boogschutters hem ook bekampen:
    4924Zijn boog blijft sterk, De spieren van zijn arm blijven lenig: Door de hulp van den Sterke van Jakob, Door de Naam van zijn Hoeder, IsraŽls Rots!
    4925Van den God van uw vader, die u helpt, Van den almachtigen God, die u zegent: Stromen zegeningen van de hemel daarboven, Zegeningen van de diepten beneden, Zegeningen van borsten en schoot,
    4926Zegeningen van uw vader! Ze gaan de zegeningen der oude bergen te boven, De kostbare gaven der eeuwige heuvelen; Zij dalen op het hoofd van Josef neer, Op de schedel van den vorst zijner broeders.
    4927Benjamin is een roofgierige wolf. Des morgens verslindt hij de buit, En des avonds verdeelt hij de roof!
    4928Dit zijn al de stammen van IsraŽl, twaalf in getal. En zo sprak hun vader hen toe, toen hij hen zegende, en ieder van hen zijn bijzondere zegen verleende.
    4929Daarna gaf Jakob hun het volgende bevel: Wanneer ik bij mijn volk ben verzameld, begraaft mij dan bij mijn vaderen in de grot, op de akker van Efron, den Chittiet.
    4930Het is de grot op de akker van Makpela, ten oosten van Mamre, in het land Kanašn; de akker, die Abraham als een familiegraf van Efron, den Chittiet, heeft gekocht.
    4931Daar heeft men Abraham en zijn vrouw Sara begraven; daar heeft men Isašk met zijn vrouw Rebekka begraven; en daar heb ik ook Lea begraven.
    4932Het is het stuk land, dat van de zonen van Chet is gekocht met de grot, die erop ligt.
    4933Toen Jakob de opdracht aan zijn zonen ten einde had gebracht, trok hij zijn voeten terug op het bed, gaf de geest en werd verzameld bij zijn volk.
    5001Wenend wierp Josef zich op het gelaat van zijn vader en kuste het.
    5002Daarna gaf hij de geneesheren onder zijn dienaars bevel, zijn vader te balsemen; en de geneesheren balsemden IsraŽl.
    5003Veertig dagen gingen er mee heen; want zolang duurt de balseming. En zeventig dagen bedreven de Egyptenaren rouw over hem.
    5004Toen de rouwtijd voorbij was, sprak Josef tot het hof van Farao: Als ik genade gevonden heb in uw ogen, wees dan mijn voorspraak bij Farao, en zeg hem,
    5005dat mijn vader mij heeft bezworen: Wanneer ik dood ben, moet ge mij begraven in het graf, dat ik voor mij heb uitgehouwen in het land Kanašn. Daarom zou ik willen vertrekken, om mijn vader te begraven; daarna zal ik terugkeren.
    5006Farao antwoordde: Ga heen, om uw vader te begraven, zoals hij u bezworen heeft.
    5007Josef vertrok dus, om zijn vader te begraven. Hij werd begeleid door al de dienaren van Farao, door zijn voornaamste hovelingen en alle waardigheidsbekleders van Egypte;
    5008bovendien door het hele gezin van Josef met zijn broers en het gezin van zijn vader, die alleen hun kleine kinderen, hun schapen en runderen in het land Gůsjen achterlieten.
    5009Ook wagens en ruiters reden met hem mee: het was een indrukwekkende stoet.
    5010Toen zij Goren-Haštad in het Overjordaanse hadden bereikt, hielden zij er een grote en plechtige rouwklacht; en zeven dagen lang liet hij rouw bedrijven over zijn vader.
    5011De inwoners van het land, de Kanašnieten, zagen die rouw in Goren-Haštad, en zeiden: Dat is een plechtige rouwklacht van Egypte. Daarom wordt deze plaats Abel-Misraim genoemd. Ze ligt in het Overjordaanse.
    5012Daarna deden zijn zonen, wat hij hun had bevolen.
    5013Ze brachten hem naar het land Kanašn over, zoals hij hun had gelast, en begroeven hem in de grot op de akker van Makpela, ten oosten van Mamre, die Abraham als een familiegraf had gekocht van Efron, den Chittiet.
    5014Na de begrafenis van zijn vader keerde Josef met al zijn broers en allen, die hem hadden vergezeld, om zijn vader te begraven, naar Egypte terug.
    5015Nu hun vader gestorven was, werden de broers van Josef bevreesd, en zeiden: Als Josef ons nu maar niet vijandig behandelt, en ons al het kwaad vergeldt, dat wij hem aangedaan hebben!
    5016Daarom lieten zij Josef berichten:
    5017Uw vader heeft voor zijn dood ons bevolen: Zo moet ge tot Josef spreken! Vergeef toch de misdaad en de zonde van uw broers en het leed, dat zij u hebben aangedaan. Vergeef dus de misdaad der dienaars van den God van uw vader! Toen men zo tot hem sprak begon Josef te wenen.
    5018Nu kwamen zijn broers zelf, vielen op hun aangezicht neer, en zeiden: Zie, wij zijn uw slaven!
    5019Maar Josef sprak: Ge behoeft niet te vrezen! Bekleed ik soms de plaats van God?
    5020Gij hebt mij kwaad willen doen, maar God heeft het ten goede gekeerd, om een talrijk volk in het leven te behouden, zoals nu is geschied.
    5021Weest dus niet bang; ik zal voor u en uw kinderen zorgen. Zo gaf hij hun moed, en onderhield zich minzaam met hen.
    5022Josef bleef in Egypte wonen met het gezin van zijn vader; hij werd honderd tien jaren oud.
    5023En Josef mocht nog de kleinkinderen van EfraÔm aanschouwen; ook de zonen van Makir, den zoon van Manasse, werden op de knieŽn van Josef geboren.
    5024Daarna sprak Josef tot zijn broers: Ik ga sterven; maar God zal eenmaal op u neerzien, en u uit dit land geleiden naar het land, dat Hij aan Abraham, Isašk en Jakob onder ede beloofd heeft.
    5025En Josef bezwoer de zonen van IsraŽl: Wanneer God op u heeft neergezien, voert dan mijn gebeente van hier mee.
    5026Toen stierf Josef, honderd tien jaren oud. Men balsemde hem in Egypte, en legde hem daar in een kist.